ECLI:NL:RBDHA:2026:20746

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL26.4940 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • M.J. Paffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbVerordening (EU) Nr. 604/2013Art. 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen kennelijk ongegrondverklaring asielberoep op grond van Dublinverordening afgewezen

Opposant, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 23 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank verklaarde het beroep van opposant op 24 februari 2026 kennelijk ongegrond zonder zitting, waarbij werd aangenomen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije geldt en dat opposant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake is van systematische tekortkomingen in Bulgarije.

Opposant stelde verzet in tegen deze afdoening, stellende dat eerdere uitspraken van deze rechtbank over structurele systeemfouten in Bulgarije niet werden meegewogen en dat hij niet de kans kreeg zijn standpunt toe te lichten.

De rechtbank oordeelde dat de verzetsprocedure geen inhoudelijke herbeoordeling is, maar slechts toetst of de kennelijke ongegrondverklaring terecht was. De rechtbank concludeerde dat het beroep terecht kennelijk ongegrond werd verklaard en dat opposant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is.

Het verzet werd ongegrond verklaard en de uitspraak van 24 februari 2026 bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de kennelijk ongegrondverklaring van het asielberoep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak verzet

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.4940 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant], opposant1 [1] V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 februari 2026 in het geding tussen opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In de uitspraak van 24 februari 2026 [2] heeft de rechtbank het beroep van opposant kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat er geen zitting heeft plaatsgevonden.
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank heeft het verzet op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van opposant.

Beoordeling door de rechtbank

1. Opposant is geboren op [datum] 1980 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 23 oktober 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Bij besluit van 28 januari 2026 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. [3]
2. In de uitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Bulgarije sprake is van systematische tekortkomingen
in de opvangvoorzieningen of in de asielprocedure. De rechtbank heeft overwogen dat de Bulgaarse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het asielverzoek van opposant in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het ligt op de weg van opposant om zich bij de Bulgaarse autoriteiten te beklagen indien hij tekortkomingen ervaart. Verder heeft opposant niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Bulgarije als Dublinclaimant een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest.
3. Opposant kan zich niet verenigen met de kennelijke afdoening buiten zitting en heeft tegen deze wijze van afdoening verzet ingesteld. Hij verwijst hierbij naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen en Haarlem, waar hij ook in beroep naar heeft verwezen. [4] Hij voert aan dat in deze uitspraken is geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije sprake is van structurele systeemfouten die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank miskent volgens opposant het feit dat verweerder niet in hoger beroep is gegaan tegen deze uitspraken een sterke indicatie is dat het beroep van opposant kansrijk is. Indien opposant ter zitting zou zijn gehoord, kon hij zijn standpunt over de jurisprudentie toelichten en zou de rechtbank mogelijk tot een andere uitspraak zijn gekomen.
4. Ter zitting stelt opposant zich op het standpunt dat hij ervan mocht uitgaan dat hij de kans zou krijgen om het beroep op zitting toe te lichten, omdat op voorhand vaststond dat het beroep niet kennelijk kon worden afgedaan. Dit is aanleiding geweest voor opposant om de relevantie van zijn verwijzing naar de rechtbankuitspraken niet in zijn schrijven nader toe te lichten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De verzetsprocedure is geen hernieuwde inhoudelijke behandeling van het beroep. In een verzetsprocedure kan uitsluitend worden beoordeeld of de bestuursrechter terecht tot toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze procedure beperkt is tot de vraag of buiten redelijke twijfel staat dat het beroep ongegrond is en dat uitspraak op het beroep van opposant kon worden gedaan zonder hem op een zitting te horen. Als er in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst van de uitspraak op het beroep.
6. Van dergelijke argumenten is in dit geval geen sprake. De verzetsrechter stelt voorop dat het door opposant ingestelde beroep niet ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgedaan. Hoewel de verzetsrechter begrijpt dat opposant zijn argumenten op zitting nader had willen toelichten, kan opposant er niet zonder meer van uitgaan dat een beroep niet kennelijk wordt afgedaan. Deze veronderstelling van opposant doet niet af aan het oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat het beroep van opposant kennelijk ongegrond is. Ook is uit de gronden van verzet niet gebleken dat opposant niet in staat was de relevantie van de door hem aangehaalde rechtbankuitspraken in de gronden van beroep nader te motiveren.
7. Daar komt bij dat in de uitspraak van 24 februari 2026 alle door opposant aangevoerde beroepsgronden zijn besproken. Opposant heeft in verzet niet alsnog aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Bulgarije sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of in de asielprocedure. Het in verzet aangevoerde argument dat – met inachtneming van de uitspraken van zittingsplaats Groningen en Haarlem en het feit dat hiertegen geen hoger beroep is ingesteld – niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, is een herhaling van hetgeen opposant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is daar in haar uitspraak van 24 februari 2026 reeds op ingegaan en heeft geconstateerd dat de hoogste bestuursrechter heeft beslist dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [5]
8. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 24 februari 2026 blijft in stand.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
3.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
5.Zie onder anderen de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juni 2024 ECLI:NL:RVS:2024:2647, 26 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2387, 6 oktober 2025,