ECLI:NL:RBDHA:2026:21049
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting vreemdelingenbewaring en voortvarendheid minister
De minister legde op 27 maart 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser, die hiertegen beroep instelde en tevens schadevergoeding vorderde. De rechtbank had deze maatregel reeds tweemaal eerder getoetst en oordeelde toen dat de bewaring rechtmatig was tot het sluiten van het vorige onderzoek op 3 juni 2026.
In deze procedure stond de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring na 3 juni 2026 centraal. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend was in het realiseren van zijn uitzetting, onder meer omdat een aangevraagde laissez-passer nog niet was afgegeven en hij niet was gepresenteerd aan de Algerijnse autoriteiten. Tevens voerde eiser aan dat een lichter middel dan bewaring volstond.
De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk zicht op uitzetting bestaat, mede omdat de minister meerdere keren heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en vertrekgesprekken heeft gevoerd. Ook werd meegewogen dat eiser onvoldoende medewerking verleent, bijvoorbeeld door geen concrete stappen te ondernemen om zijn paspoort uit Frankrijk te verkrijgen. De rechtbank vond dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat voortzetting van de bewaring gerechtvaardigd is.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.