ECLI:NL:RVS:2026:1971
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- B. Meijer
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens motiveringsgebrek
Appellant, van Ethiopische nationaliteit en lid van de Oromo-bevolkingsgroep, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees dit verzoek op 7 juli 2025 af, waarna de rechtbank Den Haag het beroep van appellant ongegrond verklaarde. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling constateerde dat de minister wel aannam dat appellant had deelgenomen aan demonstraties in 2015 en 2016, maar niet dat hij als gevolg daarvan was gearresteerd. Ook achtte de minister het niet aannemelijk dat de autoriteiten nog naar appellant op zoek waren of dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade liep. De rechtbank had een motiveringsgebrek van de minister over de geloofwaardigheid van de arrestaties gepasseerd, wat de Afdeling onterecht vond.
De Afdeling oordeelde dat het motiveringsgebrek over de arrestaties doorwerkt in de beoordeling van het risico op vervolging en ernstige schade bij terugkeer. Volgens het toepasselijke recht verschuift bij eerdere vervolging de bewijslast naar de minister om te motiveren waarom herhaling niet te verwachten is. De Afdeling vernietigde daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor een nieuw besluit, waarbij de minister ook de proceskosten aan appellant moet vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit.