ECLI:NL:RBDHA:2026:20564

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.39061
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 94 lid 1 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 5.5 lid 2 VbArt. 231 lid 2 WvSr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel grensdetentie

Eiser is op 11 juli 2026 op Schiphol aangehouden wegens een vermoedelijke strafrechtelijke overtreding en vervolgens op 13 juli 2026 overgedragen aan de Koninklijke Marechaussee nadat hij aangaf een asielaanvraag te willen indienen. De minister legde daarop een vrijheidsontnemende maatregel op op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet.

Eiser maakte bezwaar tegen deze maatregel en voerde aan dat hij al vijf dagen vastzit en dat hem contact met zijn moeder was beloofd maar niet is toegestaan. Tevens gaf hij aan te vrezen voor zijn leven vanwege problemen in Somalië. Zijn gemachtigde diende geen gronden in en verwees naar het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft ambtshalve getoetst of de maatregel onrechtmatig is opgelegd en heeft geen onrechtmatigheden vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat de vrijheidsontnemende maatregel gerechtvaardigd is in het kader van de grensprocedure en het grensbewakingsbelang, en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39061

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. Ȍ. Sari).

Procesverloop

1. Bij besluit van 13 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw [1] een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw in kennis gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum Schiphol in Badhoevedorp. Ook is een tolk verschenen. Eisers gemachtigde is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.
3.1.
Op grond van artikel 5.5, tweede lid van het Vb [2] wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiser is op 11 juli 2026 op Schiphol aangekomen en daar aangehouden in verband met een vermoedelijke overtreding van artikel 231, tweede lid, van het WvSr [3] . Eiser is op 12 juli 2026 in vrijheid gesteld en, in afwachting van een overdracht aan afdeling A&A4 [4] , opgehouden in de internationale lounge. Op 13 juli 2026 is eiser overgedragen door de Kmar [5] , omdat hij heeft aangegeven een asielaanvraag te willen indienen. De minister heeft op dezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.
5. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij het niet eens is met de maatregel en dat hij al vijf dagen vastzit. Ook is hem beloofd dat hij contact mag opnemen met zijn moeder, maar die mogelijkheid heeft hij nog niet gehad. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij vanwege problemen in Somalië vreest voor zijn leven en daarom Somalië is ontvlucht.
6. De rechtbank stelt vast dat eisers gemachtigde bij bericht van 17 juli 2026 geen gronden heeft ingediend en heeft aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de ambtshalve door de rechtbank te beoordelen vragen, is de rechtbank niet gebleken dat de maatregel onrechtmatig aan eiser is opgelegd. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. Het beroep is daarom ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Wetboek van Strafrecht.
4.Asiel en aanvraag, een operationele eenheid binnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst en primair belast met het afhandelen van de grensprocedure, het registreren van asielaanvragen en het uitvoeren van gehoren in het Justitieel Complex Schiphol (JCS).
5.Koninklijke Marechaussee.