Uitspraak
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
De beoordeling van de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
NL25.37310NL25.61981:
NL25.33552NL25.61982:
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Georgische nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 30 oktober 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie op 10 december 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht gelijktijdig om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen en opvangvoorzieningen te behouden.
De rechtbank behandelde het beroep op 30 juni 2026, waarbij eiser niet aanwezig was en zijn gemachtigde zich had afgemeld. Verweerder gaf aan dat eiser op 26 maart 2026 met onbekende bestemming was vertrokken (MOB-melding) en de gemachtigde van eiser had op 24 juni 2026 geen contact meer met hem.
De rechtbank oordeelde dat door het vertrek met onbekende bestemming en het ontbreken van contact met de gemachtigde, eiser geen procesbelang meer heeft bij de procedure. Dit leidde tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Tevens werd beoordeeld of bijzondere omstandigheden aanwezig waren die een schending van artikel 3 EVRM Pro zouden opleveren bij gedwongen overdracht, maar dit werd ontkennend beantwoord.
Daarom wees de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening af en besloot geen proceskosten toe te kennen. De uitspraak werd gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzieningenrechter, en is openbaar bekendgemaakt op 27 juli 2026.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.