ECLI:NL:RBDHA:2026:21122

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
26.21374
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 15c KwalificatierichtlijnArt. 8:72 AwbArt. 31, zesde lid onder c, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Syrië wegens onvoldoende motivering veiligheidssituatie

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister op 9 april 2026 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 15 juli 2026 en beoordeelde de gronden van eiser tegen de afwijzing.

Eiser vreesde vervolging vanwege zijn familienaam die geassocieerd wordt met het voormalige Assad-regime, zijn verblijf in westerse landen en de algemene onveilige situatie in Syrië, waaronder dienstplicht en rekrutering. De minister achtte de verklaringen over familienaam en verblijf in het westen niet geloofwaardig en vond geen gegronde vrees voor ernstige schade bij terugkeer.

De rechtbank oordeelde dat de minister de motivering omtrent de veiligheidssituatie in Syrië onvoldoende had onderbouwd, met name over willekeurig geweld en humanitaire omstandigheden, en dat daardoor niet duidelijk was of eiser een reëel risico loopt. De bezwaren over familienaam en verblijf in het westen faalden wegens gebrek aan onderbouwing.

De rechtbank vernietigde het besluit en gaf de minister acht weken om een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over de veiligheidssituatie in Syrië en draagt op tot hernieuwde besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21374

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op 1 januari 2007. Eiser heeft Syrië met zijn familie verlaten vanwege de oorlog. Hij stelt dat zijn familie, [familienaam], wordt gezien als aanhangers van het regime van Assad. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser voor de algemene onveilige situatie, voor de dienstplicht en voor de rekrutering. Ook vreest hij voor vervolging door het huidige regime vanwege zijn familienaam, omdat hij de islamitische regels niet heeft nageleefd en omdat hij in het westen heeft verbleven.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
2. De gestelde problemen van eiser vanwege zijn familienaam;
3. De gestelde vervolging door het huidige regime vanwege zijn verblijf in westerse landen;
4. De algemene situatie in Syrië.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De gestelde problemen vanwege zijn familienaam, en de gestelde vervolging door het huidige regime vanwege zijn verblijf in westerse landen, acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft deze verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. [2] De minister stelt zich verder op het standpunt dat het enkele feit dat eiser afkomstig is uit Syrië, niet maakt dat hij vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verder is er geen sprake van gegronde vrees dat eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft de aanvraag om die redenen afgewezen als ongegrond.
Herhaling zienswijze
5. Voor zover eiser verzoekt om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, stelt de rechtbank vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering van het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.
Heeft de minister de vrees van eiser van vanwege zijn gestelde problemen vanwege zijn familienaam niet aannemelijk mogen achten?
6. Eiser stelt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn familienaam zal worden beschuldigd een aanhanger van het voormalige Assad-regime te zijn. Hij heeft hiervoor verwezen naar een artikel van The Washington Institute en een artikel van The Cradle. Hieruit blijkt volgens eiser dat [familienaam] een machtige clan is met nauwe banden met het voormalige regime. De vader van eiser is lid van het Syrische parlement en het hoofd van de [stamnaam] stamcommissie. De [familienaam] clan is nog steeds actief en heeft naar grote waarschijnlijkheid banden met het voormalige regime. Alleen al door het behoren tot de [familienaam] clan wordt eiser geassocieerd met het voormalige regime.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers problemen vanwege zijn familienaam niet geloofwaardig zijn. Het is aan eiser om nader te onderbouwen dat hij vreest voor vervolging op grond van zijn familienaam. Eiser is hier niet in geslaagd. Eiser heeft zijn verklaringen niet met objectieve documenten onderbouwd en zijn verklaringen bestaan overwegend uit informatie van horen zeggen. Uit de overgelegde documenten en uit algemene landeninformatie volgt evenmin dat eiser op voorhand te vrezen heeft bij terugkeer naar Syrië. Deze beroepsgrond faalt.
Heeft de minister de problemen van eiser vanwege zijn verblijf in westerse landen niet aannemelijk mogen achten?
7. Eiser stelt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft, omdat hij op zesjarige leeftijd Syrië heeft verlaten en slechts één keer is teruggekeerd op doortocht naar Europa. Eiser is verwesterd, en stelt onder verwijzing naar het ambtsbericht van januari 2026 dat hij te maken zal krijgen met woningnood, een gebrek aan werkgelegenheid, problemen met basisvoorzieningen en een gebrek aan functionerende gezondheidszorg. Het feit dat eiser gezond is en de taal spreekt, maakt volgens hem niet dat hij hiertoe wel toegang zal hebben.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij door het verblijf in een westers land te vrezen heeft bij terugkeer. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten van Syrië op de hoogte zijn van zijn verblijf in een westers land en dat dit zou leiden tot problemen. Dit laatste volgt ook niet uit algemene landeninformatie. Ten aanzien van eisers stelling over het ontbreken van werkgelegenheid, woningen en voorzieningen, overweegt de rechtbank dat dit ziet op de algemene situatie in Syrië en dat dit niet maakt dat eiser individueel risico loopt.
Algemene veiligheidssituatie in Syrië
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat er ten aanzien van Aleppo gesproken dient te worden van een hoog niveau van willekeurig geweld. Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 20 februari 2026 [3] en de uitspraak van de meervoudige kamer van dezelfde rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025 [4] waarin is geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. Daarnaast wijst eiser op de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. [5] Ook in deze zaak heeft de minister volgens eiser de humanitaire situatie in Syrië ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Ook vreest eiser bij terugkeer voor de dienstplicht en rekrutering vanuit de zijde van de Koerden.
9. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt en overweegt hierover het volgende.
9.1.
Op 11 december 2025 [6] heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden betrokken in de beoordeling. Dit oordeel is herhaald in meer uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, waaronder die van 4 februari 2026 [7] en 25 maart 2026. [8]
9.2.
De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om anders te oordelen over het standpunt van de minister over willekeurig geweld in Syrië dan in de uitspraak van 11 december 2025. Hoewel een deel van die uitspraak is gewijd aan de regio Homs, is het merendeel van de uitspraak van toepassing op de algemene veiligheidssituatie in heel Syrië. De uitspraak is dus ook van toepassing op Aleppo, waar eiser naar zou moeten terugkeren. De minister heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië onvoldoende gemotiveerd. Daardoor is onvoldoende duidelijk of eiser een risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Syrië. De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen welke individuele omstandigheden een reëel risico op ernstige schade kunnen meebrengen. De verwijzing van de minister naar het Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026 leidt niet tot een ander oordeel. De minister is met deze verwijzing namelijk ook niet of onvoldoende kenbaar ingegaan op alle omstandigheden die de rechtbank gelet op de eerdergenoemde uitspraak van 11 december 2025 van belang vindt in het kader van de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie in Syrië. Dat de minister hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 11 december 2025 leidt ook niet tot een ander oordeel, omdat nog geen uitspraak op het hoger beroep is gedaan.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft gelet op wat onder 9 is overwogen, de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond, omdat de minister het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 april 2026;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen - Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Artikel 31, zesde lid onder c, van de Vw 2000.