ECLI:NL:RBDHA:2026:20558

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38881
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 94 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op proceskostenvergoeding bij gegrond verklaard beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring

De minister legde op 11 juli 2026 aan eiser, een Egyptische vreemdeling, een maatregel van vreemdelingenbewaring op wegens onderduikrisico en het ontwijken van de uitzettingsprocedure. Eiser handhaafde het beroep ondanks opheffing van de bewaring op 15 juli 2026 en een aangeboden schadevergoeding voor de periode 13-15 juli 2026. De rechtbank behandelde het beroep op 16 juli 2026.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel rechtmatig was voor de periode 11 en 12 juli 2026, maar onrechtmatig vanaf 13 juli 2026 vanwege de ingediende Chavez-aanvraag voor afgeleid verblijfsrecht. De belangen van het familieleven met zijn minderjarige dochter werden voldoende onderzocht en meegewogen, ondanks het niet-meewerkende gedrag van eiser tijdens het bewaringsgehoor.

De rechtbank vond dat de minister terecht geen lichter middel toepaste gezien het onderduikrisico en de omstandigheden. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat het beroep tot stand kwam door een kennisgeving en er geen proceshandelingen waren verricht die vergoeding rechtvaardigen. Het beroep werd gegrond verklaard voor de periode 13 tot en met 15 juli 2026 en de aangeboden schadevergoeding van €360 werd toegewezen.

Uitkomst: Beroep gegrond voor 13-15 juli 2026 met schadevergoeding, geen proceskostenvergoeding toegekend

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38881

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: S.H.M. Maas).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 11 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
1.2.
De minister heeft op 15 juli 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven en schadevergoeding aangeboden voor de periode van 13 juli 2026 tot en met 15 juli 2026. Eiser heeft het beroep gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
2. Eiser stelt de Egyptische nationaliteit te hebben en is geboren op [geboortedatum] 2001.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank, indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De maatregel
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Het (samengevatte) standpunt van eiser
5. Eiser voert aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring ten onrechte is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat aan hem een afgeleid declaratoir verblijfsrecht toekomt Verder verwijst eiser naar het arrest Adrar. Eiser is van mening dat de minister niet kenbaar rekening heeft gehouden met de belangen van zijn minderjarige dochter dan wel met zijn familieleven. Hij verwijst daarbij naar de verklaring van zijn partner. Dat eiser een tijdje vermist is geweest, betekent niet dat er geen sprake is van een relatie tussen eiser en zijn partner. Zij werken aan hun relatie en willen samen voor hun minderjarige dochter zorgen. Dit heeft de minister onvoldoende onderzocht en op waarde geschat. Ook voert eiser aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij een relatie heeft met een Nederlandse vrouw en zij samen de opvoeding dragen van hun minderjarige dochter. Het familie- en gezinsleven van eiser is onvoldoende kenbaar betrokken bij het lichter middel. Als laatste voert eiser aan dat ten onrechte geen aanbod is gedaan tot de toekenning van proceskosten.
Omvang van het geschil
6. Nu de onrechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring per 13 juli 2026 en de hoogte van de schadevergoeding niet in geschil zijn, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de reeds aangeboden schadevergoeding toekennen. Wel zijn nog in geschil de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring in de periode daarvóór (11 en 12 juli 2026) en de proceskostenvergoeding.
De gronden van de maatregel
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de gronden die de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft opgenomen inhoudelijk niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat die gronden feitelijk juist zijn en samen met de toelichting daarbij voldoende zijn om de maatregel te dragen, omdat op grond daarvan kan worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat.
De grondslag van de maatregel
8. Vervolgens overweegt de rechtbank dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op de juiste grondslag is gebaseerd. Vast staat dat eiser op 13 juli 2026 een aanvraag heeft ingediend voor een afgeleid verblijfsrecht (de Chavez-aanvraag). De stelling van eiser dat reeds van meet af aan had kunnen worden vastgesteld dat hij beschikt over een afgeleid declaratoir verblijfsrecht volgt de rechtbank niet. Pas nadat eiser die Chavez-aanvraag had ingediend, kon de minister beoordelen of aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan. Dat de minister in die Chavez-aanvraag weliswaar aanleiding heeft gezien om de maatregel op de te heffen en vanaf de datum van indiening van die aanvraag (13 juli 2026) een schadevergoeding aan te bieden (omdat eiser sindsdien procedureel rechtmatig verblijf heeft), maakt niet dat de vreemdelingenbewaring reeds van meet af aan onrechtmatig was. Het enkele indienen van een Chavez-aanvraag leidt immers niet automatisch tot de conclusie dat sprake is van een afgeleid (declaratoir) verblijfsrecht. Op het moment van sluiten van het onderzoek op 16 juli 2026 is ook nog niet besloten op die aanvraag. Ook is hiervoor het volgende van belang.
Het gezinsleven
9. De rechtbank volgt eiser daarnaast niet in zijn betoog dat de minister het gestelde familieleven en de belangen van zijn minderjarige dochter niet kenbaar of onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. Uit het dossier blijkt dat is onderkend dat eiser mogelijk een minderjarig kind heeft bij zijn partner. Daarnaar is vervolgens onderzoek gedaan en (al vóórdat het bewaringsgehoor plaatsvond) gesproken met de partner van eiser. Daarnaast heeft de verbalisant meerdere pogingen ondernomen om ook eiser hierover te horen tijdens het bewaringsgehoor. Eiser heeft daaraan echter geen medewerking verleend. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser zich gedurende het gehoor structureel stellig en niet-meewerkend heeft opgesteld, ondanks vele herhaalde pogingen van de verbalisant om met hem in gesprek te gaan. Dat eiser zelf daar toen dus niets over heeft verklaard, komt door zijn eigen gedrag en kan de minister niet worden tegengeworpen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende en zorgvuldig onderzoek is verricht naar het familieleven van eiser en de vraag of dit aan de maatregel van vreemdelingenbewaring in de weg staat. Vervolgens is daarop in de maatregel (kenbaar) ingegaan. Op basis van de informatie die toen beschikbaar was, heeft de minister zich op het standpunt kunnen en mogen stellen dat daarvan geen sprake was. Daarbij is van belang dat de partner van eiser uitgebreid is gesproken, waarbij zij meermalen (onder meer en kort gezegd) heeft verklaard dat zij en eiser op dat moment geen relatie (meer) hadden, daarbij een toelichting op de situatie gegeven (onder meer dat eiser in januari ineens spoorloos was verdwenen en kort geleden na een half jaar plots weer voor de deur stond), dat eiser nauwelijks zorg- en opvoedingstaken voor hun dochter verricht(te), hij zijn dochter (nog) niet heeft erkend en dat eiser (alhoewel hij daar nu wel veel is) niet bij haar woont. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan die verklaring vanwege – zoals eiser stelt zonder dat te onderbouwen – autisme en adhd van de partner, inkleuring van haar kant vanwege eisers gedrag en dat het om een plotseling bezoek van de politie ging. Weliswaar verklaarde de partner ook dat zij samen een dochter hebben en zij graag wil dat haar dochter een vader heeft (en zij nu ook dingen samen doen), maar daarin hoefde de minister naar het oordeel van de rechtbank in het licht van haar gehele (en zorgvuldig afgenomen) verklaring en het ontbreken van een verklaring van eiser zelf daarover onvoldoende aanleiding te zien voor de conclusie dat sprake was van een zodanig beschermenswaardig familieleven dat dit aan het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring in de weg stond. De minister kon er ter ondersteuning ook concreet op wijzen dat eiser zes maanden geen contact heeft gehad met zijn dochter en partner. Aan dit oordeel doet de schriftelijke verklaring van de partner die vervolgens bij de Chavez-aanvraag van 13 juli 2026 is ingediend niet af. Daarnaast heeft de minister kunnen betrekken dat eiser tot aan zijn inbewaringstelling geen concrete stappen heeft ondernomen om rechtmatig verblijf bij zijn dochter dan wel gezin te verkrijgen. De Chavez-aanvraag is immers de eerste aanvraag waarmee hij verblijf bij zijn minderjarige dochter (die is geboren op 25 december 2024, dus al anderhalf jaar oud is) heeft beoogd te verkrijgen. De minister merkt tot slot ook nog terecht op dat niet is gebleken dat eiser niet vanuit het land waarnaartoe hij terug moet keren (Egypte) verblijf bij zijn dochter en gezin kan regelen.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister ook op goede gronden geen lichter middel heeft toegepast. Dat is in de maatregel voldoende gemotiveerd. Voorop staat dat uit de niet betwiste gronden, de daaraan ten grondslag liggende feiten en de toelichting daarbij een onderduikrisico volgt. Van belang hierbij is verder onder meer dat het gestelde familieleven voldoende is betrokken bij de beoordeling of met een lichter middel kon worden volstaan. Daarbij is kenbaar meegewogen dat eiser een minderjarige dochter heeft. Daarop is vervolgens voldoende ingegaan in de maatregel. De minister hoefde – mede gelet op wat daarover in de vorige rechtsoverweging is overwogen – in het gestelde familieleven geen aanleiding te zien om met een lichter middel dan vreemdelingenbewaring te volstaan. Dat eiser zegt dat hij nu bij zijn dochter en gezin wil (ver)blijven is onvoldoende voor de conclusie dat hij niet in bewaring kon worden gesteld in verband met zijn terugkeer naar Egypte en dat dus een lichter middel had moeten worden toegepast. Verder is niet gesteld of gebleken dat de maatregel voor eiser (wegens persoonlijke of medische omstandigheden) onevenredig bezwarend is of om een andere reden een lichter middel aan de orde zou moeten zijn.
De ambtshalve toets
11. Tot slot heeft de rechtbank ambtshalve de overige aspecten die de rechtmatigheid van de maatregel betreffen beoordeeld en geconcludeerd dat de vreemdelingenbewaring in de te toetsen periode die nog in geschil is (11 en 12 juli 2026) niet onrechtmatig is geweest.
De proceskosten
12. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen recht heeft op vergoeding van zijn proceskosten vanwege de opheffing van de maatregel (en de aangeboden schadevergoeding). De rechtbank overweegt dat het beroep tot stand is gekomen doordat de kennisgeving van de maatregel van vreemdelingenbewaring door de minister aan de rechtbank is doorgezonden. [2] Dit brengt mee dat moet worden vastgesteld dat de gemachtigde van eiser in zoverre geen proceshandeling heeft verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komt. Dat eiser daarmee formeel geacht wordt beroep te hebben ingesteld, doet daar niet aan af. De gemachtigde van eiser licht weliswaar toe dat wel werkzaamheden zijn verricht, maar ook dat maakt die vaststelling niet anders. De rechtbank wijst ook op de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2024 [3] , waarin geoordeeld is dat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen punt kan worden toegekend voor het instellen van beroep omdat sprake is van een kennisgeving (door toen de staatssecretaris) en de gemachtigde dus niet zelf beroep heeft ingesteld. De rechtbank stelt daarnaast overigens nog vast dat de maatregel ook niet is opgeheven wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid, maar omdat eiser op 13 juli 2026 de Chavez-aanvraag heeft ingediend. Nu de gemachtigde evenmin andere proceshandelingen heeft verricht als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht die op de (als onrechtmatig aangemerkte) periode van 13 tot en met 15 juli 2026 zien, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De gemachtigde van eiser is weliswaar op de zitting verschenen en heeft daar beroepsgronden ingediend, maar daar ging het alleen nog om de periode daarvóór (11 en 12 juli 2026). Over die periode is geoordeeld dat de maatregel niet onrechtmatig was, zodat dáárvoor (ook) geen proceskostenvergoeding aan de orde is.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond voor de periode vanaf 13 juli 2026 tot de opheffing op 15 juli 2026. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding voor die periode toegewezen zoals is aangeboden en niet is betwist (drie dagen á € 120, - is totaal € 360,-). Over de periode daarvóór is de maatregel rechtmatig, zodat voor die periode het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond (voor de periode 13 juli 2026 tot en met 15 juli 2026);
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 360,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 22 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000..
2.Zie artikel 94, eerste lid, eerste en tweede zin, van de Vw 2000.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777, r.o. 12.1.