ECLI:NL:RBDHA:2026:21117

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
09-057751-25, 09-321107-24 en 09-076299-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor poging zware mishandeling, ontploffing en brandstichting

De rechtbank Den Haag heeft op 13 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte geboren in 2009. De verdachte werd beschuldigd van poging zware mishandeling door het gooien van een houten stoel vanaf een loopbrug, het medeplegen van een ontploffing in een tuin, vernieling van een glazen deur en brandstichting van een houten bankje.

De rechtbank oordeelde dat de feiten wettig en overtuigend bewezen zijn, met uitzondering van het levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij de ontploffing, waarvoor de verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank stelde vast dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door de stoel naar beneden te gooien terwijl er winkelend publiek aanwezig was.

De strafmaat werd bepaald rekening houdend met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De verdachte werd veroordeeld tot 54 dagen jeugddetentie (met aftrek van voorarrest), een leerstraf van 40 uur en een voorwaardelijke werkstraf van 40 uur met bijzondere voorwaarden. Tevens werd een schadevergoeding van €500 aan de benadeelde partij toegekend.

De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op waaronder meldplicht, medewerking aan behandeling, avondklok en contactverbod met de medeverdachte. De straf is dadelijk uitvoerbaar verklaard en de redelijke termijn werd met zes maanden overschreden, wat strafverminderend werd meegewogen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 54 dagen jeugddetentie en 80 uur taakstraf voor poging zware mishandeling, ontploffing en brandstichting met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-057751-25, 09-321107-24 en 09-076299-26
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,(hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
nu preventief gedetineerd in [instelling] te [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 29 juni 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. D.F.R. de Vrught en de raadsvrouw van de verdachte is mr. N.M.H.M den Dekker te Breda. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I - 09-321107-24
1
hij op of omstreeks 11 mei 2024 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een houten stoel vanaf een loopbrug over de reling naar beneden heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 mei 2024 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg openlijk, te weten op of aan de Liguster (Westfield Mall of the Netherlands), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een plantenpot en/of een houten stoel door deze plantenpot en/of deze houten stoel vanaf een loopbrug over de reling naar beneden te gooien; terwijl hij, verdachte, deze goederen opzettelijk heeft vernield;
2
hij op of omstreeks 18 juni 2024 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg opzettelijk en wederrechtelijk een glazen deur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de VVE en/of [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Dagvaarding II - 09-057751-25

hij op of omstreeks 31 oktober 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief af te laten gaan in de tuin van/bij een woning aan de [adres 2] te Den Haag, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en voor de zich in en in de omgeving van die woning bevindende goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning te duchten was.
Dagvaarding III - 09-076299-26
hij op of omstreeks 31 december 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare vloeistof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een (houten) bankje en/of een informatiebord te duchten was.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen zijn, met dien verstande dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, zoals ten laste gelegd in dagvaarding II (het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing).
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primaire feit op dagvaarding I dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de tenlastegelegde vernieling op die dagvaarding refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsvrouw heeft om vrijspraak verzocht van het feit op dagvaarding II. Ten aanzien van het feit op dagvaarding III heeft zij zich op het standpunt gesteld dat er alleen sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen en dat er geen sprake is geweest van medeplegen.
Op specifieke (bewijs)verweren wordt – voor zover relevant – hierna nader ingegaan.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsoverwegingen
Dagvaarding I - 09-321107-24 – feit 1 primair (poging zware mishandeling)
De rechtbank is op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen van oordeel dat feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet is gebleken dat de verdachte toen hij de stoel naar beneden gooide vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij één van de personen die beneden liepen. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig, indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Ten aanzien van feit 1 primair
De rechtbank stelt ten aanzien van feit 1 primair op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen het volgende vast.
De verdachte was samen met twee vrienden in de Westfield Mall of the Netherlands en zij liepen al een tijdje door het winkelcentrum. Uit het proces-verbaal waarin de camerabeelden beschreven staan volgt dat de verdachte op een gegeven moment met een houten stoel over de loopbrug loopt en deze zonder te kijken over de reling naar beneden gooit. Op diezelfde beelden is te zien dat de stoel wordt ontweken door een persoon die daar beneden loopt. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de stoel expres heeft gegooid en wist dat er winkelend publiek was, omdat hij daar al enige tijd rondliep.
Door van een hoger gelegen verdieping, zonder te kijken, een houten stoel naar beneden te gooien op het moment dat daar winkelend publiek is, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans in het leven geroepen dat bij een persoon, die beneden liep, als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht, bijvoorbeeld als de stoel op iemands hoofd terecht was gekomen. Het is namelijk een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een vitaal en kwetsbaar deel van het lichaam is, en dat flink letsel kan ontstaan als het met aanzienlijke snelheid geraakt wordt door een voorwerp van enig gewicht, in dit geval een houten stoel.
De rechtbank is van oordeel dat de bovenomschreven gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm te oordelen zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zijn gericht dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat iemand als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte heeft verklaard dat hij daar al enige tijd rondliep, en dat hij wist dat er veel winkelend publiek was, ook op het moment dat hij de stoel zonder te kijken naar beneden gooide. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Dagvaarding II - 09-057751-25 (teweegbrengen ontploffing)
De rechtbank is op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar aanwezig was op 31 oktober 2024 bij de woning aan de [adres 2] , maar dat hij slechts van een afstand heeft gekeken naar hoe de brandbom tot ontploffing werd gebracht. De rechtbank gaat niet mee in die verklaring. Daartoe is het volgende van belang.
De verdachte heeft verklaard dat hij onderdeel was van een ruzie met [aangever 2] die aanvankelijk werd uitgevochten op Snapchat. De verdachte is als gevolg van die ruzie op Snapchat, waarbij er door [aangever 2] volgens de verdachte gevoelige dingen zijn gezegd, op 28 oktober 2024, drie dagen voor het tenlastegelegde feit, met twee andere jongens naar het adres van [aangever 2] gegaan, te weten de [adres 2] in Den Haag. Eén van die jongens, die door de politie op de deurbelbeelden is herkend als [medeverdachte] , heeft op de deur gebonsd. De verdachte heeft dit ook verklaard. Vervolgens zijn er in ieder geval twee personen, die op de camerabeelden van de omliggende woningen te zien zijn, op 31 oktober 2024 naar de woning aan de [adres 2] gegaan en hebben daar een ontploffing teweeg gebracht. Als gevolg hiervan is een steekvlam ontstaan en is een antidoorkijkdoek van de buren bijna volledig verbrand. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte een van die twee personen is geweest.
Uit het proces-verbaal van de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat er twee personen richting de tuin van de [adres 2] lopen en de ontploffing veroorzaken. Op de beelden is te zien dat één van die personen Nikeschoenen heeft en een jas met een embleem op de linkermouw. Daarnaast is deze persoon een stuk langer dan de ander. Op 19 november 2024 wordt de verdachte aangehouden en worden er foto’s gemaakt. Deze foto’s worden vergeleken met de beelden van 31 oktober 2024. Daaruit blijkt dat een grote overeenkomsten zijn tussen de Nikeschoenen en jas met embleem op de linkermouw die verdachte aan had op 19 november 2024 en de schoenen en de jas van genoemde persoon op die beelden van 31 oktober 2024. Daar komt nog bij dat op de beelden van 28 oktober 2024 van de deurbelcamera, waarop de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] worden herkend, een fors lengteverschil te zien is tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Een dergelijk lengteverschil is ook te zien bij voormelde twee personen op de beelden van de ontploffing op 31 oktober 2024. Verder is relevant dat de verdachte tijdens de zitting heeft beschreven hoe het explosief eruit zag, namelijk een cobra in combinatie met een brandfles, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de verdachte het explosief van dichtbij heeft gezien. Tot slot merkt de rechtbank op dat zowel de telefoon van de verdachte als die van de medeverdachte [medeverdachte] uit stonden op het moment van de ontploffing, wat volgens de politie past bij het scenario dat de verdachten hun telefoon hebben uitgezet ten tijde van de ontploffing. De verklaring van de verdachte dat zijn telefoon precies op dat moment zou zijn uitgevallen, vindt de rechtbank in het licht van de andere bewijsmiddelen dan ook ongeloofwaardig.
Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat de rechtbank ervan uitgaat dat de verdachte op 28 oktober 2024 met medeverdachte [medeverdachte] en een ander naar de woning aan de [adres 2] in Den Haag is gegaan naar aanleiding van een onderliggend conflict dat tot die tijd (hoofdzakelijk) werd uitgevochten via Snapchat. Op 31 oktober 2024 heeft de verdachte vervolgens -evenals de medeverdachte [medeverdachte] - zijn telefoon uitgezet en is hij onder meer met die [medeverdachte] wederom naar de [adres 2] in Den Haag gegaan, waar zij in de tuin een cobra met brandfles tot ontploffing hebben gebracht.
De rechtbank overweegt verder dat uit het dossier blijkt dat de steekvlam dichtbij een fietsenstalling en trampoline was en niet in de buurt van de woning. Dit maakt dat er volgens de rechtbank sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen. De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van het levensgevaar voor personen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Concluderend betekent dit dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing, waarbij gevaar voor goederen te duchten was.
3.3.2
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor feit 2 op dagvaarding I en het feit op dagvaarding III met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Dagvaarding I - 09-321107-24 – feit 2 (vernieling glazen deur)
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024153825, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 67).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 29 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 10 juli 2024, (p. 58-63).
Dagvaarding III - 09-076299-26 (brandstichting)
Partiële vrijspraak medeplegen
De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken, voor zover de tenlastelegging ziet op het medeplegen. Uit niets blijkt dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte heeft verklaard dat hij zelf de vloeistof heeft aangestoken nadat deze op de grond was gevallen, en dat hij niets met de andere jongeren heeft besproken over het stichten van de brand.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026023097, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 52).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 29 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [naam] , opgemaakt op 21 januari 2026, (p. 21-24);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 februari 2026, (p. 25-28).
Conclusie
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I - 09-321107-24
1
hij op 11 mei 2024 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan
eentot op heden onbekend gebleven persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een houten stoel vanaf een loopbrug over de reling naar beneden heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 18 juni 2024 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, opzettelijk en wederrechtelijk een glazen deur, die geheel aan een ander toebehoorde, heeft vernield.
Dagvaarding II - 09-057751-25
hij op 31 oktober 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief af te laten gaan in de tuin van een woning aan de [adres 2] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor de zich in de omgeving van die woning bevindende goederen te duchten was.
Dagvaarding III - 09-076299-26
hij op 31 december 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare vloeistof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een (houten) bankje en een informatiebord te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie gelijk aan de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf van 80 uren, bestaande uit een leerstraf van 40 uren (So-Cool regulier), subsidiair 20 dagen jeugddetentie, en een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren gevorderd met een proeftijd van 2 jaren en de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde voorwaarden. Gevorderd wordt de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarbij de nadruk dient te liggen op een voorwaardelijk strafdeel, zodat de verdachte kan profiteren van behandeling en begeleiding en indien nodig de leerstraf So-Cool regulier. De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de bijzondere voorwaarden eventueel uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten.
Allereerst heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling door zonder over de reling te kijken een houten stoel van een loopbrug in de Westfield Mall of the Netherlands af te gooien, terwijl daar veel winkelend publiek aanwezig was.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een ontploffing in de buurt van een woning. Door de ontploffing is een steekvlam ontstaan en is een antidoorkijkdoek van de buren bij de tuinafscheiding verbrand. De ontploffing heeft plaatsgevonden binnen de context van een (Snapchat)ruzie met aangever [aangever 2] , en was gericht tegen de bewoner(s) van de woning aan de [adres 2] in Den Haag. De moeder van aangever [aangever 2] , evenals haar andere minderjarige kinderen, zijn daardoor blijvend in hun gevoel van veiligheid aangetast, terwijl een woning bij uitstek de plek is waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. In meer algemene zin zorgen dergelijke strafbare feiten ook breder binnen de samenleving voor gevoelens van onveiligheid. Dat de verdachte hieraan heeft meegedaan, rekent de rechtbank hem zeer aan.
Daarnaast heeft de verdachte een houten bankje in de brand gestoken. In het algemeen geldt dat brandstichting gevoelens van angst, onveiligheid en onrust teweeg brengt, te meer nu deze brandstichting plaatsvond in de centrale hal van een wooncomplex.
Ook heeft de verdachte een glazen deur vernield. Door het handelen van de verdachte heeft hij voor zowel schade als overlast gezorgd.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 22 mei 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte na onderhavige feiten is veroordeeld voor een wegenverkeerswetfeit en het overtreden van de Algemene Plaatselijke Verordening. Dat betekent dat artikel 63 Wetboek Pro van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 22 juni 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat er grote zorgen bestaan om de ontwikkeling van de verdachte, onder andere op het gebied van onderwijs, vrijetijdsbesteding en zijn sociale vaardigheden. Er lijkt sprake te zijn van een hardnekkig patroon, dat tot op heden niet gelukt is te doorbreken. Het is van groot belang dat de verdachte behandeling en begeleiding krijgt om verder tot ontwikkeling te komen en om het grote herhalingsgevaar te verkleinen. Langer in detentie verblijven staat daar haaks op. De Raad adviseert daarom een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest. Daarnaast adviseert de Raad een leerstraf, zijnde So-Cool regulier, waarbij er aandacht is voor het vergroten van sociale vaardigheden, sociale probleemoplossing en het zelfvertrouwen van de verdachte. Tot slot adviseert de Raad een voorwaardelijke werkstraf met bijzondere voorwaarden, waaronder de meldplicht, het meewerken aan behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling, het volgen van onderwijs, het hebben van een zinvolle dag- en vrijetijdsbesteding, meewerken aan hulpverlening door een coach, een avondklok en een contactverbod met de medeverdachte van de ontploffing.
De jeugdreclasseerder heeft ter zitting het advies van de Raad onderstreept. In aanvulling daarop heeft de jeugdreclasseerder toegelicht dat de verdachte een aantal keer van school is verwijderd en dat daarom nu een InWork-traject wordt gestart, waarbij de verdachte wordt gekoppeld aan een coach en dan binnen een aantal weken een bepaald vak aangeleerd krijgt.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daaruit volgt onder andere dat voor een brandstichting of teweegbrengen van een ontploffing met geringe schade vanaf 30 uur taakstraf wordt opgelegd. Voor vernieling met geringe schade geldt als uitgangspunt 20 uur taakstraf. Voor zware mishandeling met een wapen geldt als uitgangspunt jeugddetentie.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn met zes maanden overschreden, nu de verdachte op 27 augustus 2024 is aangehouden voor de feiten onder dagvaarding I. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank heeft deze overschrijding in strafmatigende zin meegewogen.
Gelet op de ernst van de feiten en op wat hiervoor is overwogen, wordt aan de verdachte een jeugddetentie opgelegd. Ten aanzien van de duur van de jeugddetentie overweegt de rechtbank dat ter zitting duidelijk naar voren is gebracht dat het niet wenselijk is de verdachte terug te sturen naar de jeugdgevangenis. De verdachte is kwetsbaar en beïnvloedbaar, en is nu vooral gebaat bij begeleiding en behandeling om verder tot ontwikkeling te komen en het risico van recidive te beperken. Dit maakt dat de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, zijnde 54 dagen, zal opleggen. Verder zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een leerstraf So-Cool regulier, te weten 40 uren, opleggen. Als de verdachte deze leerstraf niet uitvoert, kan deze worden omgezet in 20 dagen jeugddetentie. Daarbij legt de rechtbank aan de verdachte een voorwaardelijke werkstraf op van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren met de door de Raad geadviseerde voorwaarden, waaronder een meldplicht, het meewerken aan behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling, het volgen van onderwijs, het hebben van een zinvolle dag- en vrijetijdsbesteding, meewerken aan hulpverlening door een coach, een avondklok en een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] .
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal bevelen dat de hierna op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank komt tot die conclusie gezien de ernst van de gepleegde feiten alsmede het door de Raad vermelde hoge recidiverisico en de in dat verband geschetste noodzaak tot het starten van behandeling en begeleiding.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Dagvaarding II - 09-057751-25
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van de immateriële schade een bedrag van € 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is de hoofdelijkheid en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,--, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de verzochte vrijspraak heeft de raadsvrouw verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht de vordering te matigen en geen hoofdelijke veroordeling op te leggen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd wat de gevolgen van het strafbare feit zijn geweest. Uit de vordering blijkt dat de benadeelde partij en haar kinderen door het incident angstig zijn, zij haar gevoel van veiligheid kwijt is en (nog steeds) bezig is om een ander huis te zoeken. Dit gevoel is versterkt door het feit dat de verdachten het op haar en haar gezin gemunt hadden.
Geen hoofdelijkheid
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet hoofdelijk toewijzen. Een hoofdelijke veroordeling zal mogelijk ingewikkeldheden meebrengen met betrekking tot het onderlinge regresrecht tussen de verdachte en de medeverdachte. De rechtbank acht het onwenselijk dat de verdachte onderling met de medeverdachte de betalingen moet regelen, mede gelet op het contactverbod dat zal worden opgelegd.
De rechtbank zal de vordering daarom splitsen en de verdachte veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Alles wat meer is gevorderd, zal worden afgewezen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
36f, 45, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
dagvaarding I - 09-321107-24
ten aanzien van feit 1:
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
dagvaarding II - 09-057751-25
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
dagvaarding III - 09-076299-26
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
54 (VIERENVIJFTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht,
zijnde 54 dagen, bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject, te weten So-Cool regulier, voor de duur van
40 (VEERTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
20 (TWINTIG) DAGEN;
bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;
veroordeelt de verdachte ook tot:
een voorwaardelijke
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
40 (VEERTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
20 (TWINTIG) DAGEN;
bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;
bepaalt dat die werkstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd zal melden bij de jeugdreclassering, op momenten waarop zij dat willen en zolang zij dat willen;
2. zal meewerken aan diagnostiek en behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
3. een vorm van onderwijs volgt, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, maar in ieder geval totdat de veroordeelde een startkwalificatie heeft behaald;
4. zich inzet voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding en vrijetijdsbesteding, alles in overleg met de jeugdreclassering en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
5. meewerkt aan de inzet van en hulpverlening door een coach vanuit E25 of een soortgelijke hulpverleningsinstantie, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
6. gedurende een periode van maximaal zes maanden tussen 19:00 uur en 07:00 uur aanwezig zal zijn op het adres [adres 3] en tijdens de avondklok alleen naar buiten mag onder begeleiding van een door Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden goedgekeurde volwassene. In onderling overleg met de jeugdreclassering kunnen andere tijden voor de avondklok worden vastgesteld;
7. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal leggen, laten leggen of hebben met [medeverdachte] (geboren op [geboortedatum 2] 2009);
geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,-- aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover van 31 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,-- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde] en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte. Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter, voorzitter,
mr. J.M.J. Keltjens, kinderrechter,
en mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 juli 2026.