Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken. [2] Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [3] Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. [4] Eiser heeft op 27 februari 2026 het eerste beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag ingediend. [5] Op 7 april 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats uitspraak gedaan, het beroep van eiser gegrond verklaard en daarbij de minister opgedragen om binnen zestien weken een besluit op de aanvraag bekend te maken.
Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.Op 24 maart 2026 heeft eiser onderhavig beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde asielaanvraag ingediend. Deze uitspraak gaat over het beroep van 24 maart 2026.
De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt dit procesbelang. Eiser heeft tweemaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Nu de rechtbank al op het eerste beroep van 27 februari 2026 heeft beslist, is er geen belang meer bij de beoordeling van het tweede beroep.
De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. [6] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen
De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [9]
Conclusie en gevolgen
Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zestien weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen zestien weken na de dag van het bekendmaken van
deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €467,-.