ECLI:NL:RBDHA:2026:20759

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL26.32235
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 AwbArt. 3.109c Vreemdelingenbesluit 2000Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende op 26 april 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Dit bleek uit Eurodac-gegevens waaruit bleek dat eiser op 19 oktober 2025 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming had ingediend.

Eiser stelde dat verweerder ten onrechte geen uitstel had verleend voor het indienen van een zienswijze en dat verweerder een actieve onderzoeksplicht had naar mogelijke schending van artikel 3 EVRM Pro bij overdracht aan Duitsland. Ook verwees hij naar het arrest Changu en stelde dat de Duitse autoriteiten niet voorzien in basale voorzieningen.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek om uitstel niet voldeed aan de beleidsregels en dat het niet verlenen van uitstel niet in strijd was met het recht op rechtsbijstand. Verder is het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing, waarbij verweerder mocht uitgaan van de bescherming door Duitsland. Eiser had onvoldoende objectieve informatie aangeleverd om een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro aan te tonen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32235

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 9 juni 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1996. Eiser heeft op 26 april 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), [1] omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de verdere behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 19 oktober 2025 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 12 mei 2026 een terugnameverzoek gestuurd naar de Duitse autoriteiten. Het terugnameverzoek is op 18 mei 2026 door Duitsland aanvaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe aan dat verweerder ten onrechte geen uitstel heeft verleend voor het indienen van een zienswijze. Het was voor gemachtigde van eiser vanwege het Asiel- en Migratiepact (en de daarbij door verweerder ingeplande gehoren) moeilijk, om contact te krijgen met eiser. Dit is in strijd met het recht van eiser op rechtsbijstand. Voorts heeft verweerder volgens eiser een actieve onderzoeksplicht naar een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM [2] bij overdracht aan Duitsland. Deze verplichting strekt verder dan de verplichtingen die voortvloeien uit het EU-recht. Zo heeft eiser in zijn aanmeldgehoor verklaard dat hij in Duitsland problemen krijgt met de politie en had verweerder dit nader moeten onderzoeken. Tot slot handelen de Duitse autoriteiten in strijd met het arrest Changu [3] door niet te voorzien in basale voorzieningen.
De rechtbank oordeelt als volgt
4. Niet in is geschil dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser omdat hij daar eerder asiel heeft aangevraagd.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 18 mei 2025 een voornemen heeft uitgebracht en dat eiser op 1 juni 2026 heeft verzocht om uitstel van het indienen van een zienswijze. De mogelijkheid om een zienswijze in te dienen nadat een voornemen om de aanvraag niet in behandeling te nemen is uitgebracht, bedraagt twee weken. [4] In paragraaf C1/2.12 van de Vc [5] staat het beleid van verweerder voor het verlenen van uitstel voor het indienen van de zienswijze. Deze beleidsregels zijn naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het verzoek om uitstel niet ten onrechte afgewezen. Het verzoek voldoet immers niet aan de voorwaarden voor uitstel zoals opgenomen in het beleid van verweerder. Dat eiser niet bij de afspraak met zijn gemachtigde is verschenen en dat het hierna niet mogelijk was om op korte termijn een nieuwe afspraak in te plannen komt voor zijn rekening en risico. Overigens mag van gemachtigde worden verwacht dat hij reageert op een uitgebracht voornemen, zelfs als hij niet in contact kan komen met eiser. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor Dublin [6] immers zijn bezwaren tegen een overdracht kenbaar kunnen maken, zodat gemachtigde van die bezwaren op de hoogte was. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat het niet verlenen van uitstel voor indiening van een zienswijze in strijd is met het recht op rechtsbijstand.
6. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Duitsland, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2025. [7] Dit beginsel vloeit voort uit het EU-recht. In het EU-recht geldt een toets aan artikel 4 van Pro het Handvest. [8] De rechtbank wijst daarvoor op het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019. [9] Anders dan eiser stelt, staat het Hof van Justitie, net als het EHRM, dus geen ‘blind vertrouwen’ jegens andere EU-lidstaten toe. De onderzoeksplicht die geldt op grond van artikel 3 van Pro het EVRM is niet anders en dus ook niet verderstrekkend dan artikel 4 van Pro het Handvest. Bij beide toetsingskaders is het in eerste instantie aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM, dan wel artikel 4 van Pro het Handvest.
7. Verweerder heeft geen (nader) onderzoek hoeven doen naar de situatie in Duitsland, nu eiser zijn standpunt dat hij bij terugkeer naar Duitsland problemen krijgt met de politie niet heeft onderbouwd met objectieve informatie. Bovendien heeft eiser zijn stelling dat eiser in Duitsland geen aanspraak kan maken op basale voorzieningen, niet nader geconcretiseerd. De verwijzing naar het Changu-arrest treft dan ook geen doel. Daarbij mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen klaagt bij de betreffende Duitse (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid er niet is of dat de Duitse autoriteiten hem bij voorbaat niet kunnen of willen helpen.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juli 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit is de Vw die gold tot 12 juni 2026.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.ECLI:EU:C:2024:748.
4.Artikel 3.109c, derde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000, zoals dat gold tot 12 juni 2026.
5.Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat gold tot 12 juni 2026.
6.Gehouden op 12 mei 2026.
8.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
9.ECLI:EU:C:2019:218.