ECLI:NL:RBDHA:2026:21088

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
NL25.41296
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid asielaanvraag zonder heroverweging

Eiser diende op 15 april 2022 een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel in, die door de minister op 22 augustus 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank behandelde het beroep en constateerde dat eiser geen eigen asielmotieven heeft; zijn aanvraag hangt volledig samen met die van zijn echtgenote.

De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek vertoont, met name ten aanzien van de beoordeling van medische rapporten en geloofwaardigheid van het asielrelaas van de echtgenote. De minister diende een aanvullende motivering in, waarop de echtgenote reageerde. De rechtbank concludeert dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom nader medisch onderzoek niet nodig is, maar acht de aanvullende motivering uiteindelijk toereikend.

De rechtbank stelt vast dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de overgelegde documenten en verklaringen niet leiden tot een geloofwaardig asielrelaas. Het EASO-rapport uit 2021 wordt niet als nieuw feit aangemerkt en leidt niet tot heroverweging van eerdere besluiten. Gelet op het motiveringsgebrek wordt het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. De minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding, maar gezien samenhang met de zaak van de echtgenote wordt geen dubbele vergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkheid wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41296

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

geboren op [datum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [numer] ,
(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 15 april 2022 een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 augustus 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [1] , op zitting behandeld. Op de zitting zijn ook het beroep en de voorlopige voorziening van de echtgenote van eiser, [naam 2] , behandeld. [2] Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
1.2.
De rechtbank heeft op 20 november 2025 een tussenuitspraak gedaan in de zaak van de echtgenote van eiser. Hierin heeft zij geoordeeld dat sprake is van een motiveringsgebrek en is de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na plaatsing van de tussenuitspraak in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen in de tussenuitspraak.
1.3.
De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak bij brief van 10 december 2025 een aanvullende motivering ingediend. De echtgenote van eiser heeft bij brief van 30 januari 2026 een schriftelijke reactie gegeven op de aanvullende motivering van de minister.
1.4.
De minister heeft aangegeven een tweede zitting te willen. De rechtbank heeft het beroep van de echtgenote van eiser op 22 juni 2026 op een tweede zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van de echtgenote en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat eiser geen eigen asielmotieven heeft. De asielaanvraag van eiser hangt dan ook volledig samen met de asielaanvraag van zijn echtgenote.
3. Het asielrelaas van de echtgenote van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen door de moord op de legerofficier/soldaat en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De problemen door de moord op de legerofficier/soldaat en de daaruit voortvloeiende problemen zijn niet geloofwaardig geacht.
4. In de tussenuitspraak in de zaak van de echtgenote van eiser heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat er problemen waren met de tolk. Evenmin is gebleken dat er onvoldoende rekening is gehouden met de medische toestand van de echtgenote en de overgelegde stukken. De minister was voorafgaand aan het gehoor dan ook niet gehouden om nader medisch onderzoek te verrichten. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent. De rechtbank heeft overwogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de conclusies van het A-onderdeel onvoldoende inzichtelijk en concludent zouden zijn, mede gelet op de toelichting van het iMMO van 30 september 2025. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak.
5. De minister heeft zich in de brief van 10 december 2025 – samengevat – op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is dat de conclusies uit het A-onderdeel niet inzichtelijk en concludent zijn en hiertoe een aanvullende motivering gegeven. De minister heeft verder toegelicht dat de kwalificaties in het A-onderdeel niet uitsluiten dat er mogelijke andere oorzaken zijn voor de medische problematiek.
6. De echtgenote van eiser heeft, onder verwijzing naar een brief van iMMO van 27 januari 2026, gereageerd op de reactie van de minister en de tussenuitspraak. Het iMMO stelt dat het bij het B-onderdeel niet alleen om de medische klachten gaat die een rol spelen bij geheugenproblematiek, maar ook om medische problematiek of bijzonderheden die van invloed zijn op het afleggen van verklaringen, zoals wantrouwen, schaamte of een verstandelijke beperking. Bij de echtgenote was zowel tijdens de eerste procedure als tijdens de opvolgende aanvraag sprake van psychische problematiek. Uit het FMMU-advies kwam naar voren dat sprake was van beperkingen bij het horen en beslissen. Hoe de medische problematiek op welk moment tijdens de gehoren heeft uitgepakt bij de echtgenote, daar kan iMMO zoveel tijd na de gehoren geen onderzoek naar doen. Indien de minister dat had willen weten, dan kon hij daar ten tijde van de gehoren passend onderzoek naar doen. Ten aanzien van het A-onderdeel is door het iMMO overwogen dat in de brief van 30 september 2025 uiteengezet is hoe de conclusies in deze zaak tot stand zijn gekomen. Er wordt onvoldoende gemotiveerd waarom de verwijzing naar het Istanbul Protocol onvoldoende is. Een inhoudelijke betwisting van een iMMO-rapport kan volgens de Afdeling van 2 april 2025 [3] uitsluitend door een medische deskundige worden verricht. Tot slot stelt iMMO dat hij onderzoek doet naar de mate waarin medische klachten aanwezig zijn en geen uitspraak doet over de geloofwaardigheid van het relaas. Wel kunnen de resultaten van het onderzoek een belangrijke bijdrage leveren aan de beoordeling van de geloofwaardigheid.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. Ten aanzien van het B-onderdeel van het iMMO-rapport heeft de rechtbank in de tussenuitspraak in de zaak van de echtgenote, onder verwijzing naar de uitspraak van 2 april 2025 van de Afdeling, overwogen dat de conclusies ten aanzien van het B-onderdeel onvoldoende inzichtelijk maken waarom en in hoeverre de klachten van de echtgenote zouden hebben geleid tot een interferentie met het vermogen om compleet, coherent en consistent over het asielrelaas te verklaren. De rechtbank ziet in de reactie van het iMMO geen aanleiding om hiervan terug te komen. Dat niet enkel wordt gekeken naar medische klachten die een rol spelen bij geheugenproblematiek, maar ook naar medische problematiek of bijzonderheden die van invloed zijn op het afleggen van verklaringen, zoals wantrouwen, schaamte of een verstandelijke beperking, leidt niet tot een ander oordeel. Hiermee wordt namelijk evenmin inzichtelijk op welke wijze deze beperkingen hebben bijgedragen aan het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Dat het niet mogelijk is om zoveel tijd na de gehoren onderzoek te doen naar de wijze waarop de medische problematiek heeft doorgewerkt acht de rechtbank begrijpelijk, maar dit maakt niet dat geconcludeerd moet worden dat de klachten hebben doorgewerkt in het vermogen van de echtgenote om compleet, coherent en consistent te verklaren. Er is immers niet inzichtelijk geworden waarom en in welke mate deze problematiek zou hebben doorgewerkt in het vermogen om te kunnen verklaren. Zoals reeds in de tussenuitspraak is overwogen is de rechtbank verder van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de medische situatie van de echtgenote voorafgaand aan en tijdens het gehoor. Er is immers kennisgenomen van de medische informatie, er zijn eenvoudige vragen gesteld en er zijn verschillende pauzes ingelast. Uit de medische stukken volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit onvoldoende zou zijn.
9. Ten aanzien van het A-onderdeel van het iMMO-rapport heeft de rechtbank in de tussenuitspraak onder meer overwogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de conclusies voor wat het betreft dat onderdeel onvoldoende inzichtelijk en concludent zouden zijn. In aanvulling op wat de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen, overweegt de rechtbank het volgende. De minister heeft in de besluitvorming uiteengezet dat het iMMO niet inzichtelijk zou hebben gemaakt hoe zij op basis van het geheel van de medische klachten tot de verschillende gradaties is gekomen en hoe de verschillende conclusies en gradaties zich tot elkaar verhouden. Dat er een verband kan zijn tussen het incident uit 2009 en 2013 is volgens de minister eveneens onvoldoende om de gradatie typerend te kunnen geven. De motivering in de besluitvorming ziet dan ook op de vraag of de conclusies voldoende inzichtelijk en concludent zijn. De rechtbank heeft in dat kader overwogen dat, mede gelet op de brief van 30 september 2025 van het iMMO waarin een nadere motivering is gegeven voor wat betreft het toekennen van de verschillende gradaties, door de minister onvoldoende is gemotiveerd dat de conclusies onvoldoende inzichtelijk en concludent zouden zijn.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de brief van 10 december 2025 en op de zitting van 22 juni 2026 alsnog voldoende gemotiveerd heeft dat en waarom de bevindingen uit het A-onderdeel niet leiden tot het doen van nader onderzoek. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister onder meer nader heeft gemotiveerd dat en waarom de verschillende gradaties niet afdoen aan het gegeven dat de medische klachten ook andere oorzaken kunnen hebben. Zo heeft de minister toegelicht dat de littekens weliswaar betekenis hebben, maar dat uit de conclusies van het A-onderdeel niet volgt dat de littekens niet onder andere omstandigheden tot stand gekomen kunnen zijn. Daarom kan hieraan niet de betekenis toekomen die de echtgenote van eiser daaraan gehecht wenst te zien. Datzelfde geldt voor de psychische klachten van de echtgenote. De rechtbank acht hierbij van belang dat de kwalificatie ‘consistent’ betekent dat de littekens veroorzaakt kunnen zijn door de door de echtgenote gestelde groepsverkrachting, maar dat er ook andere oorzaken mogelijk zijn. [4] Hetzelfde geldt voor de kwalificatie ‘zeer consistent’. Ook de kwalificatie ‘typerend’ voor de psychische klachten en het geheel van de medische problematiek van de echtgenote sluit andere mogelijke oorzaken niet uit. De rechtbank acht hierbij eveneens van belang dat het iMMO, zoals door het iMMO ook is aangegeven in de reactie van 27 januari 2026, met zijn kwalificaties geen uitspraak doet over de geloofwaardigheid van het asielrelaas. De minister heeft in het licht van het voorgaande terecht overwogen dat de conclusie dat het gestelde geweldsincident uit 2009 invloed kan hebben gehad op de reactie van de echtgenote tijdens het gestelde incident in 2013 en dat hiertussen een verband kan zijn, niet maakt dat mogelijke andere oorzaken zijn uitgesloten. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om nader medisch onderzoek te verrichten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank eveneens van oordeel dat de minister in het iMMO-rapport geen aanleiding heeft hoeven zien om over te gaan tot de heroverweging van de afwijzing van de eerste asielaanvraag van de echtgenote.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit aan de hand van de door de echtgenote overgelegde documenten verder voldoende gemotiveerd waarom deze documenten niet leiden tot een geloofwaardig asielrelaas. De minister heeft hierbij terecht betrokken dat uit het onderzoek van Bureau Documenten blijkt dat het artikel uit The Nigerian Observer met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet in deze verschijningsvorm is uitgegeven en dat uit verschillende openbare bronnen volgt dat in Nigeria sprake is van zogeheten
“brown envelope journalism”en dat dit specifiek geldt voor The Nigerian Observer. Verder heeft de minister er op gewezen dat de informatie uit de kopie van de extract from crime diary van 20 september 2023 niet op authenticiteit kan worden onderzocht en dat de inhoud ervan tegenstrijdig is met de verklaringen van de echtgenote. In het bericht wordt immers genoemd dat de moord is gepleegd op 20 september 2013 om 20:15 uur, terwijl de echtgenote heeft verklaard dat de moord op 14 of 15 augustus om 10:00 of 11:00 uur in de ochtend is gepleegd. Daarnaast heeft de minister overwogen dat de informatie uit de kopie opsporingsbericht van de Special Police Gazette Bulletin evenmin overeenkomt met de verklaringen van de echtgenote. Zo wordt de gezochte persoon in het bericht aangeduid met “he” en “him” en komt de leeftijd van de echtgenote ten tijde van het opsporingsbericht niet overeen met de leeftijd vermeld in het bericht. De minister heeft dan ook terecht overwogen dat de door de echtgenote overgelegde documenten niet overeenkomen met haar verklaringen.
11. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat de echtgenote met haar verklaringen de problemen met Martin niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daarbij overwogen dat de echtgenote niet aannemelijk heeft gemaakt wat de reden was voor de omslag bij Martin, waardoor zij problemen met hem heeft gekregen. Daarnaast heeft de minister terecht aan haar tegengeworpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment dat Martin op de hoogte is geraakt van de arrestatie van zijn zus, over de vraag of Martin haar heeft geholpen met haar vertrek naar Italië en over de vraag waar Martin verbleef op het moment dat de echtgenote was gevlucht naar het huis van haar moeder.
EASO rapport van 26 april 2021
11. De echtgenote stelt verder dat, als het EASO rapport van 26 april 2021 bij de beoordeling in de eerste asielprocedure zou zijn betrokken, dat het zeer aannemelijk is dat de problemen met Martin wel geloofwaardig zouden zijn geacht. Daarom is verzocht om een bestuurlijke heroverweging. Ook feitelijke informatie waarmee een vreemdeling alsnog een bepaalde feitenconstellatie kan onderbouwen die ten tijde van de voorgaande procedure al bestond, kan aanleiding zijn om over te gaan tot heroverweging. Te meer nu een objectieve bron wordt verstrekt die duidt op bestuurlijke dwaling in de eerdere asielprocedure.
11. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het EASO rapport waarnaar wordt verwezen geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is en daarom geen rol kan spelen in de beoordeling. De minister heeft aangevoerd dat het EASO rapport in de vorige procedure al is betrokken, zodat het geen nieuw feit is. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister verder toegelicht dat, ondanks dat uit de besluitvorming niet volgt dat het EASO rapport is betrokken bij de beoordeling, de minister ambtshalve kennisneemt van openbare, relevante informatie die betrekking heeft op het asielmotief. De gemachtigde van de minister heeft verder aangevoerd dat evenmin is gebleken dat de echtgenote het EASO rapport niet in de eerdere procedure heeft kunnen inbrengen, zodat het rapport ook om die reden niet in de beoordeling kan worden betrokken.
11. De rechtbank stelt vast dat het EASO rapport dateert van 26 april 2021 en dus van voor het besluit van 19 juli 2021 waarin de eerste asielaanvraag van de echtgenote is afgewezen en de problemen met Martin en in het verlengde daarvan het slachtoffer zijn van mensenhandel ongeloofwaardig is geacht. Dit besluit is met de Afdelingsuitspraak van 9 september 2021 in rechte vast komen te staan. De rechtbank overweegt dat uit de besluitvorming in de eerdere procedure niet volgt dat het EASO rapport kenbaar bij de beoordeling is betrokken. Evenmin blijkt dat in (hoger) beroep is verwezen naar het EASO rapport. De enkele stelling ter zitting van de gemachtigde van de minister dat de minister altijd kennisneemt van relevante, openbare bronnen, acht de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat het EASO rapport reeds bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank is echter met de minister van oordeel dat desondanks geen sprake is van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, nu het rapport dateert van voor het eerdere besluit en niet is gebleken dat het rapport niet eerder overgelegd kon worden. Dat dit door de vorige gemachtigde van de echtgenote niet is aangevoerd, maakt dit niet anders. De rechtbank ziet in het standpunt dat, gelet op het toetsingskader ten tijde van de eerdere aanvraag het EASO rapport als externe indicator had moeten worden meegenomen, geen aanleiding voor een ander oordeel. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het rapport niet leidt tot heroverweging van het eerdere besluit.
11. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat de echtgenote met de verwijzing naar het EASO rapport heeft willen aantonen dat het juist bekenden en/of familie zijn die dochters naar het buitenland laten smokkelen met als doel om geld te verdienen voor de achtergebleven familie. De rechtbank merkt in dit kader op dat de echtgenote echter niet enkel is tegengeworpen dat niet valt in te zien dat Martin, die haar als zus en dochter zou hebben gezien, haar zou hebben geholpen met vluchten om haar vervolgens te dwingen zich te prostitueren en drugs te verkopen. Aan de echtgenote is ook tegengeworpen dat de omslag van Martin te maken zou hebben met het gegeven dat zijn zus door toedoen van de echtgenote in de gevangenis is gekomen, terwijl Martin hiervan al op de hoogte was nog voordat hij haar hielp vluchten naar Italië.

Conclusie en gevolgen

17. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb in stand te laten.
17. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten vergoeden. De rechtbank is echter van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken [5] . Nu de rechtbank de minister in de zaak van de echtgenote van eiser al heeft veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit in de zaak van eiser evenwel te doen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL25.41297.
2.Zaken NL25.41291 en NL25.41292.
5.Zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.