ECLI:NL:RBDHA:2026:20566

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38681
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 TerugkeerrichtlijnArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring

Eiser, van Ivoriaanse nationaliteit, is in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot 3 juli 2026 bevestigd en beoordeelt nu alleen de periode daarna.

Eiser stelde dat er geen actuele en deugdelijke refoulementtoets heeft plaatsgevonden, verwijzend naar een Amnesty-rapport en zijn politieke overtuiging. De rechtbank oordeelt dat het rapport algemene informatie bevat die niet specifiek op eiser van toepassing is en dat er geen gewijzigde omstandigheden zijn die uitzetting in strijd met het non-refoulementbeginsel brengen.

Verder is vastgesteld dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting, met een vlucht gepland op 27 juli 2026. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die een lichter middel rechtvaardigen. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is voortgezet en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38681

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Ivoriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. Ȍ. Sari).

Procesverloop

1. De minister heeft op 14 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Hierop heeft eiser gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam en heeft zich op de rechtbank laten bijstaan door mr. I.M. Zuidhoek, die waarnam voor zijn gemachtigde. Ook is telefonisch een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 juli 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 3 juli 2026.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
4. Eiser voert aan dat uit de door de minister overgelegde stukken niet blijkt dat een deugdelijke en actuele refoulementbeoordeling heeft plaatsgevonden. De op 30 mei 2026 door eiser ingediende opvolgende asielaanvraag is door de minister bij besluit van 13 juni 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee heeft de minister geen inhoudelijke beoordeling van het refoulementrisico verricht. De laatste refoulementbeoordeling dateert uit 2017. Eiser heeft gewezen op actuele landeninformatie op grond waarvan hij stelt vanwege zijn politieke overtuiging een refoulementrisico te lopen bij terugkeer naar Ivoorkust. Uit de voornemens van 2017 en 2026 blijkt volgens eiser dat zijn politieke overtuiging als zodanig niet wordt betwist door de minister. Ten onrechte is zijn politieke overtuiging door de minister niet als relevant element aangemerkt en heeft er geen deugdelijke en actuele refoulementtoets plaatsgevonden. Gelet op het Amnesty-rapport heeft de minister in het besluit van 13 juni 2026 ten onrechte overwogen dat er geen landeninformatie is waaruit blijkt dat aanhangers van Gbagbo sinds 2017 meer risico lopen. Nu er ten aanzien van het terugkeerbesluit geen deugdelijke refoulementtoets is verricht, moet deze in strijd worden geacht met het bepaalde in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn. Dit maakt dat er op dit moment geen sprake meer is van een rechtmatige voortduring van de maatregel.
Beoordeling rechtbank
Refoulement
5. De bewaringsrechter is, indien alleen beroep is ingesteld tegen de bewaringsmaatregel, uitsluitend belast met het beoordelen van de rechtmatigheid van de oplegging en tenuitvoerlegging van de bewaringsmaatregel. De rechtbank is in dat geval niet belast met het (her-)beoordelen van de rechtmatigheid van een in rechte vaststaand terugkeerbesluit. Indien de rechtbank vaststelt dat de vreemdeling die in bewaring is gesteld om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, niet kan worden verwijderd, kan de rechtbank ook volstaan met het vaststellen dat er geen (redelijk) vooruitzicht op verwijdering bestaat, de bewaring daarmee onrechtmatig is en de vreemdeling dus in vrijheid moet worden gesteld. De rechtbank stelt ter volledigheid vast dat in de uitspraak van 25 juni 2026 is geoordeeld dat door de minister is beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van eiser verzet en dat de rechtbank in die procedure in het kader van het arrest Adrar ook ambtshalve geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [2]
5.1.
De bewaringsrechter die de rechtmatigheid van de voortduring van de tenuitvoerlegging van de bewaringsmaatregel beoordeelt zal moeten nagaan of het terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd. De rechtbank merkt hierbij op dat deze beoordeling uitsluitend betrekking kan hebben op de te toetsen periode. Uitgangspunt in een volgberoep-procedure is dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en dus is geoordeeld dat op het moment van oplegging van de maatregel het terugkeerbesluit kon worden uitgevoerd en de maatregel mocht worden opgelegd om de verwijdering voor te bereiden en om de verwijderingsprocedure uit te voeren. De rechtbank dient zich er dus van te vergewissen of in de te toetsen periode sprake is van gewijzigde omstandigheden die tot de conclusie leiden dat de verwijdering niet kan plaatsvinden.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is er in onderhavige procedure geen sprake van gewijzigde omstandigheden die maken dat uitzetting van eiser in strijd moet worden geacht met het non-refoulementbeginsel. Het door eiser aangehaalde Amnesty-rapport (Ivoorkust 2025), waaruit blijkt dat bij demonstraties van de Gbagbo-partij veel mensen zijn opgepakt, is onvoldoende voor het oordeel dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan eisers uitzetting en dat er daarom geen zicht op uitzetting bestaat. Het betreft algemene informatie van voor de oplegging van de maatregel en ziet niet op de specifieke situatie van eiser. Zicht op uitzetting ontbreekt op dit moment ook niet om andere redenen.
5.3.
De (waarnemende) gemachtigde van eiser heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat het in de pleitnota genoemd suïciderisico niet is bedoeld als beroepsgrond dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRM Pro [3] . Ook heeft zij aangegeven dat geen sprake is van lopende medische procedures. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor een artikel 3 EVRM Pro-schending op medische gronden.
Voortvarendheid
6. Uit het dossier blijkt dat op 27 juli 2026 een vlucht naar Ivoorkust staat gepland. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
Lichter middel
7. Eiser heeft in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.
Duur van de bewaring8. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [4]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.NL26.33312, ECLI:NL:RBDHA:2026:17177, rechtsoverweging 5.3. en 14.
3.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zie het arrest Aroja van het Europese Hof van Justitie van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).