ECLI:NL:RBDHA:2026:20560

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.16182 en NL26.16183
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken procesbelang

Eiser, van Ghanese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Hierdoor ontbreekt het aan procesbelang, omdat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank onderzoekt of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een inhoudelijke beoordeling vereisen, zoals een mogelijke schending van artikel 3 EVRM Pro. Dit wordt echter niet vastgesteld.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter zonder zitting en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na verzending.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.16182 (beroep) en NL26.16183 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2004, van Ghanese nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
2. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Met het bestreden besluit van 17 maart 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening, die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
5. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [2] volgt dat sprake is van procesbelang als het doel dat een belanghebbende voor ogen staat, met het door hem aangewende rechtsmiddel kan worden bereikt en dit doel voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. [3]
7. De minister heeft op 25 maart 2026 een brief in het digitale dossier geüpload waarin wordt verwezen naar een bijlage met een melding van het COa [4] waaruit blijkt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Daarnaast heeft de minister meegedeeld dat niet is gebleken dat eiser zich inmiddels opnieuw heeft gemeld bij de IND [5] , het COa, de AVIM [6] of de DT&V [7] .
8. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser op 24 juni 2026 en op 7 juli 2026 verzocht om te reageren op deze melding. Op 10 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiser bericht dat hij al enige tijd geen contact met eiser heeft en dat eiser niet op zijn telefoon of app reageert. Op 15 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiser opnieuw laten weten dat hij al enige tijd geen contact heeft met eiser, dat eiser telefonisch niet te bereiken is en de appjes van zijn gemachtigde niet meer bekijkt.
9. Als een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van worden uitgegaan dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling. [8] In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
10. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de aangeleverde informatie van de gemachtigde van eiser dat hij geen contact met eiser heeft, neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
11. De rechtbank ziet zich verder voor de vraag gesteld of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest Bahaddar [9] van het EHRM [10] , die maken dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege moet blijven. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor als wat is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van Pro het EVRM [11] . Gelet op de inhoud van het digitale zaakdossier is de rechtbank van oordeel dat hiervan in dit geval geen sprake is.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
13. Nu het beroep niet-ontvankelijk is, is er geen aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening verder te behandelen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL26.16182:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.16183:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:57, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Uitspraak van de Afdeling, 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, overweging 2.2.
4.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
5.Immigratie- en naturalisatiedienst.
6.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
7.Dienst Terugkeer en Vertrek.
8.ECLI:NL:RVS:2024:2662, overweging 2.3.
9.Arrest van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
10.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
11.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.