ECLI:NL:RBDHA:2026:2083

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.48595
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 31 lid 6 sub c en e VwArt. 31 lid 6 sub d Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag biseksuele vrouw uit Iran wegens ongeloofwaardigheid en te late indiening

Eiseres, een vrouw uit Iran die zich als biseksueel identificeert, verzocht om asiel in Nederland. Zij stelde dat zij vanwege haar seksuele geaardheid en afvalligheid van de islam in Iran gevaar loopt. De minister van Asiel en Migratie wees haar aanvraag af als kennelijk ongegrond, waarbij de minister de afvalligheid en identiteit geloofwaardig achtte, maar de seksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig vond. Ook werd de aanvraag te laat ingediend zonder goede reden.

De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat er motiveringsgebreken in het besluit zaten, maar dat deze niet tot vernietiging leidden omdat de minister de ongeloofwaardigheid van de seksuele geaardheid voldoende had gemotiveerd. De rechtbank volgde de minister in de beoordeling dat eiseres onvoldoende concreet en consistent had verklaard over haar gevoelens, relaties en de situatie van LHBTI's in Iran. Ook werd het te late indienen van de aanvraag zonder goede reden vastgesteld.

De rechtbank concludeerde dat eiseres geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en te late indiening.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48595
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. R. Hijma),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. E.H.J.M. de Bonth).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiseres niet ten onrechte heeft afgewezen, maar dat de proceskosten van eiseres wel vergoed moeten worden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1
Eiseres heeft op 24 augustus 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt dat zij de Iraanse nationaliteit heeft en dat zij is geboren op [geboortedatum] 1986. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 september 2025 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.2
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door een tolk, haar gemachtigde, haar partner en een vriend. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Wat aan deze procedure voorafging

Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij Iran heeft verlaten, omdat zij biseksueel is en haar ouders haar hebben betrapt met haar toenmalige vriendin. Haar broer werkt voor de Sepah en haar vader heeft hem ingelicht. Daarom vreest eiseres bij terugkeer naar Iran voor haar leven. Ook beschouwt eiseres zichzelf niet meer als moslim. Zij praktiseerde in Iran al niet meer en is ook niet van plan om dat nog te gaan doen.
Het bestreden besluit
4.1
Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Afvalligheid;
Seksuele gerichtheid en daaruit volgende problemen.
4.2
De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres en de afvalligheid geloofwaardig geacht. De door eiseres gestelde biseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen heeft de minister echter niet geloofwaardig geacht.
4.3
De verklaringen van eiseres vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook kan eiseres volgens de minister in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Eiseres voldoet daarmee niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en e, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw). Volgens de minister heeft eiseres summier verklaard over haar gevoelens en gedachtes met betrekking tot haar seksuele gerichtheid en over wat de reactie van haar moeder op een gebeurtenis op school waarbij eiseres een meisje kuste met haar deed. Verder heeft eiseres tegenstrijdig verklaard over haar gevoelens bij het benaderen van vrouwen en over haar kennis van de situatie van de LHBTI-gemeenschap in Iran. Ook rijmt de verklaring van eiseres waarom zij geen onderzoek heeft gedaan naar de situatie van de LHBTI-gemeenschap in Iran niet met haar situatie. Daarnaast heeft de minister aan eiseres tegengeworpen dat zij oppervlakkig heeft verklaard over haar relaties en dat ze wisselend heeft verklaard over hoe [persoon1] heeft kunnen ontsnappen. Ook stroken de verklaringen van eiseres over het contact met haar moeder en zus niet met de verklaring dat eiseres op de vlucht is voor haar broer. Verder werpt de minister aan eiseres tegen dat zij haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat zij daar geen goede verklaring voor heeft gegeven. Eiseres voldoet daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid en onder d, van de Vw, aldus de minister. Verder is eiseres volgens de minister geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiseres stelt te vrezen voor haar broer, omdat hij haar bedreigd had vanwege haar seksuele gerichtheid, maar de minister heeft dit asielmotief ongeloofwaardig geacht. Ook is afvalligheid volgens de minister op zichzelf geen gegronde vrees voor vervolging. Uit het Algemeen Ambtsbericht Iran van september 2023 (het Ambtsbericht) blijkt dat de maatschappij nog steeds in toenemende mate seculariseert, dus iemand die zich heeft afgewend van de islam, komt niet alleen al daarom in de problemen. Er is geen druk om islamitische rituelen te volgen, aldus de minister. Ook loopt eiseres volgens de minister bij terugkeer naar Iran geen reëel risico op ernstige schade. Dat eiseres uit Iran komt is op zichzelf namelijk niet genoeg om dit risico aan te nemen en ook heeft eiseres de vrees voor haar broer niet aannemelijk gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank

De geloofwaardigheid van de seksuele geaardheid en daaruit voortvloeiende problemen
Gevoelens voor vrouwen tijdens eerste huwelijk
5.1
Eiseres voert aan dat de minister het ten onrechte bevreemdend vindt dat zij tijdens haar relatief korte, eerste huwelijk niet bezig was met haar gevoelens voor vrouwen, want zij beschrijft zichzelf als biseksueel en niet als lesbisch. Eiseres hoopte bij aanvang van het huwelijk dat zij met een man een ‘normaal’ leven kon leiden en dat haar gevoelens voor vrouwen naar de achtergrond zouden verdwijnen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister dit ten onrechte bevreemdend heeft gevonden. De seksuele geaardheid kan fluïde zijn. Ook kan de rechtbank volgen dat eiseres hoopte een ‘normaal’ leven te kunnen leven met een man, juist omdat zij wist dat haar geaardheid in Iran niet geaccepteerd wordt. De minister heeft dit daarom ten onrechte aan eiseres tegengeworpen.
Onder woorden brengen van angst
6.1
Eiseres voert aan dat zij de kern van haar angst met betrekking tot haar seksuele gerichtheid genoegzaam onder woorden heeft gebracht, door er op te wijzen dat zij dacht dat wat zij deed verkeerd was, dat zij zondigde en om die reden ook vergiffenis van God vroeg. Hieruit volgt dat zij ook bang was dat God haar zou straffen voor zondig gedrag.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft gesteld dat eiseres tijdens het nader gehoor geen concreet antwoord heeft gegeven op de vraag waarom zij bang was. Maar vervolgens heeft eiseres op de vraag waar de angst vandaan kwam, als ze niet wist waar haar gevoel vandaan kwam, het volgende geantwoord: “
Aan de ene kant wist ik niet wat het was, maar zoals ik zei kreeg ik waarschuwingen, mijn moeder werd opgeroepen. Ze dreigden dat ik naar een andere school moest. Daardoor wist ik dat het iets verkeerds moest zijn en heb ik angst gekregen.”1 De rechtbank overweegt dat hieruit wel blijkt waar eiseres bang voor was, namelijk dat ze naar een andere school moest en dat ze wist dat zij iets voelde dat niet mocht. De minister heeft dit daarom ten onrechte aan eiseres tegengeworpen.
Aanvoelen van interesse
7.1
Eiseres voert aan dat zij door haar ervaringen met haar schoolvriendinnen [persoon2] en [persoon3] in de loop der tijd heeft leren aanvoelen of een meisje of vrouw in haar geïnteresseerd was, maar dat dat niet afdoet aan het feit dat zij er niet van op de hoogte was dat vrouwen een relatie met elkaar kunnen hebben en dat zij niet wist wat haar gevoelens betekenden. Dit betekent echter niet dat zij die gevoelens niet had en het niet kon aanvoelen.
7.2
De rechtbank is van oordeel dat het feit dat eiseres aanvoelde of iemand haar leuk vond, niet betekent dat zij ook wist dat vrouwen een relatie met elkaar kunnen hebben. De minister heeft dit ten onrechte aan eiseres tegengeworpen.
1 Zie pagina 17 van het nader gehoor.
Verklaring over de ontsnapping van [persoon1]
8.1
Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat zij wisselend heeft verklaard over de wijze waarop [persoon1] kon ontsnappen. Eiseres stelt dat het woord “
ze” op pagina 11, regel 9, van het nader gehoor grammaticaal gezien wel degelijk op haar moeder kan slaan.
8.2
De rechtbank overweegt als volgt. Op pagina 11 van het nader gehoor heeft eiseres het volgende verklaard: “
Ik was toen samen met [persoon1] , we waren naakt. Mijn vader zag dat, ik moest veel moeite doen om te zorgen dat ze kon ontsnappen. Mijn moeder probeerde mijn vader tegen te houden, maar daarvoor werdzeerg in elkaar geslagen.”(onderlijning door de rechtbank). Tussen partijen is in geschil op wie “
ze” slaat. Volgens de minister heeft eiseres verklaard dat haar moeder haar vader probeerde tegen te houden, maar dat [persoon1] hiervoor erg in elkaar werd geslagen door haar vader. “
Ze” slaat volgens de minister dan dus op [persoon1] en de minister ziet niet in hoe “
ze” refereert aan de moeder van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat “
ze” grammaticaal gezien zowel op [persoon1] als op de moeder van eiseres kan slaan en dat de minister te strikt is geweest op dit punt. De minister heeft dit daarom ten onrechte aan eiseres tegengeworpen.
Afspreken met zus, maar niet met moeder
9.1
Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte aangeeft dat het geen verschil maakt of haar broer en zus al jarenlang geen contact hebben, omdat hierbij het punt wordt gemist dat haar broer het adres van haar zus niet kende, waarmee de kans dat haar broer via hun zus de verblijfplaats van eiseres kon achterhalen zo goed als nihil was. Een ontmoeting met haar zus was daardoor niet of nauwelijks riskant, maar ten aanzien van haar moeder lag dat anders. De minister stelt daarom ten onrechte dat het niet aannemelijk is dat haar broer naar eiseres op zoek is, omdat eiseres het risico nam om met haar zus af te spreken, aldus eiseres.
9.2
De rechtbank kan volgen dat eiseres met haar zus wilde afspreken, juist vanwege de situatie waar zij inzat. Daarom begrijpt de rechtbank dat eiseres het risico nam om haar zus wel te zien, ook omdat haar broer en zus al jarenlang geen contact hadden en haar broer het adres van haar zus niet kende. Omdat haar broer wel wist waar haar moeder woonde, kan de rechtbank ook volgen dat eiseres niet met haar afsprak. De minister heeft dit daarom ten onrechte aan eiseres tegengeworpen.
Tussenconclusie
10. Gelet op hetgeen in 5.1 tot en met 9.2 is overwogen, staan er motiveringsgebreken in het bestreden besluit. Dit leidt echter niet tot een gegrondverklaring van het beroep. De minister heeft namelijk het asielrelaas van eiseres ten aanzien van haar seksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, omdat de overige tegenwerpingen van de minister dit standpunt voldoende dragen. Dit wordt hierna uitgelegd.
Verklaring over gevoelens
11.1
Eiseres stelt dat zij naar vermogen heeft verklaard hoe zij deze periode en haar gevoelens voor meisjes ervaren heeft. Uit het argument dat eiseres blijft steken op het niveau van omstandigheden in plaats van persoonlijke beleving, volgt niet dat deze omstandigheden zich niet hebben voorgedaan op de wijze zoals eiseres heeft beschreven. Dat zij niet goed kan uitleggen waar haar gevoelens vandaan kwamen, maar deze wel bij zichzelf waarnam en ook uitte naar de twee genoemde vriendinnen betekent niet dat deze gevoelens niet bestonden. De minister legt ten onrechte eenzijdig nadruk op het onder woorden brengen van een persoonlijke beleving en heeft onvoldoende oog voor de feiten, waaruit het bestaan van de gestelde seksuele geaardheid ook kan blijken, aldus eiseres.
11.2
De rechtbank overweegt als volgt. Voor de beoordeling van asielaanvragen waarbij seksuele geaardheid als asielmotief wordt aangevoerd, hanteert de minister Werkinstructie (WI) 2019/17. In het kader van het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gestelde geaardheid worden onder meer vragen gesteld over een aantal vaste thema's: het privéleven van de vreemdeling, huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van LHBTI-groepen in het land van herkomst, contact met LHBTI’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie, en discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. In het algemeen ligt het zwaartepunt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele geaardheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst en hoe diens ervaringen in het algemeen beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar een LHBTI-geaardheid maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is gesteld. Ingevolge WI 2019/17 dient de minister bij het gehoor en bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid rekening te houden met het referentiekader van de vreemdeling, zoals het opleidingsniveau, leeftijdsfase, cultuur en afkomst. De rechtbank acht deze wijze van beoordeling aanvaardbaar. De rechtbank is van oordeel dat de minister de thema's in WI 2019/17 voldoende heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele geaardheid van eiseres. In het voornemen is het contact met LHBTI’s in Nederland en de kennis van de Nederlandse situatie niet besproken, maar in de beschikking wel. De rechtbank kan het standpunt van de minister volgen dat eiseres weinig over haar gevoelens heeft gezegd, ondanks dat daar herhaaldelijk naar is gevraagd door de gehoormedewerker. De minister heeft daarom aan eiseres mogen tegenwerpen dat zij summier over haar gevoelens heeft verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaring over reactie moeder
12.1.
Eiseres voert aan dat zij wel degelijk duidelijk heeft gemaakt wat de reactie van haar moeder op de gebeurtenis op school waarbij eiseres een meisje kuste met haar deed. Zij wijst erop dat voor haar telde dat haar moeder haar in bescherming nam, hetgeen voor iemand als eiseres die in een zeer onbeschermde omgeving met veel huiselijk geweld opgroeide, voorop stond.
12.2
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens het nader gehoor heeft de gehoormedewerker niet letterlijk gevraagd wat de reactie van haar moeder op de gebeurtenis met eiseres deed, maar op pagina 17 van het nader gehoor zijn wel de volgende vragen gesteld: “
Hoe reageerde uw moeder?”, “
Wat deed het met u dat uw omgeving er zo op reageerde?” en “
Maar wat deed het met u dat uw omgeving, op iets wat u onschuldig leek, zo reageerde?”. Eiseres heeft daar steeds op geantwoord dat haar moeder niet wist wat het was, maar dat ze zei dat het problemen zou opleveren als haar vader erachter zou komen, maar ze heeft niet aangegeven wat deze reactie met haar deed. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister dit heeft mogen tegenwerpen aan eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaring over romantische relatie met [persoon1] en haar man
13.1
Eiseres voert aan dat zij voldoende over haar relatie met [persoon1] en haar man heeft verklaard en alle vragen daarover naar behoren heeft beantwoord. In de relatie met de man van [persoon1] woog het seksuele aspect zwaar voor eiseres, juist omdat ze dit bij haar eigen toenmalige echtgenoot miste. Eiseres betwist dat de minister haar heeft uitgenodigd om meer over de romantische kant van de relatie te vertellen. Over de driehoeksrelatie is niet meer gevraagd dan of haar gevoelens voor [persoon1] anders waren dan die voor haar man. Daar heeft eiseres op geantwoord. Er zijn geen vervolgvragen over gesteld en eiseres is niet uitgenodigd om er nader over te verklaren.
13.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres wel degelijk heeft uitgenodigd om meer over de romantische kant van de relatie met [persoon1] en haar man te verklaren. Uit pagina 20 van het verslag van het nader gehoor blijkt dat de minister de volgende vragen aan eiseres gesteld: “
Jullie waren beiden getrouwd, hoe verliep de relatie met de man van [persoon1] ?”, “
Had u ook gevoelens voor haar man of alleen voor haar?”, “
En daarna?”, “
Had u later ook gevoelens voor hem, of alleen voor haar?”, “
Hoe moet ik me het voorstellen, hadden jullie met zijn drieën een relatie?”, “
Ik hoef niets te weten van de seksuele relatie, ik vraag naar de romantische relatie, was die met zijn drieën?”, “
Verschilde wat u naar haar of naar hem voelde?”. Ook op de vragen naar gevoelens en of er een romantische relatie was, begon eiseres steeds over de seksuele kant van de relatie. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarom niet ten onrechte hier niet (nog) meer op heeft doorgevraagd, omdat eiseres het steeds alleen had over de seksuele relatie. De minister heeft dit daarom aan eiseres mogen tegenwerpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Geaardheid van [persoon4]
14.1
Eiseres stelt dat zij tijdens het nader gehoor niet heeft gezegd dat [persoon4] lesbisch is. Dit is kennelijk een invulling van de tolk geweest van haar verklaring dat [persoon4] relaties met vrouwen heeft gehad.
14.2
De rechtbank overweegt als volgt. Op pagina 21 van het nader gehoor heeft eiseres eerst verklaard dat [persoon4] lesbisch is. Toen de gehoormedewerker aangaf in de verklaring van [persoon4] te hebben gelezen dat zij een vriend heeft en vroeg hoe dat dan zit, gaf eiseres aan dat [persoon4] biseksueel is. Op pagina 15 van het nader gehoor heeft eiseres op de vraag van de gehoormedewerker wat haar seksuele gerichtheid precies is echter het volgende geantwoord: “
Ik moet eerst uitleggen dat ik eerder niet wist hoe het genoemd werd, toen ik het uitlegde aan mijn advocaat zei hij dat het betekent dat ik biseksueel ben”. Het kan daarom zo zijn dat het de invulling van de tolk was dat eiseres in eerste instantie zou hebben gezegd dat [persoon4] lesbisch is, maar de rechtbank vindt het bevreemdend dat de gemachtigde van eiseres dit niet heeft gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen, juist omdat hij eerder aan eiseres heeft moeten uitleggen wat haar geaardheid is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister dit aan eiseres heeft mogen tegenwerpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Achternaam van de vriend van [persoon4]
15.1
Eiseres voert aan dat het een Nederlandse invalshoek is dat de minister aan haar heeft tegengeworpen dat zij de achternaam van de vriend van [persoon4] niet kent. In Iran is het namelijk normaal dat men in een relatie elkaars achternaam niet kent.
15.2
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet heeft onderbouwd dat het in Iran gebruikelijk is dat men in een relatie elkaars achternaam niet kent. Bovendien kennen eiseres en de vriend van [persoon4] elkaar al langere tijd en hebben ze elkaar in Nederland ontmoet en niet in Iran. De minister heeft daarom aan eiseres mogen tegenwerpen dat zij de achternaam van de vriend van [persoon4] niet weet. De beroepsgrond slaagt niet.
Onderzoek naar LHBTI-gemeenschap in Iran
16.1
Eiseres volgt niet waarom het feit dat zij, buiten hetgeen zij van [persoon1] heeft gehoord, geen nader onderzoek heeft gedaan naar de LHBTI-gemeenschap in Iran afbreuk zou doen aan de geloofwaardigheid van haar asielrelaas. Eiseres was zich al in Iran voldoende bewust van het taboe van relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht en de daaraan verbonden gevaren. Daarom heeft zij geen aanleiding gezien zich daar verder in te verdiepen.
16.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat tijdens het nader gehoor is gebleken dat eiseres weinig interesse had voor (de positie van) de LHBTI-gemeenschap in Iran. Uit de verklaringen van eiseres blijkt ook niet dat zij het taboe dat op relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht heeft gevoeld, terwijl dat taboe er wel is in Iran. In die context kan de rechtbank volgen dat de minister dit aan eiseres heeft tegengeworpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Wens om aanvullend gehoord te worden
17.1
Eiseres voert aan dat zij aanvullend gehoord wil worden. De stelling van de minister dat een aanvullend gehoor geen verandering brengt in de beoordeling van de geloofwaardigheid van haar asielmotieven, kan de minister niet met zekerheid innemen, zeker niet in een situatie waarin eiseres pas later heeft ingezien wat van haar verwacht werd.
17.2
De rechtbank kan het standpunt van eiseres dat zij pas later inzag wat van haar werd verwacht niet volgen, omdat uit het nader gehoor blijkt dat eiseres goed was voorbereid door haar advocaat. Zo blijkt uit pagina 7 van het nader gehoor dat hij haar had aangeraden om notities mee te nemen naar het nader gehoor, omdat zij veel vergeet. Daarnaast heeft de gehoormedewerker tijdens het gehoor regelmatig om verduidelijking gevraagd.2 Bovendien is eiseres al uitgebreid gehoord. Het nader gehoor begon om 09.40 uur en was pas om 17.05 uur afgelopen. Het verslag van het nader gehoor was dan ook 30 pagina’s lang. De rechtbank overweegt dat nergens uit blijkt dat er informatie mist omdat de minister er niet naar heeft gevraagd. De minister heeft eiseres niet ten onrechte niet aanvullend gehoord. De beroepsgrond slaagt niet.
2 Zie bijvoorbeeld pagina 17, alinea’s 7 tot en met 9, van het nader gehoor.
Door eiseres overgelegde verklaringen
18.1
Eiseres heeft drie verklaringen overgelegd ter onderbouwing van haar asielrelaas. De verklaringen zijn van [persoon5] van 19 december 2025 en [persoon6] van 21 december 2025, allebei lid van de woongroep in [plaats] waar eiseres nu verblijft, en van [persoon7] van 19 december 2025, een vriend van eiseres.
18.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister tijdens de zitting terecht heeft gesteld dat de opstellers van de verklaringen eiseres pas in Nederland hebben leren kennen en dat zij er niet bij waren in Iran. De verklaringen kunnen het asielrelaas van eiseres met betrekking op de door haar gestelde biseksualiteit, haar voorgeschiedenis of de daaruit voortvloeiende problemen in Iran daarom niet onderschrijven. Omdat in deze zaak gaat om het asielrelaas van eiseres, gaat de rechtbank dan ook voorbij aan deze verklaringen.
Conclusie met betrekking tot de geloofwaardigheid
19. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte de door eiseres gestelde biseksuele geaardheid en daaruit voorvloeiende problemen niet geloofwaardig heeft geacht. De rechtbank passeert daarom de gebreken in het bestreden besluit op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de ongeloofwaardigheid van het relevante element ongewijzigd blijft, is het niet aannemelijk dat eiseres door het passeren van het gebrek wordt benadeeld.
Asielaanvraag te laat ingediend
20.1
Eiseres voert aan dat zij inderdaad eerder internationale bescherming in Nederland had kunnen aanvragen. Dat doet volgens eiseres echter geen recht aan de werkelijkheid waarin vluchtelingen vaak denken in een bepaald land veiligheid te kunnen krijgen en daartoe eerdere mogelijkheden om bescherming te krijgen bewust ongebruikt laten, omdat zij in het land van bestemming het beste af denken te zijn. De minister mag hierin geen omstandigheid zien die afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de asielmotieven.
20.2
In artikel 31, zesde lid en onder d, van de Vw staat dat de vreemdeling zijn aanvraag zo spoedig mogelijk moet indienen, tenzij goede redenen zijn aangevoerd waarom dit is nagelaten. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiseres niet aan deze voorwaarde heeft voldaan. Eiseres heeft verklaard dat zij Nederland op 22 maart 2022 is ingereisd. Op 24 augustus 2022, dus vijf maanden later, heeft zij asiel aangevraagd. Eiseres stelt dat zij dat toen pas heeft gedaan, omdat ze naar Engeland wilde, maar niet meer met haar reisagent in contact kon komen toen haar telefoon en al haar geld was gestolen. De familie waarbij ze verbleef, adviseerde haar om in Nederland asiel aan te vragen. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van eiseres niet blijkt dat zij tijdens haar eerste vijf maanden in Nederland pogingen heeft gedaan om in contact te komen met autoriteiten over de vraag hoe zij hier legaal kan verblijven. Gelet op het referentiekader van eiseres heeft de minister dit aan haar mogen tegenwerpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Vluchtelingschap en risico op ernstige schade
21.1
Eiseres voert aan dat de minister niet van haar kan verlangen bij terugkeer naar Iran terughoudend te betrachten omtrent haar afvalligheid en in het maatschappelijk verkeer in strijd met de waarheid voor te wenden dat zij moslim is. Het klopt dat eiseres tot haar vertrek uit Iran nimmer uiting heeft gegeven aan haar afvalligheid, maar dit betekent niet dat zij dit na terugkeer ook niet zal doen. Eiseres is er de persoon niet naar om dit actief openlijk uit te dragen, maar als naar haar geloof wordt gevraagd, bijvoorbeeld door overheidsinstanties of familie, dan wil zij naar waarheid (kunnen) antwoorden en niet haar geloof moeten verloochenen. Dit verlangt de minister ten onrechte wel van haar. Ter onderbouwing heeft eiseres een brief inzake een andere procedure ingebracht van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025 met vragen aan de minister ten aanzien van risico’s voor afvalligen bij terugkeer naar Iran.
21.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft overwogen dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Uit een uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022 volgt dat de minister de verklaringen van een vreemdeling over diens afvalligheid moet verbinden aan wat bekend is over het land van herkomst. De minister moet ook onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, de vreemdeling na terugkeer naar het land van herkomst uiting wil geven aan diens afvalligheid en of de verklaringen van de vreemdeling hierover geloofwaardig zijn. Als de vreemdeling daarover niet uitdrukkelijk heeft verklaard, moet de minister ervan uitgaan dat de vreemdeling na terugkeer op dezelfde wijze uiting aan diens afvalligheid wil geven als de vreemdeling in Nederland heeft gedaan.3 Verder mag de minister niet van een vreemdeling verlangen dat de vreemdeling zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van diens geloofwaardig geachte afvalligheid in het land van herkomst.4 De rechtbank overweegt dat uit informatiebericht 2023/35 blijkt dat terugkeerders die vóór hun vertrek zonder problemen als afvallige hebben geleefd dat in beginsel na terugkeer ook weer kunnen doen. Op pagina 28 van het nader gehoor heeft eiseres aangegeven dat zij in Iran op het laatst niet meer praktiseerde en dat zij dat in Nederland ook niet meer heeft gedaan. Uit het Ambtsbericht blijkt dat iemand die de islam niet praktiseert, daar doorgaans geen problemen mee zal krijgen. Hoewel niet is uitgesloten dat afvalligen een risico op strafrechtelijke vervolging lopen zonder dat zij hun afvalligheid uitdragen en dat niet-gelovigen problemen kunnen ondervinden, neemt dit niet weg dat iemand die de islam niet praktiseert, daar doorgaans geen problemen mee krijgt. Wat betreft de door eiseres overgelegde brief van de Afdeling van 16 juli 2025 die in een andere procedure was ingebracht, overweegt de rechtbank dat niet is uitgelegd waarom dit op haar van toepassing zou zijn.

Conclusie en gevolgen

22. De minister heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
23. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 19, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
3 Dit volgt uit r.o. 23-23.2.
4 Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5349, r.o. 3.1.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.834,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Hummel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.