ECLI:NL:RBDHA:2026:20563

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38417
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 94 lid 1 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 5.5 lid 2 VbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen grensdetentie op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet

Eiseres, een Egyptische asielzoekster, werd op 9 juli 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) omdat zij niet voldeed aan de toegangsvoorwaarden voor het indienen van een asielaanvraag aan de grens. De minister stelde de rechtbank hiervan in kennis, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiseres tegen het besluit.

De rechtbank behandelde het beroep op 17 juli 2026 via telehoor, waarbij eiseres en haar gemachtigde aanwezig waren. Eiseres voerde aan dat de minister niet had onderzocht waarom een lichter middel niet mogelijk was en dat de standaardformulering onvoldoende was. De rechtbank stelde vast dat eiseres met een toeristenvisum naar Nederland was gekomen en dit visum voor een ander doel gebruikte, waardoor de toepassing van grensdetentie gerechtvaardigd was.

De rechtbank oordeelde dat de minister niet verplicht was een lichter middel toe te passen, tenzij bijzondere individuele omstandigheden dat vereisten. Eiseres had medische klachten, maar deze waren niet zodanig dat de beschikbare medische zorg in het detentiecentrum onvoldoende was. Eiseres had bovendien geen bezwaar tegen de maatregel. De rechtbank vond geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van grensdetentie is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38417

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

geboren op [geboortedatum] ,
van Egyptische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. Ȍ. Sari).

Procesverloop

1. Bij besluit van 9 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw [1] een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw in kennis gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen op het detentiecentrum Schiphol in Badhoevedorp. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Toetsingskader
3.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.
3.1.
Op grond van artikel 5.5, tweede lid van het Vb [2] wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Lichter middel
4. Eiseres betoogt dat in de maatregel is volstaan met de standaardformulering dat de
maatregel berust op het grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet
kan worden toegepast. Dat de maatregel in het kader van grensbewakingsbelang is opgelegd, betekent niet dat iedere vreemdeling aan de grens automatisch in detentie mag worden geplaatst. De minister heeft niet kenbaar onderzocht, aan de hand van de omstandigheden van eiseres, waarom in het geval van eiseres geen minder dwingende maatregel mogelijk was.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl zij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Zo is eiseres met een (door de Duitse autoriteiten afgegeven) toeristenvisum naar Nederland gekomen. Het visum is daarmee gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het visum is afgegeven. Daarmee voldoet eiseres aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet heeft hoeven volstaan met een lichter middel. De minister heeft met het oog op het grensbewakingsbelang de bevoegdheid om de maatregel van grensdetentie op te leggen, maar hij laat de toepassing van deze bevoegdheid achterwege als individuele omstandigheden daaraan in de weg staan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de individuele omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel aan eiseres op te leggen. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiseres gehoord. Daarbij heeft eiseres desgevraagd aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel. Ook is aan eiseres gevraagd of er bijzondere, dan wel medische omstandigheden zijn, die maken dat haar vrijheid niet kan worden ontnomen. Eiseres heeft aangegeven dat zij last heeft van een hoge bloeddruk, een opgezette lever en galblaas en vocht bij het hart en longen. Ook heeft eiseres aangegeven dat zij medicatie gebruikt en dat zij deze op dit moment voldoende tot haar beschikking heeft. Door de minister is overwogen dat op het detentiecentrum Schiphol een medisch centrum aanwezig is die haar medische situatie kan beoordelen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare medische zorg in haar geval niet toereikend is of dat haar medische gesteldheid door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de door eiseres aangevoerde omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel.
Ambtshalve toetsing
5. Ook voor het overige ziet de rechtbank ambtshalve geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.