ECLI:NL:RBDHA:2026:20759
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende op 26 april 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Dit bleek uit Eurodac-gegevens waaruit bleek dat eiser op 19 oktober 2025 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming had ingediend.
Eiser stelde dat verweerder ten onrechte geen uitstel had verleend voor het indienen van een zienswijze en dat verweerder een actieve onderzoeksplicht had naar mogelijke schending van artikel 3 EVRM Pro bij overdracht aan Duitsland. Ook verwees hij naar het arrest Changu en stelde dat de Duitse autoriteiten niet voorzien in basale voorzieningen.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek om uitstel niet voldeed aan de beleidsregels en dat het niet verlenen van uitstel niet in strijd was met het recht op rechtsbijstand. Verder is het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing, waarbij verweerder mocht uitgaan van de bescherming door Duitsland. Eiser had onvoldoende objectieve informatie aangeleverd om een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro aan te tonen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.