ECLI:NL:RBDHA:2026:21094

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
NL26.40326
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, VwArt. 106, eerste lid, VwArt. 94, eerste lid, VwArt. 5.5 VbArt. 5.6, eerste en tweede lid, Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep tegen overschrijding verblijfstermijn politiecel bij vreemdelingenbewaring

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregel en de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel zelf rechtmatig is opgelegd, omdat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en de minister terecht heeft vastgesteld dat eiser de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De gronden voor bewaring zijn feitelijk juist en er is geen aanleiding om een lichter middel toe te passen. De minister handelt voortvarend in het streven tot uitzetting.

Wel is vastgesteld dat eiser langer dan de toegestane 24 uur in de politiecel heeft verbleven, namelijk ruim 42 uur, wat leidt tot een onrechtmatige tenuitvoerlegging van de maatregel. De kennisgeving aan de rechtbank van de bewaring is bovendien niet onverwijld gedaan. De rechtbank kent daarom een schadeloosstelling van €40 toe voor het te lange verblijf in de politiecel en veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Uitkomst: Beroep gegrond wegens overschrijding verblijfstermijn politiecel met schadeloosstelling van €40, voor het overige ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40326

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring [1] die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. [2] Eiser is het niet eens met die maatregel en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [3]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep, voor zover gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel, gegrond is. Eiser ontvangt daarom een schadeloosstelling en de minister moet de proceskosten van eiser vergoeden. Voor het overige is het beroep ongegrond. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 17 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. [4]
3. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [5]
4. De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding vanuit het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. De gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
5. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. [6] De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. [7] Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [8] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb [9] zich voordoen. [10]
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
6. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting
tot terugkeer.
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft
ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als
kennelijk ongegrond;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft
ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Verblijf politiecel
7. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat eiser langer dan 24 uur in de politiecel heeft verbleven en dat daarmee de termijn van 24 uur is overschreden. Eiser is namelijk op 17 juli 2026 omstreeks 14:45 in bewaring gesteld en heeft het politiebureau op 19 juli 2026 om 08:49 verlaten in verband met uitplaatsing naar het detentiecentrum in Rotterdam. Eiser stelt dat dit gegeven voldoende is om de bewaring onrechtmatig te achten en op te heffen, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 23 februari 2024. [11] De minister stelt dat het hierbij niet gaat om de onrechtmatigheid van de maatregel maar over de onrechtmatigheid van de tenuitvoerlegging daarvan. Indien de rechtbank tot dat oordeel komt, verzoekt de minister om eiser een vergoeding toe te kennen.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat de overschrijding van de termijn van 24 uur leidt tot een onrechtmatige aanvankelijke tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, zoals de Afdeling [12] in haar uitspraak van 27 januari 2025 [13] heeft geoordeeld. Eiser heeft daarom recht op een schadeloosstelling. [14] De rechtbank overweegt daarbij dat de overschrijding niet betekent dat de maatregel zelf onrechtmatig was. De uitspraak waar eiser naar verwijst, is van voor de Afdelingsuitspraak. Omdat sprake is van een overschrijding van de maximale verblijfsduur met ruim 42 uur, stelt de rechtbank de schadeloosstelling, naar de norm van
€ 40,- per dag of gedeelte van de dag, vast op € 40,- (verschil verblijf politiecel en verblijf detentiecentrum).
Is de rechtbank onverwijld in kennis gesteld van de bewaring?
8. Eiser stelt dat de kennisgeving niet onverwijld is gedaan nu hij op vrijdag 17 juli 2026 in bewaring is gesteld en de kennisgeving pas op maandag 20 juli 2026 is verzonden. Volgens eiser moet de maatregel daarom onrechtmatig worden geacht. De minister stelt dat de kennisgeving zo spoedig mogelijk via een geautomatiseerd computersysteem wordt verzonden. De verzending wordt vervolgens op de eerstvolgende werkdag gecontroleerd. Nu eiser op een vrijdag in bewaring is gesteld en de kennisgeving na deze controle op maandag 20 juli 2026 is verzonden, is volgens de minister sprake van een onverwijlde kennisgeving die zo spoedig mogelijk heeft plaatsgevonden. Daarnaast voert de minister aan dat het vereiste van onverwijlde kennisgeving is bedoeld om te waarborgen dat de rechtbank binnen vijftien dagen uitspraak kan doen. De minister stelt zich op het standpunt dat, indien de rechtbank binnen deze termijn uitspraak kan doen, de kennisgeving voldoende tijdig heeft plaatsgevonden.
9. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder, nu hij pas op de derde dag na de bekendmaking van de maatregel van vreemdelingenbewaring een kennisgeving heeft verstuurd aan de rechtbank, niet heeft voldaan aan zijn wettelijke plicht tot onverwijlde kennisgeving. Volgens de rechtbank houdt onverwijld in: meteen, onmiddellijk. Kennisgeving na ruim twee dagen is dus niet onverwijld. Er is dus sprake van een gebrek.
9.1.
Dit gebrek raakt echter niet rechtstreeks aan de rechtmatigheid van de maatregel en brengt dus niet automatisch mee dat de maatregel onrechtmatig is en daarom moet worden opgeheven. Bij de beantwoording van de vraag of de maatregel onrechtmatig is, is ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank oordeelt dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van de minister uitvalt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zij nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na de oplegging van de maatregel uitspraak kan doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de bewaring. Daarnaast is niet gebleken dat eiser door de niet-onverwijlde kennisgeving in zijn belangen is geschaad of anderszins nadeel heeft ondervonden. Het belang van de minister bij voortzetting van de maatregel weegt in dit geval dan ook zwaarder. De rechtbank ziet daarom in dit gebrek geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten.
Grondslag
10. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op
2 februari 2021 een beschikking ontvangen dat zijn asielaanvraag buiten behandeling wordt gesteld, waarbij een terugkeerbesluit en een inreisverbod van 2 jaar is opgelegd. Op 3 januari 2023 is een aanvullend terugkeerbesluit Marokko opgelegd en op 28 maart 2025 een aanvullend terugkeerbesluit Libië. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
11. Eiser betwist alle gronden. De rechtbank stelt daarbij vast dat grond h niet is aangekruist, maar wel is gemotiveerd in de maatregel. Dat is voldoende; daarmee is ook deze grond aan de maatregel ten grondslag gelegd. [15]
11.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. De minister heeft ten eerste de grond a aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Deze grond is feitelijk juist, omdat eiser niet in bezit is van de vereiste reisdocumenten en hij zich zonder toestemming door meerdere lidstaten heeft bewogen. Hieraan heeft de minister terecht de conclusie verbonden dat eiser niet op de voorschreven wijze Nederland is ingereisd. Dat eiser ten tijde van deze reis jong was en stelt dat van een vluchteling niet kan worden verwacht dat hij over een geldig reisdocument of visum beschikt, doet niet af aan de juistheid van deze grond. Daarnaast heeft eiser zich enige tijd aan het toezicht onttrokken. Anders dan eiser stelt, blijkt dit ook uit het dossier. Uit de asielbeschikking van 2 februari 2021 blijkt dat eiser op 17 januari 2021 met onbekende bestemming is vertrokken en daarnaast blijkt uit de toegevoegde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 30 september 2021 [16] , dat eiser sinds 12 juli 2021 met onbekende bestemming was vertrokken. Ook grond b is feitelijk juist. Eiser heeft op 2 februari 2021 een beschikking ontvangen dat zijn asielaanvraag buiten behandeling wordt gesteld, waarbij een terugkeerbesluit en een inreisverbod van 2 jaar is opgelegd. Op 3 januari 2023 is er een aanvullend terugkeerbesluit Marokko opgelegd en op 28 maart 2025 een aanvullend terugkeerbesluit Libië. Dat eiser aangeeft wel te willen meewerken, maar niet wordt geaccepteerd omdat hij niet over identiteitsdocumenten beschikt, leidt niet tot een ander oordeel. Ook de omstandigheid dat eiser stelt wegens een gebrek aan financiële middelen niet heeft kunnen terugkeren, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond De gronden a en b zijn voldoende om de maatregel te dragen. Hieruit volgt reeds het risico op onderduiken. Volledigheidshalve worden de overige gronden ook nog besproken.
Ook grond c is feitelijk juist. Eiser beschikt niet over identiteitsdocumenten en heeft ook geen pogingen gedaan om alsnog aan identiteitsdocumenten te komen. Dat eiser geen contact heeft met familieleden die hem hierbij zouden kunnen ondersteunen, doet aan de juistheid van deze grond niet af.
Ook grond h is terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser heeft aangegeven naar Spanje te willen gaan en niet te willen terugkeren naar Libië. Hieruit blijkt niet, zoals eiser stelt, dat hij wel wil meewerken aan terugkeer
Ook grond j is juist. Eiser heeft op 2 januari 2021 en op 26 mei 2026 een beschikking ontvangen waarin zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel buiten behandeling werd gesteld. Op 7 juni 2021 is zijn aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Gelet op het voorgaande is ook grond q feitelijk juist. Eiser heeft meerdere asielaanvragen ingediend die niet tot verlening van een asielvergunning hebben geleid. Grond r en s zijn ook feitelijk juist: eiser beschikt niet over voldoende middelen van bestaan, eiser staat niet ingeschreven in het BRP en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Dat van een vluchteling, zoals eiser stelt, niet kan worden verwacht een vaste woon- of verblijfplaats en financiële middelen te hebben, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af.
Lichter middel
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Dat eiser aangeeft dat hij wil meewerken aan terugkeer en dat een eerdere inbewaringstelling niet heeft geleid tot uitzetting, maakt dit oordeel niet anders. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.
12.1.
Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser en lichter middel dan bewaring op te leggen. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Voortvarend handelen
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de brief van de minister van 23 juli 2026 blijkt dat op 23 juni 2026 een laissez-passer aanvraag is verzonden aan de Libische autoriteiten en dat is gerappelleerd op 26 juni 2026, 17 juli 2026 en 20 juli 2026. Daarnaast heeft op 23 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden
Zicht op uitzetting
14. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië niet ontbreekt. [17] De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het concrete geval van eiser het zicht op uitzetting naar Libië ontbreekt. Niet is gebleken dat de Libische autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.

Conclusie en gevolgen

15. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [18]
16. Gelet op wat onder ‘Verblijf politiecel’ is overwogen zal het beroep, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, gegrond worden verklaard. Voor het overige zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor het nadeel dat eiser heeft geleden door zijn te lange verblijf in de politiecel heeft hij aanspraak op € 40,- aan schadeloosstelling. Er is geen grond voor een schadevergoeding. [19]
17. Omdat het beroep deels gegrond is verklaard veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het verschijnen op zitting). Doordat de maatregel door middel van een kennisgeving vanuit de minister aan de rechtbank ter toetsing is voorgelegd, en niet door middel van een door eiser ingesteld beroep, wordt geen punt toegekend voor het indienen van een beroepschrift. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting geen gronden ingediend. Dit maakt dat gemachtigde geen proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp) in aanmerking komen voor vergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Asiel en Migratie) om aan eiser bij wijze van schadeloosstelling een bedrag van € 40,- te betalen;
  • verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Hierna: bewaring.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
6.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
7.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
8.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
9.Vreemdelingenbesluit 2000.
10.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
12.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
14.Als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
15.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX074.
17.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 1 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4156.
18.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).
19.Als bedoeld in artikel 106 van Pro de Vw.