ECLI:NL:RBDHA:2026:20595

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.21750 en AWB 26-6197
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopVreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel HTL in vreemdelingenrecht

Eiser, een Syrische vreemdeling, maakte bezwaar tegen het plaatsingsbesluit van het COa en de vrijheidsbeperkende maatregel van de minister, beide gedateerd 2 april 2026, waarbij hij in de HTL te Hoogeveen werd geplaatst. De rechtbank behandelde de beroepen op 7 juli 2026 en concludeerde dat eiser feitelijk zonder geldige rechtstitel in zijn vrijheid was beperkt gedurende één dag, namelijk op 1 april 2026, voordat de maatregel formeel was opgelegd.

De rechtbank oordeelde dat het COa voldoende aannemelijk had gemaakt dat eiser een actieve rol had bij een incident waarbij bewoners werden aangevallen met een mes, ondanks dat bij fouillering geen mes werd aangetroffen. De plaatsing in de HTL werd niet als disproportioneel beoordeeld, mede gelet op het Maatregelenbeleid en eerdere incidenten.

De rechtbank kende eiser een immateriële schadevergoeding toe van €35,- voor de onrechtmatige vrijheidsbeperking van één dag. Tevens werden het COa en de minister ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van €1.868,-. Tegen het plaatsingsbesluit staat hoger beroep open, tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond voor de onrechtmatige vrijheidsbeperking van één dag en veroordeelt de Staat tot schadevergoeding, het overige beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.21750 en AWB 26/6197

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,geboren op [geboortedatum],van Syrische nationaliteit,V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: M. Weerman).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 2 april 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 2 april 2026 in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 2 april 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [2] op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld. Het COa heeft een verweerschrift heeft ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn gegrond voor zover eiser feitelijk zonder rechtstitel in zijn vrijheid is beperkt. De beroepen zijn voor het overige ongegrond. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – samengevat – het volgende. Op 25 maart 2026 omstreeks 01:58 uur ontving de receptie, bemand door beveiliger 1 en 2, een brandmelding. De beveiligers gingen direct ter plaatse en constateerden dat het alarm loos was. De ploegleider die zich op dat moment bij de receptie bevond, hoorde tegelijkertijd geschreeuw vanuit de gang bij de noodkamer op de begane grond. Beveiliger 1 en 2 werden gealarmeerd door de ploegleider en gingen direct naar de noodkamer. Bij aankomst in de gang van de noodkamer troffen de beveiligers een groep bewoners aan. Bewoner C riep "mes, mes" en wees richting de noodkamer. Beveiligers 1 en 2 klopten op de deur van de noodkamer, waarna bewoner F de deur opende en aanwees waar bewoner G zich bevond. Bewoner G zat op het bed met een doek op zijn knie, waarbij bloed zichtbaar was. Bewoners F en G verklaarden dat zij door bewoners A en B, en mogelijk door meerdere onbekende personen, waren aangevallen. Volgens hun verklaring werd er op de deur geklopt en werden zij, nadat de deur geopend was, direct aangevallen door bewoners A en B en door andere aanwezigen wiens namen nog niet bij het COA bekend waren. Bewoner F gaf aan dat bewoner A met een klein mes handelde en bewoner G heeft verwond. Beveiliger 1 en 2 namen via de porto contact op met de ploegleider, waarna deze de politie inschakelde. Omstreeks 02:07 uur arriveerde de politie op de locatie. Bewoner A werd verhoord en gefouilleerd, zonder dat hierbij bijzonderheden werden aangetroffen.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser voert aan dat de verklaring van bewoner F aantoonbaar onjuist is. Bewoner F heeft immers verklaard dat eiser bewoner G met een klein mes zou hebben verwond, terwijl bij eiser tijdens de fouillering geen mes is aangetroffen. Dat eiser een (klein) mes zou hebben gebruikt is dan ook niet gebaseerd op feiten, dan wel op feitelijke waarnemingen. Eiser voert verder aan dat het incident dat aan de HTL-plaatsing ten grondslag ligt ten onrechte niet in de bijlage bij het besluit is opgenomen. Verder volgt uit de beschrijving van het incident met code 1767221 dat het erg lastig bleek om een duidelijk beeld te krijgen van wat er precies is gebeurd en er geen aantoonbaar bewijs is gevonden. Uit de beschrijving van het incident met code 1767220 blijkt dat eiser slachtoffer is in plaats van dader, nu zijn kamerdeur was geforceerd, er allerlei spullen op de grond lagen en eiser met een ventilator is geslagen. Eiser stelt dat de indruk bestaat dat eiser om praktische redenen is overgeplaatst. Het is immers makkelijker om één persoon over te plaatsen dan een groep daders. Volgens eiser is de plaatsing in de HTL onevenredig. Eiser stelt tot slot dat hij in ieder geval één dag in de HTL heeft verbleven zonder juridische grondslag. Eiser arriveerde immers op 1 april 2026 in de HTL, terwijl de vrijheidsbeperkende maatregel op 2 april 2026 is opgelegd. Eiser komt daarom in aanmerking voor schadevergoeding.
Oordeel van de rechtbank
De feitelijke verslaglegging van het incident
5. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. De enkele stelling dat eiser dat de verklaring van bewoner F aantoonbaar onjuist is omdat bij eiser na fouillering geen mes is aangetroffen, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de verslaglegging blijkt dat bewoner C "mes, mes" riep en wees richting de noodkamer. Ook blijkt dat de beveiligers hebben gezien dat bewoner G op het bed zat met een doek op zijn knie, waarbij bloed zichtbaar was. Verder hebben de bewoners F en G verklaard dat zij waren aangevallen door eiser en bewoner B en heeft bewoner F eveneens aangegeven dat eiser met een klein mes handelde en bewoner G heeft verwond. In het enkele feit dat tijdens de fouillering geen mes is aangetroffen ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank acht hierbij van belang dat er enige tijd heeft gezeten tussen het incident en de fouillering, zodat eiser eveneens de tijd zou hebben gehad om zich te ontdoen van het mes. De rechtbank acht het dan ook voldoende aannemelijk dat de door het COa omschreven gedragingen zich op deze wijze hebben voorgedaan.
6. Wat betreft het betoog van eiser dat het incident niet is opgenomen in de bijlage, stelt de rechtbank vast dat het incident in het bestreden besluit uitgebreid is beschreven. Uit het verweerschrift volgt verder dat het incident integraal is overgenomen in het besluit. Voor zover eiser heeft willen aanvoeren dat het besluit onvoldoende zou zijn gemotiveerd, is de rechtbank van oordeel dat hiervan, gelet op het voorgaande, geen sprake is.
De impact van het incident en de belangenafweging
7. De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Uit het Maatregelenbeleid volgt dat in beginsel een HTL-maatregel wordt opgelegd wanneer sprake is van één incident met een zeer grote impact. Door eiser is de kwalificatie van de impact als zodanig ook niet is betwist. Verder heeft het COa kunnen meewegen dat uit bijlage I van het plaatsingsbesluit blijkt dat eiser bij meerdere incidenten een actieve rol heeft gehad en dat eerder aan eiser lichtere maatregelen zijn opgelegd. De rechtbank onderkent dat uit de verslaglegging van het incident van 22 maart 2026 weliswaar volgt dat deze een aanloop heeft gehad en dat uit de verslaglegging van het incident van 23 maart 2026 weliswaar volgt dat het lastig bleek om een duidelijk beeld van de gebeurtenissen te krijgen, maar naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de verslaglegging van beide incidenten voldoende dat eiser een actieve rol heeft gehad bij de incidenten, zodat het COa deze incidenten heeft kunnen betrekken bij de beoordeling. Dat eiser enkel om praktische redenen zou zijn overgeplaatst volgt de rechtbank dan ook niet, te meer nu de gemachtigde van het COa en de minister ter zitting heeft aangegeven dat er ook maatregelen zijn opgelegd aan de andere betrokkenen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de plaatsing van eiser in de HTL niet disproportioneel is geweest en dat eiser geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding hadden moeten geven om van het beleid van het COa af te wijken.
Geldige rechtstitel
8. Eisers beroepsgrond dat hij één dag op onrechtmatige wijze in zijn vrijheid is beperkt, slaagt. De rechtbank stelt vast dat eiser op 1 april 2026 in de HTL is geplaatst en dat de vrijheidsbeperkende maatregel en het plaatsingsbesluit op 2 april 2026 zijn opgelegd en uitgereikt. Eiser heeft dus één dag in de HTL verbleven zonder dat hieraan een geldige rechtstitel ten grondslag lag.
9. De rechtbank gaat ervan uit dat sprake is van een beperking in de bewegingsvrijheid die immateriële schade tot gevolg heeft. Die schade is geringer dan bij een vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank vindt het aannemelijk dat eiser immateriële schade heeft geleden van € 35,- per dag die hij ten onrechte in zijn bewegingsvrijheid is beperkt. Er bestaat dus aanleiding om de Staat der Nederlanden te veroordelen tot vergoeding aan eiser van een totaalbedrag aan schade van € 35,-.
10. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het COa en de minister ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Bpb [3] vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond voor zover eiser feitelijk zonder rechtstitel in zijn vrijheid is beperkt;
  • verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 35.-;
  • veroordeelt het COa en de minister ieder voor de helft in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier, op 23 juli 2026 gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving en Toezicht Locatie.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.