ECLI:NL:RBDHA:2026:20732

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL26.7590
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 3 EVRMArt. 28 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening gronden asielprocedure

Eiseres, van Nigeriaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiseres reeds internationale bescherming geniet in Italië tot november 2027.

Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank constateerde dat de gronden van het beroep ontbraken. Ondanks meerdere verzoeken en termijnen om deze alsnog in te dienen, werden de gronden te laat en onjuist aangeleverd. De rechtbank oordeelde dat de reden voor het verzuim niet verschoonbaar was.

De rechtbank toetste ook of het standpunt van de minister dat terugkeer niet in strijd is met artikel 3 EVRM Pro evident onjuist was, maar vond geen aanwijzingen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van dit artikel.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij de proceskostenveroordeling af. De zaak werd niet inhoudelijk behandeld.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van de gronden van beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7590

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

Samenvatting

1. Bij besluit van 4 februari 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres een verblijfsvergunning in Italië heeft en daar internationale bescherming geniet tot 9 november 2027.
2. Eiseres is het niet eens met het besluit van de minister en heeft beroep ingesteld.
3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

4. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
4.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [1] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

5. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet een beroepschrift de gronden van het beroep bevatten.
6. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of Pro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, niet-ontvankelijk worden verklaard, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
7. De gemachtigde van eiseres heeft op 11 februari 2026 beroep ingesteld.
8. De griffier van de rechtbank heeft op 11 februari 2026 de brief “Mededelen verzuim”, aan het elektronische dossier toegevoegd. In deze brief is de gemachtigde van eiseres meegedeeld dat het beroepschrift niet voldoet aan een of meer vereisten en dat hij in de gelegenheid wordt gesteld dit verzuim uiterlijk woensdag 18 februari 2026 te herstellen. Om ervoor te zorgen dat het beroep aan de eisen voldoet moet het volgende worden hersteld: De gronden van het beroep ontbreken en moeten alsnog worden ingediend.
9. Op 17 februari 2026 is het document ‘aanvullende gronden beroep/verzoek om een voorlopige voorziening’ door de gemachtigde van eiseres aan het elektronische dossier toegevoegd. De inhoud van dit document betrof echter het aanmeldgehoor van een andere vreemdeling.
10. De griffier heeft op 28 april 2026 de brief “Mededeling” aan het elektronische dossier toegevoegd. In deze brief gericht aan de gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank meegedeeld dat het beroepschrift geen gronden bevat en dat nadat herstel van dit verzuim is geboden, niet alsnog de gronden zijn ingediend. De rechtbank stelt partijen er daarom van in kennis dat op de zitting van 12 mei 2026 ook de ontvankelijkheid van het beroep aan de orde zal komen.
11. Op 30 april 2026 dient gemachtigde van eiseres de gronden in die hij bedoeld had op 17 februari 2026 in te dienen.
12. De gemachtigde van eiseres heeft op zitting desgevraagd als reden voor het verzuim opgegeven dat niet eerder dan na het bericht van de rechtbank van 28 april 2026 is geconstateerd dat er geen gronden waren ingediend en dat dit fout is gegaan op het secretariaat van het kantoor van gemachtigde.
13. De rechtbank stelt vast dat de door de gemachtigde van eiseres opgegeven reden van het verzuim, geen verontschuldiging daarvoor is. Er is daarom geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding en er bestaat aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
14. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022 volgt dat de bestuursrechter een nationale procedureregel buiten toepassing moet laten wanneer er omstandigheden zijn als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494). [2] Dit is het geval wanneer dat wat de asielzoeker heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat bij uitzetting artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden wordt. De rechtbank zal daarom toetsen of het standpunt van de minister dat de terugkeer van eiseres niet in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM evident onjuist is.
15. De rechtbank stelt vast dat de Italiaanse autoriteiten eiseres een verblijfsvergunning hebben verleend voor de duur van vijf jaren en dat zij internationale bescherming geniet in Italië. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt er vanuit gegaan dat de lidstaten van de EU de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 3 van Pro het Antifolterverdrag naleven. Het is daarom aan eiseres om aannemelijk te maken dat de lidstaat deze verplichtingen in haar geval niet nakomt. De minister stelt terecht dat eiseres daar niet in is geslaagd. Volgens eiseres heeft zij te vrezen voor gedwongen prostitutie. De minister stelt daarover terecht dat eiseres in Italië internationale bescherming geniet en dezelfde rechten en plichten heeft als een Italiaans staatsburger. Eiseres kan daarom bij eventuele problemen naar de autoriteiten stappen. Dat heeft eiseres tot op heden niet uitputtend gedaan en niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten eiseres niet zouden willen of kunnen beschermen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het standpunt dat eiseres bij terugkeer evident een reëel risico zou lopen op schending van artikel van het 3 EVRM.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het te laat indienen van de gronden van beroep. De rechtbank beoordeelt dus de zaak verder niet inhoudelijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens - Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 21 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL26.7591.
2.ECLI:NL:RVS:2022:1664, rechtsoverweging 6-6.3.