ECLI:NL:RBDHA:2026:20580

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL24.14294
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens twijfel aan terugkeer en onvoldoende binding met Iran

Eiseres, een Iraanse vrouw, vroeg op 18 juni 2023 een visum voor kort verblijf aan om haar zoon en schoondochter in Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af omdat er twijfel bestond over het opgegeven reisdoel en het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren naar Iran. Tevens werd meegewogen dat een mvv-aanvraag door een andere zoon van eiseres liep, wat duidde op een mogelijk langdurig verblijf in Nederland.

Eiseres voerde aan dat zij de Nederlandse wetgeving respecteert en geen intentie heeft om illegaal te verblijven. Zij wees op een door Duitsland verstrekt visum en stelde dat zij economische en sociale binding met Iran heeft, waaronder een koopwoning, pensioen en familie. Verweerder achtte deze bindingen onvoldoende onderbouwd en vond dat de garantstelling door een externe derde de twijfel niet wegneemt.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht twijfelde aan het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren, mede vanwege de lopende mvv-procedure en de geringe economische en sociale binding met Iran. Het Duitse visum werd niet betrokken bij de beoordeling omdat het na het bestreden besluit was afgegeven en op andere feiten was gebaseerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege twijfel aan terugkeer en onvoldoende binding met Iran.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14294

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van Vliet).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 4 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder zijn verschenen [naam 1], de zoon van eiseres (hierna ook: referent), en L. Neshin, tolk.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om te reageren op het door eiseres ter zitting overlegde Duitse visum en op de garantstelling en om eiseres in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op de door verweerder ter zitting aangehaalde, niet gepubliceerde, rechtbankuitspraken (NL23.34983 en NL22.25207), die na de zitting in het digitaal dossier zijn geplaatst.
Bij bericht van 17 april 2026 heeft verweerder schriftelijk gereageerd op het Duitse visum en op de garantstelling. Op 20 april 2026 heeft eiseres op verweerders standpunt gereageerd. Vervolgens heeft verweerder op 22 april 2026 hierop gereageerd. Nadat beide partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van een nadere zitting, heeft de rechtbank op
8 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1958 en heeft de Iraanse nationaliteit. Op
18 juni 2023 heeft zij een visum voor kort verblijf aangevraagd. Eiseres wenst haar zoon [naam 1] (referent) en diens echtgenote in Nederland te bezoeken. Bij het primaire besluit heeft verweerder de visumaanvraag van eiseres afgewezen.
1.2.
Op 28 november 2022 heeft de andere zoon van eiseres, [naam 2], ten behoeve van eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis ingediend. Deze mvv-procedure loopt thans nog.
1.3.
De Duitse autoriteiten hebben aan eiseres een visum voor kort verblijf verstrekt, dat geldig was vanaf 24 december 2024 tot 7 april 2025.
Bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag gehandhaafd op de weigeringsgronden dat eiseres het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en dat er redelijke twijfel bestaat over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten.
Beroepsgronden
3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte in haar nadeel heeft meegewogen dat eerder een mvv-aanvraag in het kader van nareis is ingediend. Eiseres en referent laten zien dat zij de Nederlandse wetgeving respecteren en dat zij niet de intentie hebben om zich illegaal te vestigen. Eiseres wacht deze mvv-procedure geduldig af, maar vindt het lastig dat zij haar familie al lang niet heeft gezien. Om die reden heeft zij de onderhavige visumaanvraag ingediend. Bovendien is het niet aan eiseres te wijten dat er nog geen beslissing op de mvv-aanvraag is genomen. Deze mvv-aanvraag mag verweerder niet bij de beoordeling betrekken, omdat dit een procedure is met een andere referent. Dat de zoons van eiseres ook eerder op grond van een visum Nederland zijn ingereisd, wil niet zeggen dat eiseres hetzelfde pad zal bewandelen.
Eiseres verwacht een mentale steun te kunnen zijn voor haar zoon en haar schoondochter bij de opvoeding van hun baby. Eiseres wijst op het door de Duitse autoriteiten aan haar verleende visum voor kort verblijf waaruit blijkt dat zij tijdig zal terugkeren naar Iran.
Verweerder heeft ten onrechte geen economische binding met Iran aangenomen. Eiseres heeft uitleg gegeven over de grote geldbedragen die op haar rekening zijn gestort. Eiseres had geld uitgeleend aan een familielid en heeft dat in gedeeltes teruggekregen. Daarnaast had eiseres geld in huis liggen dat zij jarenlang heeft opgespaard en op haar rekening heeft gestort. Eiseres heeft een verzekering in Iran en beschikt over een koopwoning die zij niet zomaar wil achterlaten. Eiseres stelt verder dat zij door verweerders beleid wordt gediscrimineerd.
Daarnaast heeft verweerder ten onrechte ook geen sociale binding met Iran aangenomen. De dochter van eiseres woont in Iran en heeft daar haar eigen gezin en eiseres is niet van plan deze dochter nu achter te laten. Eiseres wil Iran niet halsoverkop verlaten en zeker weten dat haar dochter haar niet meer nodig heeft. Ook indien sprake is van een geringe sociale binding met Iran, hoeft dit niet in de weg te staan aan de inwilliging van de visumaanvraag indien geen redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvragen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Verder is van belang dat referent en de garantsteller betrouwbaar zijn. Referent beschikt zelf niet over de financiële middelen maar een goede kennis van hem wel. Dat een buitenstaander zoveel vertrouwen in referent heeft dat eiseres tijdig naar Iran
zal terugkeren en bereid is om garant te staan, moet verweerder bij de belangenafweging betrekken.
Verder is er ten onrechte niet gehoord in de bezwaarfase.
Juridisch kader
4. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode, voor zover van belang, wordt een visum geweigerd:
a. indien de aanvrager:
[…]
ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;
iii. niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar hij met zekerheid zal worden toegelaten, of in de mogelijkheid te verkeren deze middelen legaal te verkrijgen;
[…]
of
b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Beoordeling
5. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Koushkaki van het Hof van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.
Twijfel over tijdige terugkeer
6. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het gevraagde visum te verlaten (weigeringsgrond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode), overweegt de rechtbank als volgt.
6.1.
Bij zijn beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren naar het land van herkomst mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van die vreemdeling met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
6.2.
Verweerder heeft bij de beoordeling of er twijfel bestaat dat eiseres tijdig naar Iran zal terugkeren betrokken dat door haar andere zoon, [naam 2], op 28 november 2022 een mvv-aanvraag in het kader van nareis ten behoeve van haar is ingediend. De onderhavige visumaanvraag (van 18 juni 2023) is zeven maanden na het indienen van die aanvraag ingediend. Tegen de afwijzing van die mvv-aanvraag is vijf maanden na het instellen van beroep in de onderhavige visumprocedure bezwaar gemaakt. Uit het voorgaande volgt dat eiseres de bedoeling heeft langdurig in Nederland te verblijven dan wel zich hier te vestigen. Gelet op het feit dat eiseres naast de onderhavige visumprocedure ook nog een langdurig verblijf dan wel vestiging in Nederland beoogt, heeft verweerder het niet aannemelijk hoeven achten dat eiseres thans wel een kort verblijf in Nederland voor ogen staat. Verweerder heeft op basis hiervan (ernstig) kunnen twijfelen aan het opgegeven reisdoel, alsook aan het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren naar Iran.
6.3.
Het ter zitting door eiseres overgelegde visum, dat de Duitse autoriteiten voor de periode van 24 december 2024 tot 7 april 2025 aan eiseres hebben afgegeven, maakt de hiervoor genoemde twijfel niet anders. Dit visum is negen maanden na het bestreden besluit van 4 maart 2023 door de Duitse autoriteiten afgegeven. Gelet op de ex tunc toetsing hoeft dit visum niet bij de beoordeling te worden betrokken. Nog los daarvan, berust de visumafgifte door de Duitse autoriteiten op een beoordeling van feitelijke omstandigheden die wezenlijk afwijken van die in de onderhavige zaak. In Duitsland wonen immers geen zonen of andere gezinsleden van eiseres, en evenmin is aldaar een aanvraag voor langdurig verblijf ingediend.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen economische binding met Iran hoeven aannemen. Het gestelde pensioen dat eiseres in Iran ontvangt (ongeveer € 200,- per maand) is beperkt en eiseres heeft niet aangetoond dat zij in Iran moet verblijven om dit maandelijkse pensioen te kunnen ontvangen. Verder heeft verweerder van belang kunnen achten dat vlak voor de visumaanvraag aanzienlijke stortingen op de bankrekening van eiseres hebben plaatsgevonden die niet zijn te rijmen met haar maandelijkse (beperkte) pensioen. Eiseres heeft de herkomst van deze bedragen niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Ook heeft verweerder het bezit van een koopwoning in Iran niet als een afdoende terugkeergarantie hoeven aanmerken, omdat voor het bezit hiervan fysieke aanwezigheid niet is vereist en eiseres deze woning zou kunnen verkopen of verhuren.
Het betoog van eiseres dat verweerders beleid om geen economische binding aan te nemen omdat over dergelijke inkomsten ook in het buitenland kan worden beschikt, discriminatoir is omdat er dan geen enkele manier is om aan te tonen dat er economische binding is met het land van herkomst waardoor het feitelijk onmogelijk wordt gemaakt om een visum te krijgen om de familiale banden te kunnen blijven onderhouden, volgt de rechtbank niet. Met de enkele verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van
11 december 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:7263) heeft eiseres dit onvoldoende onderbouwd. Daarbij merkt de rechtbank bovendien op dat, zoals ook uit r.o 6.1 volgt, de mate van intensiteit van de sociale en de economische binding voor verweerder bepaalt of er redelijke twijfel is en dat deze dus in samenhang worden bezien.
6.5
Verweerder heeft evenmin een sociale binding van eiseres met Iran hoeven aannemen. Eiseres heeft verklaard dat één dochter van haar in Iran woont, maar zij heeft hierover geen nadere informatie verstrekt. Verder mag van meerderjarige kinderen worden verwacht dat zij zelfstandig in hun onderhoud kunnen voorzien. Daartegenover staat dat twee zonen in Nederland verblijven, wat juist als aanwijzing voor sociale binding met
Nederland kan worden gezien. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij zorg draagt
voor andere familieleden of maatschappelijke verplichtingen in Iran heeft.
6.6.
Voor zover eiseres met de door haar in de bezwaarfase overgelegde garantverklaring van [naam 3] heeft willen betogen dat kennelijk het vertrouwen bestaat dat zij tijdig zal terugkeren naar Iran, heeft verweerder dit betoog niet hoeven volgen. De betrouwbaarheid of bereidheid van een referent dan wel garantsteller is een omstandigheid die aan de persoon van die derde is verbonden en deze kan de vastgestelde gebreken in de individuele economische en sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst niet compenseren. De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel in de door verweerder aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 4 mei 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:6695). Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat de garantverklaring geen gevolgen heeft voor de eerder vastgestelde geringe economische en sociale binding van eiseres met Iran en de sterkere binding van eiseres met Nederland.
Verweerder heeft zich verder in de schriftelijke reactie van 17 april 2026 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiseres op de zitting genoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 april 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:3809) niet tot een ander oordeel kan leiden, nu die zaak feitelijk niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak. Anders dan in de onderhavige zaak, heeft de zoon/referent van die vreemdeling zich garant gesteld voor de kosten van verblijf en repatriëring ten bedrage van € 10.000,- per jaar. In de onderhavige zaak heeft een externe derde zonder familie band met eiseres zich garant gesteld. Bij eiseres is de in de hiervoor genoemde uitspraak beschreven persoonlijke prikkel dan ook in aanzienlijk mindere mate aanwezig. Verder is in die andere zaak sprake van een achterblijvend gezin in Iran, bestaande uit de echtgenoot en een thuiswonende meerderjarige zoon van de vreemdeling, terwijl de echtgenoot over een baan in Iran beschikte.
6.7.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat er in het geval van eiseres sprake is van vestigingsgevaar zodat deze grond op zichzelf reeds voldoende is om de weigering van het visum voor kort verblijf te dragen.
De beroepsgronden slagen niet.
Had verweerder eiseres moeten horen?
6.8.
Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het eerste besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Eiseres was er in het primaire besluit al op gewezen dat zij onvoldoende had aangetoond dat zij een sterke sociale en economische binding heeft met Iran. Nu dit aspect in bezwaar onvoldoende is onderbouwd, heeft verweerder van het horen van eiseres en referent kunnen afzien. Verweerder heeft dan ook terecht het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.