ECLI:NL:RBDHA:2026:20561

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38415
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 94 lid 1 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 5.5 lid 2 VbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen grensdetentie op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet

Eiser, een Egyptische vreemdeling, heeft bij de grens een asielaanvraag ingediend terwijl hij niet voldeed aan de toegangsvoorwaarden, omdat hij met een toeristenvisum naar Nederland was gekomen. De minister legde op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet een vrijheidsontnemende maatregel (grensdetentie) op.

De rechtbank heeft het beroep behandeld via telehoren waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren. Eiser voerde aan dat de minister niet had onderzocht waarom een lichter middel niet mogelijk was en dat de standaardformulering onvoldoende was. De rechtbank oordeelde dat de minister bevoegd was de maatregel op te leggen en dat er geen bijzondere individuele omstandigheden waren die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maakten.

Eiser had voorafgaand aan de maatregel geen bezwaar gemaakt en geen bijzondere of medische omstandigheden aangevoerd. De rechtbank concludeerde dat de minister terecht geen lichter middel heeft toegepast en dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van grensdetentie is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38415

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Egyptische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. Ȍ. Sari).

Procesverloop

1. Bij besluit van 9 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw [1] een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw in kennis gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het detentiecentrum Schiphol in Badhoevedorp. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Toetsingskader
3.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.
3.1.
Op grond van artikel 5.5, tweede lid van het Vb [2] wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Lichter middel
4. Eiser betoogt dat in de maatregel is volstaan met de standaardformulering dat de
maatregel berust op het grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet
kan worden toegepast. Dat de maatregel in het kader van grensbewakingsbelang is opgelegd, betekent niet dat iedere vreemdeling aan de grens automatisch in detentie mag worden geplaatst. De minister heeft niet kenbaar onderzocht, aan de hand van de omstandigheden van eiser, waarom in het geval van eiser geen minder dwingende maatregel mogelijk was.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Zo is eiser met een (door de Duitse autoriteiten afgegeven) toeristenvisum naar Nederland gekomen. Het visum is daarmee gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het visum is afgegeven. Daarmee voldoet eiser aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet heeft hoeven volstaan met een lichter middel. De minister heeft met het oog op het grensbewakingsbelang de bevoegdheid om de maatregel van grensdetentie op te leggen, maar hij laat de toepassing van deze bevoegdheid achterwege als individuele omstandigheden daaraan in de weg staan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de individuele omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel aan eiser op te leggen. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord. Daarbij heeft eiser desgevraagd aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel. Ook is aan eiser gevraagd of er bijzondere, dan wel medische omstandigheden zijn, die maken dat zijn vrijheid niet kan worden ontnomen. Eiser heeft in dit kader geen bijzondere dan wel medische omstandigheden aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de door eiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel.
Ambtshalve toetsing
5. Ook voor het overige ziet de rechtbank ambtshalve geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.