ECLI:NL:RBDHA:2026:20777
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht
Bij besluit van 6 juli 2026 is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De behandeling van het beroep vond plaats op 14 en 17 juli 2026, waarbij eiser werd bijgestaan door een tolk in de Dari-taal. De gemachtigde van eiser was niet aanwezig bij de voortzetting van de zitting.
Eiser voerde aan dat de informatieplicht was geschonden omdat de informatiebrief niet schriftelijk in een taal die hij verstaat was verstrekt, zoals vereist in artikel 5.10 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank overwoog dat hoewel eiser niet schriftelijk in een begrijpelijke taal was geïnformeerd, hij wel mondeling met behulp van een tolk in Dari was geïnformeerd en de Engelse informatiefolder had ontvangen. Eiser had bovendien aangegeven de tolk goed te verstaan.
De rechtbank stelde vast dat er geen bijzondere individuele omstandigheden waren die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maakten. De ernst van het gebrek in schriftelijke informatie woog niet op tegen het grensbewakingsbelang dat met de maatregel werd gediend. Eiser was niet belemmerd in het uitoefenen van zijn procedurele rechten en was voorzien van kosteloze rechtsbijstand.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.