ECLI:NL:RBDHA:2026:21060

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
NL25.53817 en NL25.53818
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 30b VwArt. 8 EVRMVreemdelingenwet 2000Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank wijst asielaanvraag toe wegens mishandeling en gegronde vrees in Irak

Eiser, een minderjarige asielzoeker uit Irak, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank hield een kindgesprek met eiser en beoordeelde het beroep op basis van het asielrelaas, waarin mishandeling door de salafistische stiefvader centraal stond.

De minister had de geloofwaardigheid van de mishandelingen niet inhoudelijk getoetst en oordeelde dat de mishandelingen niet het minimum niveau van ernst bereikten en dat eiser zich kon onttrekken aan de mishandelingen. De rechtbank stelde echter vast dat eiser dagelijks werd mishandeld met riemslagen en een brandmerking, wat een ernstige en langdurige vorm van huiselijk geweld betreft.

De rechtbank concludeerde dat deze mishandelingen een daad van vervolging vormen en dat eiser gegronde vrees heeft voor ernstige schade bij terugkeer naar Irak. De minister had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser bescherming kan krijgen van Iraakse autoriteiten. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op een verblijfsvergunning te verlenen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en eiser kreeg een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de minister een verblijfsvergunning asiel te verlenen aan eiser wegens gegronde vrees voor vervolging door mishandeling in Irak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.53817 (beroep)
NL25.53818 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2010, van Iraakse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Inleiding

1. Eiser heeft op 12 september 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het besluit van 28 oktober 2025 (het bestreden besluit) deze aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond [1] .
1.1.
Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft de zaken op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, de gemachtigde van de minister en F. Saïd als tolk in de Koerdische taal. Ook op de zitting aanwezig waren [de persoon 1] , eisers tante, en [de persoon 2] , eisers voogd van het Nidos. Aan het begin van de zitting heeft de rechter in aanwezigheid van de griffier een kindgesprek gehouden met eiser.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser legt het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag. Hij is geboren in Irak en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Zijn ouders zijn gescheiden en in 2020 is eisers moeder hertrouwd. Eiser woonde de helft van de tijd bij zijn moeder en de helft bij zijn vader. Als hij bij zijn moeder woonde werd hij mishandeld door zijn stiefvader. Eisers stiefvader is salafist en wilde dat eiser zich aan erg strenge islamitische regels hield. Als eiser dat niet deed werd hij geslagen. Eiser verklaart dat hij klappen kreeg van zijn stiefvader, dat hij werd geslagen met een riem en dat zijn stiefvader hem ook een keer heeft gebrandmerkt met een lepel.
Besluitvorming
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister twee relevante motieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen met eisers stiefvader.
5.1.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De geloofwaardigheid van de problemen met eisers stiefvader wordt expliciet in het midden gelaten. Dit asielmotief beoordeelt de minister enkel op zwaarwegendheid [2] . De minister komt tot de conclusie dat eiser bij terugkeer naar Irak geen zwaarwegende vrees heeft. De mishandelingen zijn volgens de minister niet van dusdanige aard dat deze een ‘minimum level of severity’ halen. En eiser kan zich ook onttrekken aan de mishandelingen. De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag [3] en dat hij bij terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt op ernstige schade.
5.2.
Verder krijgt eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [4] . Hij heeft namelijk in 2023 een aanvraag voor een vergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM gedaan, die weer is ingetrokken. Daarom is er geen aanleiding om deze alsnog te verlenen. Ook krijgt eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv).
Het kindgesprek
De rechtbank heeft eiser voorafgaand aan de zitting op kindvriendelijke wijze gehoord. De rechtbank heeft daar op de zitting een samenvatting van gegeven. Deze samenvatting luidt als volgt:
“Ik vind het niet leuk dat de minister heeft bepaald dat ik terug moet naar Irak. Ik heb daar geen leven en geen doel. Het ging al heel slecht en als ik terug moet zal het niet beter worden. Ik bedoel daarmee de situatie met mijn stiefvader en ik bedoel dan ook dat ik daar niet kan werken en studeren. Ik denk dat als ik terug moet keren dat het net zo erg als vroeger zal worden of erger. U vraagt mij waarom ik niet luister naar mijn stiefvader. Ik voelde me geen moslim. Ik voelde me toen al geen moslim en ook nu ook geen moslim. Dat is meer geworden sinds ik in Nederland ben. Ik ben heel bang, als ze daar in Irak achter komen dat ze mij zullen doodmaken. Ik zou graag willen zeggen aan de minister dat ik beter hier dood kan gaan dan terugkeren.”
Beoordeling door de rechtbank
Afdoen op zwaarwegendheid
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in deze zaak reden heeft gezien om de feiten en omstandigheden enkel te beoordelen op zwaarwegendheid en kenbaar de geloofwaardigheid van de asielmotieven in het midden heeft gelaten. [5] Uit rechtspraak van de Afdeling [6] volgt dat als de minister deze werkwijze toepast, hij alle verklaringen van de vreemdeling over zijn asielmotieven als uitgangspunt moet nemen. [7] Voor de beoordeling van de vraag of de gestelde feiten en omstandigheden aanleiding geven om de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel te verlenen, moet de minister alle verklaringen over zijn asielmotieven als uitgangspunt nemen. De minister kan dan niet van een deel van de verklaringen de geloofwaardigheid niet beoordelen en een ander deel van de verklaringen geloofwaardig of ongeloofwaardig achten. [8]
6.1.
Gelet op de door de minister gehanteerde wijze van toetsing van eisers asielrelaas, gaat de rechtbank ervan uit dat de minister de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Eiser heeft verklaard dat hij voor de helft van de tijd bij zijn moeder woont. De rest van de tijd woonde hij bij zijn vader. Zijn vader kan onder andere door zijn werk niet in zijn eentje de volledige zorg op zich nemen. Eisers stiefvader is salafist en als eiser bij zijn moeder was werd hij mishandeld wanneer hij de strenge islamitische leefregels van zijn stiefvader niet wilde opvolgen. Eiser heeft verklaard dat zijn stiefvader hem verplichtte om te bidden, om vroeg op te staan voor het ochtendgebed en om mee te gaan naar de moskee. [9] Later in het nader gehoor, op de vraag hoe vaak eiser werd geslagen, heeft hij verklaard dat als hij niet deed wat hij vroeg dat hij dan werd geslagen en dat dat heel vaak was. [10] Op de vraag wat voor eiser ‘heel vaak’ betekent, antwoordt hij dat dit gebeurde als hij niet wilde luisteren, als hij niet wilde opstaan om te bidden, als hij niet naar de moskee wilde en als hij niet wilde vasten. [11] De gehoormedewerker vraagt vervolgens: ‘Begrijp ik dan goed dat er iedere dag wel iets was wat je niet deed waardoor hij jou mishandelde?’ [12] . Op deze vraag geeft eiser bevestigend antwoord. Eiser werd heel vaak gelagen met een riem en kreeg soms ook gewoon klappen [13] . De blauwe plekken die de mishandelingen opleverden verborg eiser steeds met zijn kleding [14] . Eisers moeder was op de hoogte van de mishandelingen [15] . Hieruit maakt de rechtbank op dat eiser, sinds zijn moeder en stiefvader bij elkaar zijn, en dus vanaf zijn tiende tot zijn dertiende levensjaar iedere dag dat hij bij zijn moeder verbleef mishandelingen heeft ondergaan, met de hand en/of met een riem en één keer gebrandmerkt met een gloeiendhete lepel.
Minimum level of severity
7. De minister stelt zich op het standpunt dat uit eisers verklaring niet blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. De mishandeling door eisers stiefvader haalt volgens de minister namelijk niet het ‘minimum level of severity’. Reeds daarom komt eiser geen asielvergunning toe, aldus de minister.
7.1.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Bepaalde vormen van fysiek, seksueel en mentaal huiselijk geweld kunnen als een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden beschouwd. [16] Niet iedere vorm van huiselijk geweld kan worden gekwalificeerd als een daad van vervolging. Er is een minimumniveau van ernst vereist om het als een daad van vervolging te laten gelden, ‘a minimum level of severity’. Bij de beoordeling daarvan moet rekening gehouden worden met een aantal factoren, zoals de frequentie, patronen, duur en de impact op het kind. Ook de leeftijd van het kind en de afhankelijkheid van de daders, evenals de langetermijneffecten op de fysieke en psychologische ontwikkeling en het welzijn van het kind, moeten in overweging worden genomen. Verder kan huiselijk geweld van dusdanige aard zijn dat het ernstige schade, bestaande uit een onmenselijke behandeling oplevert in de zin van de Kwalificatierichtlijn [17] . Voor de vaststelling of er sprake is van een onmenselijke of vernederende behandeling moet voldaan zijn aan een zekere minimale ernst, ‘a minimum level of severity’. De beoordeling hiervan hangt af van alle omstandigheden van het geval, zoals de duur van de behandeling en de fysieke of mentale effecten ervan. Ook omstandigheden zoals leeftijd, gender, etnische achtergrond of het ontbreken van een sociaal netwerk kunnen hierin een rol spelen.
7.2.
Anders dan de minister, is de rechtbank van oordeel dat de mishandelingen die eiser heeft ondergaan wel een ‘minimum level of severity’ bereiken. Eiser heeft verklaard dat hij drie jaar lang iedere dag dat hij bij zijn moeder en stiefvader verbleef, van zijn stiefvader klappen kreeg en/of geslagen werd met een riem en dat hij is gebrandmerkt met een lepel. Daarbij opgelopen blauwe plekken moest eiser steeds verbergen met zijn kleding. Gelet op de frequentie en ernst van de mishandeling, de zeer jonge leeftijd van eiser en zijn afhankelijkheid van zijn moeder en zijn stiefvader gedurende deze periode, is de rechtbank van oordeel dat de mishandelingen die eiser heeft moeten ondergaan zonder twijfel boven de minimaal vereiste ernst uitstijgen.
7.3.
Dat de minister stelt dat dat minimum niet is bereikt omdat eiser niet iedere dag deze mishandeling onderging nu hij ook de helft van de tijd naar zijn vader kon, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Dat geeft hooguit een tijdelijke verlichting waarna (het vooruitzicht op) de dagelijkse mishandeling steeds weer volgt. De minister heeft in zijn standpunt hierover ook onvoldoende rekening gehouden met de erg jonge leeftijd van eiser, de afhankelijkheid daarbij van volwassenen die hem juist zouden moeten beschermen en daardoor eisers bijzonder kwetsbare positie. Daar komt bij dat het langdurige en steeds terugkerende karakter van de mishandelingen ook een sterke indicatie zijn van de ernst ervan en van de impact ervan op eisers leven. Zo heeft eiser ervoor gekozen om niet meer terug te willen keren naar Irak, waar zijn vader woont en zijn hele verdere sociale leven zich afspeelde. Dat eiser een grote angst heeft om terug te keren volgt ook uit het feit dat eiser in Nederland een tijd ondergedoken heeft gezeten. Eisers tante, die in Nederland verblijft, wilde hem voordat zij afwist van de mishandelingen terugsturen naar Irak. Eiser is toen naar een vriend van zijn vader gevlucht.
8. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het huiselijk geweld dat eiser heeft ondergaan als daad van vervolging en ernstige schade valt te kwalificeren.

Gegronde vrees bij terugkeer

9. Uit artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen. [18] Uit vaste rechtspraak van het EHRM [19] volgt eveneens dat het dan aan de minister is alle twijfels over een risico op schending van artikel 3 EVRM Pro weg te nemen. [20]
10. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Irak geen gegronde vrees heeft. De minister onderbouwt dit als eerste door aan te geven dat eiser zich kan conformeren aan de strenge leefregels van zijn stiefvader, nu hij tijdens het nader gehoor niet kon verklaren waarom hij zich niet aan de religieuze normen wilde houden. Ten tweede meent de minister dat eiser zich destijds had kunnen onttrekken aan de mishandelingen door zijn vader of oma in te lichten. Tot slot stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zich bij terugkeer ook zal kunnen onttrekken aan de mishandelingen door bij zijn vader of oma te verblijven.
Het conformeren aan de leefregels van stiefvader
11. In het standpunt van de minister dat eiser tijdens zijn nader gehoor niet heeft kunnen verklaren waarom hij zich niet wilde conformeren aan de strenge leefregels, heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Daargelaten de vraag of je van een kind kan verlangen om zijn gedrag aan te passen om mishandeling te voorkomen, is het enkele feit dat eiser onvoldoende heeft verklaard waarom hij zich niet wilde conformeren onvoldoende onderbouwing dat eiser zich bij terugkeer zal kunnen conformeren aan de leefregels van zijn stiefvader. De minister heeft hierbij te veel belang gehecht aan het vermogen van een kind om daar een voor de minister inzichtelijke verklaring voor te geven. Daarnaast heeft de minister, zoals eiser terecht aanvoert, niet gekeken naar het gedrag van eiser. Hij wordt vanaf zijn tiende dagelijks geslagen, ook met een riem, maar keer op keer doet hij niet wat zijn stiefvader van hem verlangt. In eisers gedrag zit dan ook een vastberadenheid om zich niet te conformeren. Dat wordt ook bevestigd door voornoemd onderduiken toen zijn tante hem terug wilde sturen naar Irak.
12. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser in het kindgesprek heeft uitgelegd dat hij zich niet aan de religieuze leefregels van zijn stiefvader wilde houden omdat hij zich geen moslim voelde. Gedurende zijn verblijf in Nederland is dat gevoel alleen maar meer geworden.
13. Naar het oordeel van de rechtbank kan van eiser dus niet worden verlangd dat hij zich bij terugkeer aan de strenge religieuze leefregels van zijn stiefvader zal houden. Met dit argument heeft de minister dan ook niet aannemelijk gemaakt dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade.
Het vertellen aan vader of oma
14. Daar waar de minister stelt dat niet inzichtelijk is dat eiser destijds nooit zijn oma of vader heeft ingelicht over de mishandelingen en zich zo had kunnen onttrekken aan de situatie, kan de rechtbank de minister evenmin volgen. De minister heeft daarbij eisers jonge leeftijd onvoldoende betrokken, en heeft zijn verklaring dat hij de situatie niet verder wilde laten escaleren ook onvoldoende betrokken. Bovendien ziet dit argument op het verleden en valt niet in te zien op wat voor wijze dit invloed kan hebben op de vraag of eiser bij terugkeer te vrezen heeft.
15. Voorzover de minister heeft betoogd dat eiser nu wél kan vertellen aan zijn vader over de mishandelingen en dat hij daarmee de mishandelingen in de toekomst kan voorkomen, heeft eiser aangegeven waarom hij dat niet wil. Hij wil een groter conflict voorkomen en meent daarnaast dat hij zijn vader in bescherming neemt tegen zijn stiefvader door hem niet te vertellen over de mishandelingen. Daar komt bij dat de minister onvoldoende rekening houdt met het feit dat eiser in de angst leeft dat hij misschien moet terugkeren. Eiser heeft desgevraagd zijn vader ook nog steeds niet ingelicht over de mishandelingen bij zijn stiefvader.
16. Verder gaat dit argument ervan uit dat het in de macht van de vader ligt om de situatie bij de moeder en stiefvader te doen stoppen. De moeder heeft, gelet ook op het relaas van eiser, recht op omgang met eiser. Dat de vader dit recht effectief zou kunnen blokkeren blijkt nergens uit.
17. Ook met dit argument heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade.
Het fulltime bij vader of oma gaan wonen
18. De rechtbank volgt de minister ook niet daar waar hij stelt dat eiser bij terugkeer zich kan onttrekken aan de situatie door blijvend bij zijn oma of vader te verblijven. Nu de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas door de minister expliciet in het midden is gelaten, moet de minister bij de beoordeling uitgaan van al eisers verklaringen. Eiser heeft verklaard dat zijn vader niet de volledige zorg voor eiser op zich kan nemen vanwege zijn werk. Dit is door eisers vader ook bevestigd in een telefonisch vertrekgesprek tussen de Dienst Terugkeer & Vertrek, eisers vader en zijn voogd van het Nidos. Eiser heeft verder verklaard dat zijn oma op leeftijd is en ziek is waardoor zij ook niet voor hem kan zorgen. Tot slot heeft eiser verklaard dat zijn moeder en stiefvader de omgang met hem sowieso zullen opeisen als hij weer in Irak is.
19. Ook hierin ziet de rechtbank aldus geen aanleiding om te oordelen dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade.
Bescherming van de autoriteiten
20. In het verweerschrift heeft de minister zich, tot slot, nog op het standpunt gesteld dat los van de bescherming die eiser kan krijgen van zijn oma of vader, ook is gebleken dat de Iraakse autoriteiten bescherming kunnen bieden. De minister verwijst daarbij naar paragraaf 2.7 in het EUAA [21] Iraq Country focus rapport.
21. De rechtbank constateert dat dit voor het eerst in het verweerschrift naar voren is gebracht door de minister. Het verweerschrift is twee dagen voor de zitting ingediend. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij door het late tijdstip van indiening zich hier niet goed tegen heeft kunnen verweren. Daargelaten dat deze handelswijze van de minister inderdaad niet zorgvuldig is, is de rechtbank van oordeel dat de minister met deze landeninformatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser daadwerkelijk op een effectieve manier de bescherming van de autoriteiten kan inroepen, en overweegt daartoe het volgende.
22. In paragraaf 2.7 van het Iraq Country focus rapport staat, voorzover van belang, het volgende:
“In June 2023, a draft child protection law was introduced to the Iraqi parliament. The bill aimed at safeguarding the children’s fundamental rights and addressed issues such as child labour and child abuse and exploitation. According to a Committee on the Rights of the Child (CRC) report published in July 2025, the bills aiming at protecting children’s rights have still not been adopted neither in the federal Iraq, nor in KRI. The Penal Code allows ‘the disciplining by parents and teachers of children under their authority within certain limits prescribed by law or by custom’. CRC reported on a hight prevalence of child victims of sexual exploitation, particularly girls, and the stigmatisation of victims, including in the courts.
Despite a constitutional prohibition against violence, corporal punishment of children remained legal, according to a report published by the Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights in November 2024. However, a decision of the Supreme Court reportedly banned ‘violence against children in any form’, according to a meeting summary of the UN Committee on the Rights of the Child released in May 2025. Courts are obliged to follow this interpretation of the law, and the police have acted on it and responded to around hundred cases.”
23. Uit deze paragraaf volgt aldus dat er ondanks een grondwettelijk verbod op geweld nog geen verbod op lijfstraffen van kinderen bestaat. En dat naar verluidt (‘reportedly’) het Iraakse Supreme Court heeft beslist dat geen enkele vorm van geweld tegen kinderen is toegestaan als ook dat de politie vervolgens in ongeveer 100 zaken heeft geacteerd.
24. De informatie over de uitspraak van de Iraakse Supreme Court en 100 zaken is afkomstig van de Iraakse overheid zelf. Op de website van het Internationaal Comité van de Rechten van het Kind (hierna: het Internationaal Comité) staat het verslag van 16 mei 2025 van een ontmoeting met vertegenwoordigers van de Iraakse overheid [22] . Uit dit verslag volgt dat de Iraakse overheidsdelegatie over de aanpak van huiselijk geweld jegens kinderen het volgende aan het Internationaal Comité heeft geantwoord:
“The Supreme Court had issued a clear verdict on article 41 of the Criminal Code, finding that it did not allow violence against children in any form. Courts were bound to follow this interpretation of the law. When parents exercised corporal punishment, they faced legal punishment. Civil police monitored cases of corporal punishment and had responded to around 100 cases.”
25. De rechtbank heeft op de website van het Internationaal Comité geen nadere onderbouwing kunnen vinden van de 100 zaken of van specifieke zaken waarbij de politie is opgetreden tegen huiselijk geweld gericht tegen kinderen. Verder valt op dat wanneer het Iraq Country focus rapport naar de uitspraak van het Iraakse Supreme Court verwijst, dit gebeurt met de bewoordingen ‘naar verluidt’ in plaats van in de bevestigende vorm.
26. De onder 23. genoemde ontmoeting van het Internationaal Comité en de Iraakse delegatie volgde op de ‘Combined fifth and sixth periodic reports submitted by Iraq under article 44 of the Convention’, van 31 januari 2024 [23] . In dit rapport is te lezen dat de Iraakse delegatie onder meer de volgende informatie heeft verstrekt aan het Internationaal Comité:
35. The Ministry of the Interior has created the community police service, which focuses on criminal cases involving problems that arise within the family, and the Ministry’s Directorate for Protecting Families and Children from Domestic Violence is opening branch offices in all governorates to receive cases involving domestic violence against women and children. In addition to this, the Human Rights Directorate in the Ministry of the Interior receives complaints of torture against persons in detention and persons not in detention, including women and children.
(…)
120. The Directorate for Protecting Families and Children from Domestic Violence receives complaints from victims of violence, particularly women and children, who are the most vulnerable groups in society. The complaints can be filed at the Directorate’s offices in Baghdad and the governorates or via the 139 hotline. Action can then be taken against perpetrators in accordance with the law. If children have been subjected to torture or cruel or inhuman treatment, the Directorate takes legal steps by procuring a decree from an investigating judge, and sometimes children can be placed in a State-run home for their own protection, where they receive the care and attention they require.
(…)
126. The Directorate for Protecting Families and Children from Domestic Violence has established two police units in Baghdad, one in Karkh and the other in Rusafah, and a unit in each governorate. They act to protect families and children from violence arising within the family, or from relatives (descendants or antecedents of the first or second degrees of kinship).
(…)
130. According to the Domestic Violence Act in Kurdistan Region, beating family members or children under any pretext constitutes domestic violence. It is forbidden, moreover, to use torture to obtain confessions.
27. Op 18 juli 2025 publiceert het Internationaal Comité haar ‘Concluding observations on the combined fifth and sixth periodic reports of Iraq’ [24] . Hierin is ten aanzien van de aanpak van huiselijk geweld tegen kinderen onder andere het volgende te lezen [25] :
“The Committee notes the adoption of two national strategies and the establishment of the Directorate for Protecting Families and Children from Domestic Violence. The Committee remains seriously concerned, however, about:
(a) The delays in the adoption of the draft law against domestic violence;
(b) The provisions in the Penal Code that allow “the disciplining of a wife by her husband, the disciplining by parents and teachers of children under their authority within certain limits prescribed by law or by custom”, as interpreted by the Federal Supreme Court, and provide mitigating circumstances for so-called “honour killings” and for the impunity of perpetrators of rape in some cases where they marry the girl they have abused;
(c) The lack of adequate resources allocated for the implementation of Act No. 8 of 2011 on combating domestic violence in the Kurdistan Region; 7 GE.25-09296 CRC/C/IRQ/CO/5-6
(d) The rise in cases of domestic violence, its underreporting and the lack of thorough investigations and inefficiency of court processes in handling cases of domestic violence;
(e) …”
28. Anders dan de minister, is de rechtbank van oordeel dat uit het Iraq Country focus rapport van de EUAA niet volgt dat aannemelijk is dat eiser ook daadwerkelijk bescherming zal kunnen verkrijgen van de Iraakse autoriteiten als hij melding maakt van de mishandelingen door zijn stiefvader. Geweld tegen kinderen is wettelijk gezien nog steeds toegestaan en een nadere onderbouwing van een daadwerkelijke en effectieve aanpak tegen huiselijk geweld is niet te vinden. Het Internationaal Comité maakt zich over huiselijk geweld tegen kinderen en de aanpak van de Iraakse autoriteiten juist nog steeds ernstige zorgen. Deze zorgen worden verstrekt als het gaat om de Koerdische regio. Eisers moeder, stiefvader en vader wonen in [woonplaats] , in de Koerdische regio.
Conclusie ten aanzien van de gegronde vrees bij terugkeer
29. De rechtbank stelt aldus vast dat de minister niet aannemelijk heeft weten te maken dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging en ernstige schade heeft wanneer hij terug moet keren naar Irak. De rechtbank is voorts geen andere landeninformatie bekend geworden op grond waarvan kan worden gezegd dat het aannemelijk is dat eiser van de Iraakse autoriteiten adequate bescherming tegen de mishandelingen van zijn stiefvader zal kunnen krijgen. Sterker, de gevonden landeninformatie onderstreept alleen maar het gebrek aan bescherming van slachtoffers van huiselijk geweld [26] .
30. Dat betekent dat eiser niet kan terugkeren naar Irak en dat aan eiser internationale bescherming als vluchteling dient te worden verleend.
31. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

Conclusie en gevolg

32. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank draagt de minister op om eiser een verblijfsvergunning asiel als vluchteling te verlenen.
33. Nu op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
34. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL25.53817:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • verwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.53818:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank, in beide zaken:
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van €2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
mr.L.M. Jongejans, griffier.

BIJLAGE – Samenvatting van de uitspraak voor [eiser]

Beste [eiser] ,
Op 20 mei hebben wij met elkaar gepraat bij de rechtbank. Dat was kort voor de zitting, samen met mijn assistent. Weet je dat nog?
Jij hebt me toen verteld dat je het niet leuk vindt dat de minister heeft bepaald dat jij terug moet naar Irak. Jij hebt daar geen leven en geen doel. Het ging daar al heel slecht en als je terug moet zal het niet beter worden. Je bedoelt daarmee de situatie met je stiefvader en dat je daar niet kunt werken en studeren. Je denkt dat als je terug moet keren dat het net zo erg als vroeger zal worden of erger.
Je hebt me toen ook verteld waarom je steeds niet naar je stiefvader luisterde. Je hebt me toen gezegd dat je je geen moslim voelde. En dat je je nu ook geen moslim voelt. En dat dat gevoel eigenlijk alleen maar groter is geworden sinds je in Nederland bent. Je hebt me toen ook verteld dat je heel bang bent dat ze daar in Irak achter zullen komen en dat ze jou dan dood zullen maken. Aan het einde van het gesprek zei je me dat je graag tegen de minister zou willen zeggen dat je beter hier dood kunt gaan dan terugkeren.
Daarna hadden we samen afgesproken dat ik dit mocht vertellen op de rechtszitting. Daar was jij toen ook bij. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing is. Daarom schrijf ik je nu deze brief.
Mijn beslissing is dat ik vind dat de minister zijn werk niet goed heeft gedaan. Ik vind dat de minister niet goed heeft nagedacht over wat het voor jou betekent als jij weer terug moet naar Irak. Ik denk dat als jij terug zou moeten naar Irak, dat de kans dan te groot is dat jij weer opnieuw door je stiefvader zult worden mishandeld. En dat ik denk dat niemand jou daar dan goed tegen zal kunnen beschermen. Vandaar dat ik heb besloten dat jij in Nederland moet kunnen blijven. En dat de minister jou daarom een asielvergunning moet geven. Zodat je ook kunt laten zien dat je hier in Nederland mag wonen.
Ik moet je nog wel vertellen dat het kan zijn dat de minister het niet eens is met mijn beslissing. Hij kan dan ‘in hoger beroep’ gaan. Dat betekent dat hij dan aan hogere rechters vraagt of mijn beslissing juist is. Het kan dan dat de hogere rechters anders beslissen. Of niet, dat is ook mogelijk. Daar moet je dan op wachten, en dat kan soms best wel lang duren.
En als de minister niet ‘in hoger beroep’ gaat dan is mijn beslissing definitief en is het daarmee voor jou klaar.
Ik hoop dat het voor jou duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik die beslissing heb genomen. Ik hoop dat het goed met je zal blijven gaan, [eiser] .
Hartelijke groet,
Rein Odink, de rechter
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Paragraaf C1/4.1 onder 5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) (geldig tot 12 juni 2026), thans paragraaf C3/4.1 onder 5 van de Vc.
3.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Op grond van paragraaf C1/4.1 onder 5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) (geldig tot 12 juni 2026), thans paragraaf C3/4.1 onder 5 van de Vc..
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, met name r.o. 8.6.
9.Pagina 5 van het nader gehoor.
10.Pagina 14 van het nader gehoor.
11.Pagina 14 van het nader gehoor.
12.Pagina 14 van het nader gehoor.
13.Pagina 15 van het nader gehoor.
14.Pagina 15 van het nader gehoor.
15.Pagina 16 van het nader gehoor.
16.UNHCR Guidelines on International Protection No. 8: Child Asylum Claims under Articles 1(A)2 and 1(F) of the 1951 Convention and/or 1967 Protocol relating to the Status of Refugees, 22 December 2009 HCR/GIP/06/07.
17.Richtlijn 2011/95/EU.
18.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971, r.o. 3.1.
19.Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
20.‘to dispel any doubts’, EHRM o.a. de uitspraak van 9 maart 2010, R.C. tegen Zweden, ECLI:CE:ECHR:2010:0309JUD004182707.
21.European Union Agency for Asylum (formerly: European Asylum Support Office, EASO): Iraq - Country Focus, October 2025, p. 103.
22.OHCHR, ‘Experts of the Committee on the Rights of the Child Praise Iraq’s Child Rights Strategy, Raise Issues Concerning Child Marriage and Corporal Punishment’. Te raadplegen via:
23.Te raadplegen via:
24.Te raadplegen via:
25.Zie pagina 7 en 8 van de Concluding Observations van het Internationaal Comité.
26.Zie bijvoorbeeld Amnesty International, ‘Daunting and Dire: Impunity, Underfunded Institutions Undermine Protection of Women and Girls From Domestic Violence in the Kurdistan Region of Iraq’ 3 juli 2024.