ECLI:NL:RBDHA:2026:20556

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL25.24313
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 VwArt. 6 SchengengrenscodeArt. 12 VwVreemdelingenwet 2000Verordening 2016/399
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit op grond van verdenking geweldsmisdrijf

De rechtbank Den Haag heeft het beroep van een Saoedische vreemdeling tegen een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie beoordeeld. Het terugkeerbesluit verplicht eiser om binnen 28 dagen Nederland te verlaten vanwege een verdenking van mishandeling, gepleegd tijdens zijn verblijf in de vrije termijn.

Eiser voerde aan dat de strafzaak nog niet was behandeld en later geseponeerd werd wegens onvoldoende bewijs, en dat er geen objectieve en nauwkeurige elementen waren die de verdenking rechtvaardigden. De rechtbank benadrukte dat de beoordeling ex-tunc plaatsvindt, dus op basis van de situatie ten tijde van het besluit.

De rechtbank stelde vast dat eiser op heterdaad was aangehouden, in verzekering gesteld en gedagvaard, wat voldoende objectieve en nauwkeurige aanwijzingen vormde voor de verdenking. Het feit dat het Openbaar Ministerie later seponeerde, doet hieraan niet af. De verdenking van mishandeling, een geweldsmisdrijf met een maximale gevangenisstraf van drie jaar, rechtvaardigt de onmiddellijke beëindiging van het verblijf.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het terugkeerbesluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.24313
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,geboren op [geboortedag] 1997, van Saoedi-Arabische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. Š. Petković),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. E. Jacobs).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 19 mei 2025 waarbij eiser is opgedragen de EU, EER en Zwitserland binnen 28 dagen te verlaten en terug te keren naar Saoedi-Arabië.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft verweer gevoerd door middel van een verweerschrift. Daarna heeft eiser aanvullende stukken overgelegd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
2. In het bestreden besluit heeft de minister een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd op grond van artikel 62 van Pro de Vw [1] . De minister heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat eiser niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij:
- zich niet, dan wel niet onmiddellijk heeft gehouden aan het bepaalde krachtens en bij de
Vw. Het rechtmatig verblijf gedurende de vrije termijn vereist namelijk onder meer dat de vreemdeling de Nederlandse rechtsregels respecteert. Nu eiser wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit, heeft hij niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 van Pro de Schengengrenscode [2] en is de vrije termijn als bedoeld in artikel 12 van Pro de Vw van rechtswege komen te vervallen;
- gevaar oplevert voor de openbare orde, omdat eiser op 18 mei 2025 in [plaats] op heterdaad is aangehouden voor mishandeling. Door dit gedrag te vertonen in de vrije termijn, maakt eiser inbreuk op de openbare orde en verblijft hij niet meer rechtmatig in Nederland.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser kan zich niet verenigen met het terugkeerbesluit en voert daartegen het volgende aan. Eiser heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij op 15 mei 2025 naar Nederland is afgereisd en daarbij aangegeven dat hij op 22 mei 2025 zou teruggaan en reeds over een retour(vlieg)ticket beschikte. Eiser erkent dat hij verdachte was in een strafzaak, maar de zitting moest ten tijde van het bestreden besluit nog plaatsvinden. De strafzaak is uiteindelijk door het Openbaar Ministerie geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. Hier is geen rekening mee gehouden bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Daarnaast stelt eiser dat er geen sprake was van met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen op grond waarvan iemand kan worden verdacht van het plegen van een misdrijf. Het voorgaande brengt volgens eiser met zich dat het terugkeerbesluit niet in stand kan blijven.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling van een terugkeerbesluit plaatsvindt aan de hand van een ex-tunc toets. Daarbij wordt de rechtmatigheid van het bestreden besluit beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het nemen daarvan bekend waren of redelijkerwijs bekend konden zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser werd verdacht van mishandeling.
4. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [3] is verdenking van het plegen van een strafbaar feit voldoende voor de vaststelling dat het verblijf in de vrije termijn op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Schengengrenscode is geëindigd. [4]
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 september 2020 geoordeeld dat het strafbare feit waarvan de betrokken onderdaan van een derde land wordt verdacht, in het licht van de aard ervan en de strafmaat, ernstig genoeg moet zijn om te rechtvaardigen dat het verblijf van deze onderdaan op het grondgebied van de lidstaten onmiddellijk wordt beëindigd. Als de betrokken vreemdeling niet is veroordeeld, kan op basis van met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen op grond waarvan de vreemdeling kan worden verdacht van het plegen van dat strafbare feit, alsnog worden vastgesteld dat de vreemdeling een bedreiging vormt voor de openbare orde.
5. Hoewel ten tijde van het bestreden besluit nog niet vaststond of eiser zou worden veroordeeld, is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd. De verdenking ziet op mishandeling, een geweldsmisdrijf waarop een maximale gevangenisstraf van drie jaar is gesteld, zodat sprake is van een voldoende ernstig feit om de onmiddellijke beëindiging van het verblijf van eiser te rechtvaardigen. Daarbij is eiser op heterdaad aangehouden, voor het gepleegde feit in verzekering gesteld en met een dagvaarding heengezonden. Zoals de minister terecht heeft opgemerkt, volgt uit deze omstandigheden dat sprake is van met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen op grond waarvan eiser kon worden verdacht van het plegen van het strafbare feit. De minister heeft ter ondersteuning van dit standpunt het proces-verbaal van ophouding en onderzoek overgelegd. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie de zaak op 2 juli 2025 heeft geseponeerd, leidt niet tot een ander oordeel, nu de beoordeling ex-tunc plaatsvindt. De sepotbeslissing betreft immers een omstandigheid die zich na het bestreden besluit heeft voorgedaan.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening 2016/399.
3.Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2067.