Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Opposant, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 23 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van opposant op 24 februari 2026 kennelijk ongegrond zonder zitting, waarbij werd aangenomen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije geldt en dat opposant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake is van systematische tekortkomingen in Bulgarije.
Opposant stelde verzet in tegen deze afdoening, stellende dat eerdere uitspraken van deze rechtbank over structurele systeemfouten in Bulgarije niet werden meegewogen en dat hij niet de kans kreeg zijn standpunt toe te lichten.
De rechtbank oordeelde dat de verzetsprocedure geen inhoudelijke herbeoordeling is, maar slechts toetst of de kennelijke ongegrondverklaring terecht was. De rechtbank concludeerde dat het beroep terecht kennelijk ongegrond werd verklaard en dat opposant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is.
Het verzet werd ongegrond verklaard en de uitspraak van 24 februari 2026 bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet tegen de kennelijk ongegrondverklaring van het asielberoep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.