Eiser diende op 29 februari 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd op 25 juli 2025 ongegrond verklaard. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Gedurende de procedure verloor de gemachtigde van eiser het contact met hem, wat aanleiding gaf tot twijfel over het voortbestaan van het procesbelang.
De rechtbank onderzocht of eiser nog procesbelang had, aangezien hij met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde gaf aan geen contact meer te hebben met eiser, en na herhaalde verzoeken bevestigde zij dit. Gezien de langere periode zonder contact en het vertrek met onbekende bestemming, concludeerde de rechtbank dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en behandelde de zaak niet inhoudelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter Y. Yeniay - Cenik en griffier S. Voolstra op 6 februari 2026. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.