ECLI:NL:RBDHA:2026:21049

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
NL26.39862
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting vreemdelingenbewaring en voortvarendheid minister

De minister legde op 27 maart 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser, die hiertegen beroep instelde en tevens schadevergoeding vorderde. De rechtbank had deze maatregel reeds tweemaal eerder getoetst en oordeelde toen dat de bewaring rechtmatig was tot het sluiten van het vorige onderzoek op 3 juni 2026.

In deze procedure stond de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring na 3 juni 2026 centraal. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend was in het realiseren van zijn uitzetting, onder meer omdat een aangevraagde laissez-passer nog niet was afgegeven en hij niet was gepresenteerd aan de Algerijnse autoriteiten. Tevens voerde eiser aan dat een lichter middel dan bewaring volstond.

De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk zicht op uitzetting bestaat, mede omdat de minister meerdere keren heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en vertrekgesprekken heeft gevoerd. Ook werd meegewogen dat eiser onvoldoende medewerking verleent, bijvoorbeeld door geen concrete stappen te ondernemen om zijn paspoort uit Frankrijk te verkrijgen. De rechtbank vond dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat voortzetting van de bewaring gerechtvaardigd is.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39862

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: L. Ploeger).

Procesverloop

1. De minister heeft op 27 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft [2] en het onderzoek op 27 juli 2026 gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al tweemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 juni 2026 [3] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 3 juni 2026.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
4. Eiser stelt dat niet is voldaan aan het vereiste van voortvarendheid en dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Daartoe voert hij aan dat hij inmiddels al ruim vijf maanden in detentie verblijft en dat uit de door minister overgelegde voortgangsrapportage niet blijkt dat de minister voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser wijst erop dat er op 30 maart 2026 een laissez-passer is aangevraagd, maar dat deze tot op heden niet is afgegeven. Volgens eiser volgt hieruit dat het zicht op uitzetting ontbreekt en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat onvoldoende voortvarend is gehandeld, voert eiser daarnaast aan dat hij nog niet is gepresenteerd aan de Algerijnse autoriteiten, dat de minister na sluiting van het vorige onderzoek onvoldoende heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en dat er te weinig vertrekgesprekken met hem hebben plaatsgevonden.
4.1.
Daarnaast stelt eiser dat kan worden volstaan met de oplegging van een lichter middel in plaats van voortzetting van de bewaring. Eiser voert aan dat uit de meest recente voortgangsrapportage niet blijkt welke concrete uitzettingshandelingen de minister nog verricht en dat nog steeds niet is gereageerd op de aanvraag om afgifte van een laissez-passer. Daarnaast stelt eiser dat hij heeft verklaard over een paspoort te beschikken en gelet hierop had de minister volgens eiser uitdrukkelijk moeten motiveren waarom niet gekozen is voor oplegging van een lichter middel. Volgens eiser ontbreekt een dergelijke motivering.
Beoordeling rechtbank
5. De rechtbank oordeelt dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraak is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De laissez-passer aanvraag is nog steeds in onderzoek en niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank acht voorts van belang dat niet is gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht om aan zijn medewerkingsplicht te voldoen. Eiser heeft verklaard dat hij beschikt over een paspoort en dat dit zich in Frankrijk bevindt. Niet is gebleken dat eiser concrete stappen heeft ondernomen om dit paspoort te verkrijgen. Dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 20 juli 2026 opnieuw heeft verklaard niet te beschikken over de contactgegevens van de personen die het paspoort onder zich hebben, doet hieraan niet af. Evenmin maakt zijn verklaring tijdens datzelfde vertrekgesprek dat hij wil meewerken aan zijn vertrek dit niet anders. Die gestelde bereidheid om te willen meewerken blijkt niet uit zijn handelen, nu hij geen concrete stappen heeft ondernomen om zijn paspoort uit Frankrijk te verkrijgen. Niet kan worden uitgesloten dat de Algerijnse autoriteiten, indien eiser medewerking verleent, sneller zullen overgaan tot het verlenen van een laissez-passer.
5.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er hebben op
22 juni 2026 en 20 juli 2026 vertrekgesprekken plaatsgevonden en de minister heeft, zo blijkt uit de M120 (voortgangsrapport), op 4 juni 2026 en 26 juni 2026 gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. In het verweerschrift stelt de minister dat ook op 17 en 20 juli 2026 is gerappelleerd. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Dat eiser nog niet gepresenteerd is aan de Algerijnse autoriteiten, maakt dit oordeel niet anders.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat de voortzetten van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.
5.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [5]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
3.Zaaknummer: NL26.29201.
4.Zie de Afdelingsuitspraken van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
5.Zie het arrest Adrar van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en het arrest Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).