Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.Het wrakingsverzoek
4.De beslissing
13 juli 2026.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft verzoeker B.V. een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter in een huurachterstandprocedure. Het verzoek was gebaseerd op het feit dat de gemachtigde van verzoeker vanwege persoonlijke omstandigheden niet in staat was om behoorlijke rechtsbijstand te verlenen, en dat daarom het verzoek tot aanhouding van de zitting had moeten worden gehonoreerd.
De kantonrechter had het verzoek tot aanhouding van de zitting op 16 juni 2026 afgewezen na een belangenafweging tussen het belang van verzoeker en dat van de wederpartij. Verzoeker heeft daarop de kantonrechter gewraakt. De wrakingskamer oordeelt dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek een procesbeslissing betreft, die op grond van vaste rechtspraak geen grond voor wraking kan zijn.
De wrakingskamer stelt dat alleen bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid opleveren, tot wraking kunnen leiden. In deze zaak ontbreken concrete feiten die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. Daarom wordt het wrakingsverzoek afgewezen en wordt de procedure in de hoofdzaak voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
De beslissing is genomen door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Den Haag en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde vrees voor vooringenomenheid.