ECLI:NL:RBDHA:2026:20761

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL24.36333
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging asielafwijzing wegens motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek en opdracht tot nieuw besluit

Eiser, een Afghaanse asielzoeker, diende in 2023 een asielaanvraag in na eerdere afwijzing en een eerdere procedure over overdracht aan Italië. Hij baseert zijn asielverzoek op bedreigingen en geweld door de Taliban, mede vanwege het werk van zijn moeder als journaliste en de moord op haar. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid en onvoldoende individuele risico-inschatting.

De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte belangrijke aspecten onvoldoende heeft gemotiveerd en onderzocht, zoals het overlijden van de moeder, de geloofwaardigheid van het asielrelaas, de risico's bij terugkeer vanuit het Westen en de afhankelijkheid van eiser van zijn zus. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met recente landeninformatie en individuele omstandigheden.

De rechtbank vernietigt het besluit wegens schending van de artikelen 3:2 en 3:46 Awb en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, met toekenning van proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36333

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Igdeli),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder
(gemachtigde: mr. N.E. Joseph).

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Partijen zijn uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het beroep op 14 november 2024. Op verzoek van verweerder en met instemming van eiser heeft de rechtbank de zaak aangehouden om de zus van eiser, [persoon] met wie hij samen naar Nederland is gekomen, aanvullend te kunnen horen over het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024 over de positie van vrouwen in Afghanistan. [2] Verweerder heeft aanleiding gezien om ook eiser aanvullend te horen over de gestelde afhankelijkheid tussen hem en zijn zus.
Aan de zus van eiser is door verweerder bij besluit van 29 september 2025 een verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [3] .
Verweerder heeft op 17 november 2025 een aanvullend besluit uitgebracht. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb [4] mede betrekking op dit besluit.
Eiser heeft op 8 december 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het asielrelaas
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1994 en de Afghaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 11 december 2021 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door verweerder niet in behandeling genomen omdat Italië hiervoor verantwoordelijk is. [5] Bij uitspraak van 11 oktober 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. [6] Op 12 oktober 2022 heeft verweerder eiser bericht dat de overdracht niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft plaatsgevonden waardoor Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
2. Eiser heeft vervolgens op 15 juli 2023 opnieuw een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd. De moeder van eiser was tot 1994 werkzaam als journaliste voor twee kranten en heeft destijds een artikel geschreven over een hooggeplaatste Mujaheddin, die voor de Taliban is gaan werken. Dit artikel is in verschillende kranten verschenen. Moeder is daarna door de Taliban bedreigd. Vanwege het daaruit voortvloeiende gevaar, wilde de vader van eiser dat eisers moeder stopte met haar werkzaamheden als journaliste. Omdat de positie van de Taliban sterker werd in Afghanistan (na de val van Najibullah) is het gezin van eiser vanwege dit krantenbericht en de werkzaamheden van de vader van eiser voor de voormalige overheid (douane), gevlucht naar Pakistan. In 2017 is eiser samen met zijn moeder en zus teruggekeerd naar hun vroegere woning in [woonplaats] . Na ongeveer drie jaren daar gewoond te hebben, is eisers moeder weer op zoek gegaan naar werk. Zij is vervolgens thuis, in het bijzijn van de zus van eiser, doodgeschoten door een man die zei: “we hebben je eindelijk gevonden”. Eiser en zijn zus zijn door een familievriend opgehaald en naar een andere wijk in [woonplaats] gebracht. Tien dagen na het overlijden van zijn moeder, is eiser op straat aangevallen en gestoken door twee personen die het op hem hadden voorzien. Volgens eiser zijn zowel de aanslag op zijn moeder als op hem het gevolg van het krantenartikel. Hierdoor zijn zij doelwit van de Taliban geworden.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de asielaanvraag bij het bestreden besluit afgewezen als ongegrond. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig geacht. Eisers problemen met de Taliban worden niet geloofwaardig geacht. Verweerder volgt in dit kader niet dat eisers moeder door de Taliban is vermoord vanwege haar werk of dat eiser door de Taliban is aangevallen vanwege het werk van zijn moeder. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd die het overlijden van zijn moeder aantonen zonder daarvoor een goede verklaring te geven. Ook vormen zijn verklaringen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verweerder volgt niet dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. Volgens verweerder heeft eiser zijn vrees niet individualiseerbaar gemaakt en is niet gebleken dat de Taliban op de hoogte is van eisers verblijf in het westen. Verder mag volgens verweerder worden verwacht dat eiser zich conformeert aan de leefregels van de Taliban.
4. In het aanvullend besluit heeft verweerder verder overwogen dat eiser geen familieleven heeft met zijn [zus] dat door artikel 8 van Pro het EVRM [7] zou moeten worden beschermd. Verweerder overweegt in dit kader dat niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn [zus] . Verweerder weegt mee dat eiser en zijn [zus] meerderjarig zijn en dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid op financieel gebied. Ten aanzien van de praktische afhankelijkheid heeft eiser niet aangetoond dat de zorg die hij voor zijn [zus] draagt alleen door hem kan worden verricht. Verweerder overweegt dat twee zussen van eiser in Nederland wonen, het inschakelen van hulp van derden voor de zorg van zijn [zus] tot de mogelijkheden behoort en dat het mogelijk is voor eiser om haar op afstand te helpen.
De beroepsgronden
5. Eiser is het niet eens met het bestreden en aanvullende besluit en voert hiertoe het volgende aan. Verweerder werpt niet langer tegen dat met documenten moet worden aangetoond dat zijn moeder journaliste is, maar blijft ten onrechte tegenwerpen dat het overlijden van zijn moeder niet daadwerkelijk is aangetoond. Verweerder erkent weliswaar dat het niet gebruikelijk is om een overlijdensakte te verkrijgen in Afghanistan, maar gaat er ten onrechte vanuit dat eiser tien dagen de tijd had om zijn reis voor te bereiden en documenten te vergaren, aangezien hij direct na de aanval op hemzelf - op de tiende dag na het overlijden van zijn moeder- het land heeft moeten verlaten. Bovendien zijn de verklaringen van eiser en zijn zus op dit punt eensluidend. Ook acht verweerder het tijdsverloop van de moord op eisers moeder ten onrechte ongerijmd. Eiser heeft hierover duidelijk verklaard dat zijn moeder pas weer vindbaar werd voor de Taliban toen zij opnieuw het werk als journaliste probeerde op te pakken. Dit verklaart dat zij niet eerder problemen heeft ondervonden. Verweerder heeft nagelaten hier tijdens het gehoor vragen over te stellen. Verweerder heeft zich niet uitgelaten over de door eiser naar voren gebrachte verklaring dat de dader van de moord op zijn moeder tegen haar zei: eindelijk hebben we jou gevonden. Dat eisers moeder na lange tijd is vermoord, maakt duidelijk dat de Taliban bekend was met de vindplaats van het gezin en niet zou rusten tot hun missie was volbracht. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar het risico van eisers terugkeer naar Afghanistan vanuit het Westen in het licht van artikel 3 van Pro het EVRM. Anders dan verweerder stelt, zien de door eiser aangehaalde bronnen ook op een situatie als terugkerende Afghaan en is voor hem niet uitgesloten dat hij bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Taliban komt te staan. De door eiser aangehaalde landeninformatie is van na het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan (hierna; het Ambtsbericht) van 2023 en laat een verslechtering zien van de omstandigheden in Afghanistan. Bovendien stelt verweerder ten onrechte dat in Afghanistan alleen kledingvoorschriften gelden voor vrouwen en dat eiser zich ten aanzien van het praktiseren van zijn religie kan conformeren in Afghanistan. Eiser is moslim en wil zijn geloof belijden zoals hij dat wenst. Verweerder is ten onrechte onvoldoende ingegaan op de in de zienswijze gemotiveerde gevaren en gevolgen bij een terugkeer naar Afghanistan. Het ligt op de weg van verweerder om eiser hierover nader te horen. [8] Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij Engels spreekt met zijn Oekraïense vriendin. Uit de door eiser aangehaalde landeninformatie [9] volgt dat de Taliban de inhoud van mobiele telefoons controleert op Engelstalige berichten. Omdat het niet duidelijk is wanneer een telefoon wordt gecontroleerd bij het passeren van een checkpoint, loopt eiser ook dit risico. Eiser beroept zich op de Afdelingsuitspraken van 20 november 2024 [10] (hierna; de Afdeling) en stelt dat verweerder ten onrechte zijn individuele omstandigheden bij terugkeer vanuit het Westen niet heeft betrokken in de beoordeling. Verder heeft verweerder ten aanzien van de afhankelijkheid van eisers [zus] onvoldoende gereageerd op wat eiser hierover in de zienswijze heeft aangevoerd. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser de zorg voor zijn [zus] ook op afstand kan verrichten. Daarbij kan verweerder niet zonder nader onderzoek aangegeven dat beschermd wonen voor [eisers zus] tot de mogelijkheden behoort en is de door verweerder genoemde optie in het bestreden besluit slechts een tijdelijke oplossing. Bovendien miskent verweerder hiermee dat de behandelaar van [eisers zus] heeft aangegeven dat [eisers zus] afhankelijk is van eiser, de taal niet spreekt en niet kan leren vanwege haar lage intelligentie. Verweerder heeft ten onrechte te veel gewicht toegekend aan de financiële afhankelijkheid en heeft onvoldoende blijk gegeven van een weging van een combinatie van alle factoren. [11] Eiser meent dat het feit dat het familieleven niet elders kan worden uitgeoefend, had moeten worden betrokken bij de beoordeling van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [12] Voorts heeft verweerder ten onrechte aangevoerd dat de zorg over [eisers zus] door de andere zussen van eiser kan worden overgenomen, omdat zij in Nederland verblijven. Verweerder miskent hierbij dat de zussen hebben verklaard de intensieve zorg over hun [zus] niet op zich te kunnen nemen. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd nu dit voor eiser een gevaar oplevert.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Documenten
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder niet langer aan eiser tegenwerpt dat hij geen overlijdensakte van zijn moeder heeft overgelegd nu het niet gebruikelijk is dat in Afghanistan overlijdensaktes worden verstrekt. Ter zitting heeft verweerder voorts het standpunt ingenomen dat hij evenmin nog tegenwerpt dat eiser tien dagen voorbereidingstijd heeft gehad om documenten te verzamelen alvorens hij Afghanistan heeft verlaten. Verweerder volgt eiser in zijn verklaring dat hij na het incident met de Taliban Afghanistan direct heeft verlaten. Wel werpt verweerder nog aan eiser tegen dat hij in Nederland geen actie heeft ondernomen om documenten te vergaren ter staving van het overlijden van zijn moeder. De rechtbank constateert dat dit een nieuw standpunt is dat door verweerder voor het eerst ter zitting is ingenomen. De rechtbank volgt verweerder hierin daarom niet. Daarbij heeft verweerder zich ter zitting onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser ruim vijf jaar na het overlijden van zijn moeder vanuit Nederland naar het Afghaanse ziekenhuis kan bellen om documenten te verkrijgen die het overlijden van zijn moeder in 2021 zouden kunnen bevestigen. De aanname van verweerder dat dit mogelijk zou zijn is door verweerder onvoldoende geconcretiseerd. Verweerder heeft dan ook ten onrechte artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw aan eiser tegengeworpen.
Verklaringen van eiser
6. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het tijdsverloop van de moord op eisers moeder ongerijmd is. In dit kader werpt verweerder allereerst ten onrechte aan eiser tegen dat hij en zijn gezin na de publicatie van het krantenartikel van zijn moeder in 1994 nog zes jaar probleemloos in Afghanistan hebben gewoond, tot zij in 2000 naar Pakistan zijn vertrokken. In het nader gehoor heeft eiser hierover verklaard dat zijn moeder is gestopt met haar werk als journaliste toen zij zwanger was van eiser. Na de val van Najib is eisers gezin naar Pakistan gevlucht. [13] Eiser verklaart verder dat hij erg jong was en dat hij zich niet kan herinneren wanneer hij naar Pakistan is vertrokken. Anders dan verweerder stelt, blijkt uit het bovenstaande niet dat hij zes jaar probleemloos in Afghanistan heeft verbleven alvorens te zijn vertrokken naar Pakistan. Verweerder heeft de aan eiser tegengeworpen periode van zes jaar ook ter zitting niet nader kunnen onderbouwen.
7. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat het ongerijmd wordt geacht dat eisers moeder na te zijn teruggekeerd (vanuit Pakistan) naar Afghanistan, in 2021 opnieuw werk is gaan zoeken als journaliste en door de Taliban vervolgens wordt gevonden in hetzelfde ouderlijk huis waar zij voorheen probleemloos heeft verbleven. Verweerder heeft met deze beoordeling onvoldoende acht geslagen op informatie die volgt uit het Ambtsbericht van 2025. Daarin staat dat journalisten die eerder kritiek hadden op de Taliban bij terugkeer naar Afghanistan voor geweld te vrezen hadden. [14] Daarbij volgt uit het Ambtsbericht tevens dat journalisten na een terugkeer uit het buitenland ook nog werden bedreigd voor berichtgeving van vóór de machtsovername van de Taliban. [15] De rechtbank constateert dat verweerder de tijdsgeest van eisers asielmotief – met inachtneming van de val van het regime onder Najibullah en de machtsovername door de Taliban – ten onrechte niet heeft meegewogen in de beoordeling van deze gebeurtenis. De rechtbank acht het hierbij van belang dat door verweerder wel wordt gevolgd dat eisers moeder het werk als journaliste heeft verricht en het krantenartikel over de Taliban in verschillende kranten is gepubliceerd.
8. Ook heeft verweerder ten onrechte nagelaten om een gemotiveerd standpunt in te nemen over de verklaring van eiser en zijn [zus] dat de daders van de moord op zijn moeder de volgende woorden zouden hebben uitgesproken: we hebben je eindelijk gevonden.
9. Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser en zijn zus op hoofdlijnen eensluidend hebben verklaard over de reden van vertrek uit Afghanistan.
10. Verweerder heeft zich gelet hierop ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen [16] en op basis daarvan het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig bevonden.
Artikel 3 van Pro het EVRM en terugkeer vanuit het Westen
11. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft of reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 volgt dat een terugkeer naar Afghanistan vanuit het Westen op zichzelf nog niet betekent dat een reëel risico op ernstige schade bestaat, en dat dit risico afhangt van de individuele omstandigheden van de vreemdeling. [17] In dit kader heeft eiser aangevoerd dat zowel hij als zijn moeder problemen met de Taliban hebben ondervonden, eiser niet eerder onder het regime van de Taliban heeft geleefd, hij de Taliban niet kent en dat hij afkomstig is uit een liberale familie en ook zo is opgevoed. Eiser doet niet veel met zijn religie en wil zijn islamitische geloof belijden zoals hij dat wenst. Ook heeft hij een Oekraïense christelijke vriendin.
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet leiden tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Afghanistan. Verweerder heeft zich ten onrechte zonder nader onderzoek op het standpunt gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich conformeert aan de leefregels van de Taliban. Verweerder heeft in dit kader onvoldoende betrokken op welke wijze eiser momenteel zijn religie praktiseert en hoe hij hieraan invulling wil geven bij terugkeer naar Afghanistan. Daarbij is door verweerder onvoldoende rekening gehouden met eisers verklaring dat hij weliswaar moslim is, maar wil bidden wanneer hij dit wenst. Anders dan verweerder stelt, volgt uit het Ambtsbericht genoegzaam dat ook bij mannen wordt gehandhaafd op de naleving van moraalwetten in Afghanistan. [18] Zo volgt uit het Ambtsbericht onder meer dat mannen gehouden zijn tot deelname aan gebeden in de moskee. Verder stelt verweerder ter zitting ten onrechte dat vanwege eisers verblijf in Afghanistan tussen 2017 en 2021 kan worden geconstateerd dat hij bekend is met de cultuur en de gang van zaken aldaar. Verweerder gaat er in dit kader ten onrechte aan voorbij dat eiser gedurende deze periode niet onder het regime van de Taliban heeft verbleven en miskent dat met de komst van de Taliban de gewoonte en leefregels dermate zijn veranderd dat hier niet zondermeer van uit kan worden gegaan.
Artikel 8 van Pro het EVRM
13. In relatie tussen broers en zussen moet voor het aannemen van beschermenswaardig gezinsleven in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Daarbij moet worden gekeken naar de verschillende elementen, waaronder samenwoning, mate van financiële afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid, medische omstandigheden en banden met het land van herkomst. Dit betreft een beoordeling van feitelijke aard waarbij verweerder een op het specifieke geval toegespitste beoordeling moet maken van alle door eiser aangedragen feiten en omstandigheden die maken dat bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen bestaan. [19] De bestuursrechter toetst het onderzoek van verweerder naar de aangedragen relevante feiten en omstandigheden en de gegeven motivering of sprake is van gezinsleven vol. Bij de weging heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet alle door eiser aangedragen aspecten die kunnen bijdragen aan de gestelde bijkomende elementen van afhankelijkheid zoals bedoeld in het informatiebericht 2024/57 voldoende heeft betrokken bij de beoordeling. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder veel gewicht heeft toegekend aan de mate van financiële afhankelijkheid, zonder hierbij een combinatie van de overige factoren te toetsen. Zo heeft verweerder onvoldoende betrokken dat uit onderzoek [20] is gebleken dat de zus van eiser zeer kwetsbaar is als het gaat om zelfstandig
functioneren in de maatschappij, ze qua uiterlijk en intellectueel functioneren jonger overkomt dan zij vermoedelijk is en zij voortdurende ondersteuning nodig zal blijven hebben, waarbij de behandelend psycholoog heeft verklaard dat [eisers zus] zeer afhankelijk is van eiser, niet zelfredzaam en geen lerend vermogen heeft. Ook heeft verweerder onvoldoende betrokken dat de twee meerderjarige zussen van eiser hebben verklaard de intensieve zorg die door eiser wordt gegeven aan [eisers zus] niet te kunnen bieden en dat eiser deze zorg sinds het overlijden van hun moeder altijd heeft verricht. Verweerder heeft zich verder onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser de zorg over [eisers zus] op afstand kan verrichten nu zowel uit de zienswijze als uit de door eiser overgelegde medische stukken van [eisers zus] volgt dat zij zich niet zelfstandig kan redden en eiser haar bij alle dagelijkse taken moet helpen. Verweerder heeft in dit kader onvoldoende gemotiveerd waarom de praktische afhankelijkheid van [eisers zus] onvoldoende is voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Conclusie en gevolgen
15. . .Uit het voorgaande volgt dat het bestreden en aanvullende besluit voor wat betreft de beoordeling van eisers asielaanvraag op meerdere punten onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit vanwege een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Het besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, een bestuurlijke lus toe te passen, of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om deugdelijk te onderzoeken en te motiveren of alsnog een verblijfsvergunning aan eiser moet worden verleend. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. [21]
16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van €1868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.ECLI:EU:C:2024:828
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw.
7.Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
8.Eiser verwijst in dit kader naar de correcties en aanvullingen op het nader gehoor van 6 november 2025 en zijn verklaringen op pagina 22 van het nader gehoor.
9.‘Leefregels onder de Taliban en terugkeer uit het Westen’ en een bericht van the National Review uit 2021.
11.Zoals bedoeld in IB 2024/57.
12.Zoals bedoeld op pagina 3 van het IB 2024/57.
13.Pagina 11 van het nader gehoor van 5 september 2024 en pagina 2 van de correcties en aanvullingen op het nader gehoor.
14.Paragraaf 3.1.2.4 van het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan 2025.
15.Paragraaf 3.1.4.1 van het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan 2025.
16.Zoals neergelegd in artikel 31. Zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw.
17.ECLI:NL:RVS:2024:4648, r.o. 12.2.
18.Paragraaf 3.1.6.3 van het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan 2025.
19.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1603, r.o. 2.1.
20.Psychologisch onderzoeksverslag van 11 oktober 2023.
21.Artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.