ECLI:NL:RBDHA:2026:21073

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
NL25.27992
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over hijabverbod in Tadzjikistan

Eiseres, van Tadzjiekse nationaliteit, vroeg asiel aan vanwege vrees voor vervolging door het dragen van een hijab in Tadzjikistan. De minister wees haar aanvraag af, stellende dat er geen algeheel hijabverbod is en dat de problemen incidenteel zijn. De rechtbank vernietigde eerder een besluit wegens motiveringsgebrek, waarna de minister opnieuw afwees.

De rechtbank oordeelt dat de minister weliswaar voldoende heeft gemotiveerd dat er geen algemeen hijabverbod is, maar onvoldoende rekening heeft gehouden met de actuele situatie in Tadzjikistan. Er is sprake van een verkapte ontmoediging en intimidatie van vrouwen die een hijab dragen, wat niet adequaat is meegewogen.

Verder miskent de minister dat eiseres zich in het verleden tegen haar wil aanpaste en dat haar religieuze identiteit zich heeft ontwikkeld. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom de oproep als getuige door de autoriteiten geen risico op vervolging inhoudt.

De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868,-.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over het hijabverbod en de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27992

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres]en minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Berends),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: J. Isibor).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft, mede namens haar drie minderjarige kinderen, een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Tadzjiekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. De minister heeft met het besluit van 23 juli 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 juli 2024. Op 28 februari 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, dat besluit vernietigd wegens een motiveringsgebrek. [1] De rechtbank heeft de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 mei 2025 opnieuw de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft gereageerd op het verweerschrift van de minister.
6. De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Avakyan als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
7. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft van 2013 tot 2021 in Saoedi-Arabië gewoond en gestudeerd. De Tadzjiekse autoriteiten hebben geëist dat studenten in Arabische landen terugkeren naar Tadzjikistan. Eiseres heeft verklaard dat de Tadzjiekse autoriteiten familieleden van haar hebben benaderd om naar haar te informeren. Eiseres vreest bij terugkeer problemen te krijgen met de autoriteiten, mede vanwege het dragen van haar hijab. In 2021 is eiseres teruggekeerd naar Tadzjikistan om paspoorten voor haar kinderen te regelen. Na een maand verliet eiseres Tadzjikistan.
Het bestreden besluit
8. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen als gevolg van studie in Saoedi-Arabië;
problemen vanwege het dragen van een hijab.
9. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste en het derde asielmotief geloofwaardig zijn. Het tweede asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig. In het kader van het tweede asielmotief werpt de minister tegen dat eiseres van 13 november 2021 tot 29 december 2021 in Tadzjikistan heeft verbleven zonder problemen te hebben ondervonden en dat zij vervolgens op legale wijze en zonder problemen Tadzjikistan heeft kunnen uitreizen. Ook werpt de minister tegen dat de overgelegde invrijheidsstelling van de vader van eiseres niet op haar persoonlijke situatie ziet. Ten slotte overweegt de minister dat de omstandigheid dat uit openbare bronnen blijkt dat de Tadzjiekse autoriteiten inderdaad studenten hebben gevraagd terug te keren, onvoldoende is om aan te nemen dat dit ook het geval was bij eiseres. In de uitspraak van 28 februari 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het tweede asielmotief terecht ongeloofwaardig is geacht.
10. De minister heeft de geloofwaardige asielmotieven beoordeeld op zwaarwegendheid. In dit kader stelt de minister zich op het standpunt dat de problemen van eiseres vanwege het dragen van een hijab niet zwaarwegend genoeg zijn. Immers, het aanhangen van de islam is toegestaan in Tadzjikistan en het dragen van een hijab is niet bij wet verboden. De problemen die vrouwen in Tadzjikistan ondervinden vanwege het dragen van een hijab, zijn volgens de minister incidenteel. Bovendien heeft eiseres verklaard dat zij zich altijd heeft geconformeerd aan de geldende normen in Tadzjikistan. De minister overweegt dat van eiseres verwacht mag worden dat zij dat bij terugkeer ook doet.
11. In de uitspraak van 28 februari 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de stelling van de minister, dat er geen sprake is van een algeheel verbod op het dragen van een hijab, onvoldoende gemotiveerd is. In het bestreden besluit heeft de minister dit standpunt daarom nader gemotiveerd. De minister overweegt als volgt.
12. Op 20 juni 2024 is in Tadzjikistan een wet aangenomen over de regulering van vieringen en ceremonieën (hierna: de wet). In deze wet wordt een aantal zaken gereguleerd rond vieringen zoals verjaardagen, terugkeer van de hadj, bruiloften en begrafenissen. In artikel 18 van Pro deze wet gaat het over de verplichtingen van burgers bij het uitvoeren van vieringen en ceremonies. Eén van die verplichtingen is dat nationale kleding gedragen moet worden. In diezelfde bepaling staat dat de import, verkoop en promotie van buitenlandse kleding verboden is evenals het dragen van dergelijke kleding op openbare plekken. De minister vindt van belang dat de wet geen lijst bevat van specifiek verboden kleding. Verder verwijst de minister naar artikel 481 van Pro het Tadzjiekse wetboek van administratieve overtredingen. Deze bepaling bevestigt volgens de minister dat het gaat om de specifieke context van vieringen en ceremonies en niet over een algemeen verbod. Het dragen van kleding, zoals de hijab, wordt niet expliciet beboet. Bij de minister zijn ook geen gevallen bekend waarbij het dragen van de hijab na het invoeren van deze wet is beboet. Dit zou wel in de lijn der verwachtingen liggen wanneer de wet zou zijn bedoeld om het dragen van de hijab te bestrijden.
13. De minister concludeert opnieuw dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege het dragen van een hijab in Tadzjikistan. Eiseres komt daarom volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Ook loopt eiseres bij terugkeer volgens de minister geen reëel risico op ernstige schade waardoor eiseres evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De minister wijst de asielaanvraag van eiseres af als ongegrond.
De beroepsgronden
14. Eiseres voert aan dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er in Tadzjikistan geen sprake is van een algeheel verbod op het dragen van een hijab. Eiseres betoogt dat de minister een verkeerde, te beperkte, uitleg geeft aan de wet van 20 juni 2024 door te stellen dat deze alleen vieringen, rituelen en ceremonies reguleert. Volgens eiseres bevat de wet een verkapt algeheel verbod op het dragen van de hijab.
15. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar landeninformatie. Zo volgt volgens eiseres uit een rapport van US Commission on International Religious Freedom (USCIRF) dat de wet niet alleen te gelden heeft tijdens vieringen en ceremonies, maar dat de Tadzjiekse autoriteiten structureel overgaan tot repressieve maatregelen. [2] Uit dit rapport volgt verder dat de president van Tadzjikistan in maart 2025 een speech gaf over de Tadzjiekse nationale en religieuze waarden waarin hij het dragen van buitenlandse kleding, zoals hijabs, linkte aan religieus extremisme. Vervolgens werden er in het land campagnes gevoerd voor het dragen van nationale kleding en het voorkomen van extremisme en werden er mensen gearresteerd. In mei 2025 werden vrouwen die hun hoofddoek op een niet-Tadzjiekse manier droegen, toegang geweigerd tot een ziekenhuis en bedreigd met boetes. Ook Human Rights Watch rapporteerde dat de wet in de praktijk hijabs en andere religieuze kledij verbiedt. [3] Verder schreven onder meer Le Monde [4] en de Amerikaanse Congressional Research Service [5] over een verbod op uiterlijke tekenen van religie zoals baarden, hijabs en zwarte kleding. Eiseres betoogt verder, onder verwijzing naar diverse bronnen, dat het dragen van een hijab, anders dan de minister stelt, wel degelijk beboet kan worden. [6]
16. Eiseres stelt dat deze maatregelen ter beperking van de godsdienstvrijheid in Tadzjikistan te gelden hebben als een daad van vervolging. Het niet mogen dragen van een hijab vormt volgens eiseres een bedreiging voor haar recht op vrijheid van religie. Onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 september 2012 [7] en 4 oktober 2018 [8] en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 november 2012 [9] en 19 januari 2022 [10] , betoogt eiseres dat van haar niet verwacht mag worden dat zij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van haar religie in Tadzjikistan.
17. Ten slotte stelt eiseres dat de minister ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken hoe eiseres haar geloof belijdt, hoe zij haar geloof bij terugkeer wil belijden en of zij bij terugkeer vanwege het dragen van een hijab in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal komen te staan. Eiseres meent dat zij al in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten. Zij heeft namelijk een oproep ontvangen om te verschijnen als getuige bij de Afdeling Strafrechtelijke Opsporing van het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Tadzjikistan. Eiseres heeft hiervan een kopie overgelegd, omdat het voor haar te gevaarlijk is om het origineel per post het land uit te sturen. Volgens eiseres gebruiken de Tadzjiekse autoriteiten deze oproep als voorwendsel om haar vervolgens te arresteren. Eiseres heeft landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de Tadzjiekse autoriteiten dit vaker doen. [11]
18. Gelet op het voorgaande, heeft de minister volgens eiseres niet deugdelijk gemotiveerd dat zij bij terugkeer naar Tadzjikistan, ondanks het dragen van een hijab, geen risico loopt op vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade.
Het oordeel van de rechtbank
19. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er in Tadzjikistan geen sprake is van een algeheel verbod op het dragen van een hijab. Noch uit de wettekst noch uit de door eiseres overgelegde landeninformatie volgt dat het dragen van een hijab in het openbaar in het dagelijks leven in Tadzjikistan bij wet verboden is. Evenmin volgt uit de wet of uit de landeninformatie dat het dragen van een hijab in het openbaar in het dagelijks leven beboet wordt. De bronnen waar eiseres naar heeft verwezen spreken hooguit van gevallen waarin de autoriteiten dreigden met boetes. De rechtbank kan het standpunt van de minister volgen dat uit de landeninformatie niet volgt dat het strafrecht wordt ingeroepen voor het dragen van een hijab.
20. Het bovenstaande neemt niet weg dat de zwaarwegendheid van de problemen van eiseres vanwege het dragen van een hijab, beoordeeld moet worden in het licht van de actuele situatie in Tadzjikistan. Uit de door eiseres overgelegde landeninformatie komt naar voren dat in Tadzjikistan een sterk nationalistisch sentiment heerst. De Tadzjiekse autoriteiten promoten nationale gebruiken en leggen beperkingen op voor het dragen van ‘buitenlandse kleding’. Zo kan de toegang tot ziekenhuizen, scholen en andere openbare faciliteiten worden geweigerd aan vrouwen die een hijab dragen. [12] Er kan dus wel degelijk gesproken worden van een verkapte ontmoediging van het dragen van een hijab. Ook is er sprake van intimidatie. Er zijn gevallen bekend waarbij vrouwen met hijab mishandeld werden. [13] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze context onvoldoende betrokken dan wel meegewogen bij zijn besluit. Dit levert een motiveringsgebrek op. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De minister zal opnieuw moeten beoordelen of eiseres, vanwege het dragen van een hijab, een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade.
21. Hierbij is van belang dat uit vaste jurisprudentie volgt dat van eiseres geen terughoudendheid mag worden verwacht bij het uitoefenen van haar religie. [14] De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat van eiseres verwacht mag worden zij zich bij terugkeer conformeert aan de geldende normen in Tadzjikistan, omdat zij dit in het verleden ook heeft gedaan. De minister vindt hierbij van belang dat eiseres heeft verklaard dat zij haar hijab af deed op school of bij het aanvragen van een paspoort. Hiermee miskent de minister echter dat, hoewel eiseres zich conformeerde aan de geldende normen, dit tegen haar zin was en dat dit inmiddels ongeveer vijftien jaar geleden is. [15] In de tussentijd heeft eiseres acht jaar in Saoedi-Arabië verbleven waar zij de Arabische taal en de Koran studeerde. De tijd in Saoedi-Arabië heeft bijgedragen aan de vorming van de (religieuze) identiteit van eiseres, waar het dragen van een hijab onderdeel van is. [16] Dit moet door de minister betrokken worden bij beantwoording van de vraag in hoeverre van eiseres verwacht mag worden dat zij zich bij terugkeer naar Tadzjikistan conformeert naar de aldaar geldende normen.
22. Ten slotte moet de minister in zijn nieuwe beoordeling van de zwaarwegendheid betrekken dat eiseres een document heeft overgelegd waarin zij door de Tadzjiekse autoriteiten wordt opgeroepen als getuige. Het standpunt van de minister uit zijn verweerschrift, dat hieruit niet volgt dat eiseres persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging dan wel een schending van artikel 3 EVRM Pro, is gelet op de door eiseres ingebrachte landeninformatie op dit punt, [17] onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiseres gelijk heeft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen.
24. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
25. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 28 mei 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.USCIRF, ‘2025 Annual Report – Tajikistan’ ( [internetsite 1] ).
3.Human Rights Watch, ‘World Report 2025 – Tajikistan’ ( [internetsite 2] ).
4.Le Monde, ‘Tajikistan prohibits “black clothes” after hijab ban’, 9 augustus 2024 ( [internetsite 3] ).
5.Congressional Research Service, ‘Tajikistan’, 28 maart 2025 ( [internetsite 4] ).
6.Morocco World News, ‘Tajikistan Passes Bill to Ban Hijab Despite 98% Muslim Population’, 21 juni 2024 ( [internetsite 3] ), The Jerusalem Post, ‘Muslim-majority Tajikistan approves hijab ban – interview’, 27 juni 2024 ( [internetsite 5] ) en Radio Free Europe Radio Liberty, ‘Tajikistan Set To Outlaw Islamic Hijab After Years of Unofficial Ban’, 4 juni 2024 ( [internetsite 6] ).
7.Arrest Y en Z, ECLI:EU:C:2012:518.
8.Arrest Bahtiar Fathi, ELCI:EU:C:2018:803.
11.International Partnership for Human Rights, Helsinki Foundation for Human Rights en SOS-Torture Network, ‘Tajikistan: Torture, ill-treatment and ongoing impunity - Briefing paper for government delegations ahead of the Universal Periodic Review of Tajikistan’, 29 maart 2016 ( [internetsite 7]
12.Zie voetnoot 2.
13.Idem.
14.Zie voetnoot 7 t/m 10.
15.Rapport nader gehoor, blz. 7.
16.Rapport nader gehoor, blz. 13.
17.Zie voetnoot 11.