ECLI:NL:RBDHA:2026:20615

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
Awb 25-21313
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens te laat ingediend bezwaarschrift in vreemdelingenrecht

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift van een vreemdeling. De werkgever van eiser diende namens hem een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in. De minister stuurde een kennisgeving waarin een verblijfsgat werd vermeld en wees op de termijn voor het indienen van bezwaar.

Eiser diende zijn bezwaarschrift ruim na de gestelde termijn in, waarop de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. Eiser voerde aan dat hij te goeder trouw was en niet wist dat het verblijfsgat gevolgen had voor zijn verblijfsrecht, en dat hij binnen een door de minister gestelde termijn had gereageerd.

De rechtbank oordeelt dat eiser op de hoogte was van het verblijfsgat en de bezwaarperiode, en dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en wordt het beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift te laat en niet verschoonbaar is ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: Awb 25/21313

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,geboren op [geboortedatum 1],van Sri Lankaanse nationaliteit,V-nummer: [nummer],

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D. Post).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaarschrift.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het beroep ongegrond is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Op 25 mei 2023 heeft de werkgever van eiser namens eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend.
3. Aan de werkgever is op 5 juni 2023 een kennisgeving verstuurd waarin is aangegeven dat aan eiser een verblijfsdocument zal worden verstrekt met ingang van
12 juni 2023. In de kennisgeving is eveneens gewezen op het verblijfsgat dat is ontstaan.
4. Eiser heeft op 9 september 2025 een bezwaarschrift ingediend.
5. De minister heeft het bezwaar van eiser met het besluit van 14 oktober 2025 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
6. Eiser heeft op 4 november 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
7. De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Mevrouw R. Arulappu heeft voor eiser vertaald op de zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunten eiser
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister zijn bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het te laat indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Eiser voert aan dat hij in de veronderstelling was dat zijn verblijfsrecht zou doorlopen, omdat hij een nieuwe verblijfsvergunning had aangevraagd nog voordat zijn vorige verblijfsvergunning (vanwege studie) verliep. Eiser dacht dat een kort gat niet van invloed zou zijn op de berekening van zijn verblijfsduur, nu eiser wel altijd in Nederland heeft verbleven. Pas in 2025 heeft eiser ontdekt dat dit niet het geval was. Eiser stelt verder dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, te meer nu hij op 19 en 24 mei 2023 navraag heeft gedaan bij een recruiter of de aanvraag tijdig kon worden gedaan of dat eiser een verblijfsvergunning zoekjaar zou moeten aanvragen. Eiser stelt verder dat hij binnen de in de brief van 22 september 2025 genoemde termijn heeft gereageerd op het verzoek van de minister. Eiser vindt de consequenties van de afwijzing dan ook niet proportioneel.

Oordeel van de rechtbank

9. Als een bezwaarschrift te laat wordt ingediend, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dit is het geval als de indiener geen verwijt kan worden gemaakt dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. In dat geval laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [1]
10. De rechtbank stelt vast dat in de kennisgeving van 5 juni 2023 is aangegeven dat aan eiser een verblijfsdocument zal worden verstrekt van 12 juni 2023 tot 12 juni 2024. Ook is hierin aangegeven dat eiser een zogenaamd verblijfsgat zal hebben van 28 mei 2023 tot 12 juni 2023. Eiser is er verder op gewezen dat hij bezwaar kan maken binnen 4 weken nadat het verblijfsdocument aan eiser is uitgereikt. De rechtbank stelt verder vast dat eiser op 9 september 2025 bezwaar heeft gemaakt. Het bezwaarschrift is daarmee niet op tijd ingediend. [2]
11. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser op de hoogte was van het ontstane verblijfsgat en van de termijn om een bezwaarschrift in te dienen. Niet is gebleken dat eiser niet in de gelegenheid is geweest om tijdig bezwaar te maken. De rechtbank begrijpt dat de gevolgen voor eiser groot zijn, maar ziet in de door hem aangevoerde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.
11. Nu het te laat indienen van het bezwaarschrift niet verschoonbaar is, heeft de minister de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

13. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van
mr.M. Veenstra – van der Veen, griffier, op 23 juli 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 6:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.