ECLI:NL:RBDHA:2026:2092

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.63325
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 2 onder g DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en overdracht aan Oostenrijk

Eiser, een Eritrese nationaliteit dragende persoon, diende op 28 augustus 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling. Oostenrijk had het verzoek tot overname geaccepteerd.

Eiser voerde aan dat bijzondere individuele omstandigheden, zoals zijn leeftijd, het ontbreken van familie in Oostenrijk en het feit dat zijn broer in Nederland woont, een overdracht aan Oostenrijk van onevenredige hardheid maken. De rechtbank oordeelde dat de broer niet als gezinslid in de zin van de Dublinverordening kan worden aangemerkt en dat deze omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden vormen die een uitzondering rechtvaardigen.

Daarnaast stelde eiser dat zijn medische situatie een overdracht in de weg zou staan, maar de rechtbank vond dat Nederland erop mag vertrouwen dat Oostenrijk adequate medische zorg biedt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63325

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1982 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 28 augustus 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Oostenrijk in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig is van 19 juni 2025 tot en met 4 september 2025. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening [3] de Oostenrijkse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen. De autoriteiten van Oostenrijk hebben dit verzoek op 3 november 2025 geaccepteerd.
3. Eiser stelt in beroep dat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser is voor het indienen van een asielaanvraag naar Nederland gekomen omdat zijn tot Nederlander genaturaliseerde broer met zijn gezin in Nederland woont. Eiser is reeds op leeftijd, heeft in Oostenrijk geen familie en voelt zich daar eenzaam. Deze omstandigheden dienen te worden aangemerkt als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat het van onevenredige hardheid getuigt om hem aan Oostenrijk over te dragen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft allereerst terecht overwogen dat de broer van eiser in Nederland niet is aan te merken als gezinslid in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening, zodat de gezinsbepalingen van de artikelen 8, 9, 10 11 en 16 niet van toepassing zijn. De Dublinverordening is op zichzelf niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan worden verkregen. De wens van eiser om bij zijn in Nederland verblijvende broer te verblijven is begrijpelijk, maar verweerder heeft de relatie tussen eiser en zijn broer in redelijkheid niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van eiser aan Oostenrijk van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
5. Voor zover eiser met het overleggen van de verklaring van de huisarts wil stellen dat zijn medische gesteldheid eraan in de weg staat dat hij wordt overgedragen, heeft verweerder in zijn voornemen reeds terecht overwogen dat Nederland erop mag vertrouwen dat eiser in Oostenrijk toegang heeft tot dezelfde medische zorg als hier. Eiser heeft met de overgelegde verklaring niet onderbouwd dat hij in Oostenrijk niet de voor hem noodzakelijke medische behandeling zal krijgen.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 februari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.