ECLI:NL:RBDHA:2026:21122
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing asielaanvraag Syrië wegens onvoldoende motivering veiligheidssituatie
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister op 9 april 2026 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 15 juli 2026 en beoordeelde de gronden van eiser tegen de afwijzing.
Eiser vreesde vervolging vanwege zijn familienaam die geassocieerd wordt met het voormalige Assad-regime, zijn verblijf in westerse landen en de algemene onveilige situatie in Syrië, waaronder dienstplicht en rekrutering. De minister achtte de verklaringen over familienaam en verblijf in het westen niet geloofwaardig en vond geen gegronde vrees voor ernstige schade bij terugkeer.
De rechtbank oordeelde dat de minister de motivering omtrent de veiligheidssituatie in Syrië onvoldoende had onderbouwd, met name over willekeurig geweld en humanitaire omstandigheden, en dat daardoor niet duidelijk was of eiser een reëel risico loopt. De bezwaren over familienaam en verblijf in het westen faalden wegens gebrek aan onderbouwing.
De rechtbank vernietigde het besluit en gaf de minister acht weken om een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over de veiligheidssituatie in Syrië en draagt op tot hernieuwde besluitvorming.