ECLI:NL:RBDHA:2026:21141

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
NL26.18147
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 3 EVRMArt. 15 KwalificatierichtlijnVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Syriër wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar

Eiser, een Syrische nationaliteit, diende op 24 juni 2024 een asielaanvraag in die door de minister op 25 maart 2026 werd afgewezen. De minister oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico liep op vervolging vanwege afvalligheid van de islam, sociale druk binnen zijn stam of de algemene veiligheidssituatie in Syrië, met name in de regio Deir-ez-Zor.

De rechtbank behandelde het beroep op 23 juli 2026 en concludeerde dat de minister terecht had geoordeeld dat de vrees wegens stamcultuur niet op geloofwaardigheid kon worden beoordeeld en dat het risico op willekeurig geweld in de regio relatief laag is. Ook werd geoordeeld dat de minister niet terughoudendheid van eiser verlangde bij het uiten van zijn afvalligheid en dat de landeninformatie geen aanwijzingen gaf voor vervolging van afvalligen.

Verder oordeelde de rechtbank dat de humanitaire omstandigheden in Syrië wel ernstig zijn, maar niet in overwegende mate veroorzaakt worden door de strijdende partijen, zodat geen sprake is van een 15c-situatie. Het beroep werd ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18147

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [datum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 24 juni 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 25 maart 2026 afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en aangezegd dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Syrië.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de waarnemer van de eisers gemachtigde, mr. M. Pater, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij bij terugkeer naar Syrië te vrezen heeft, omdat hij afvallig is van de islam. Eiser vreest voor de Syrische autoriteiten en voor zijn familie, die volgens hem strenggelovig is. Ook heeft eiser verklaard dat hij vreest vanwege zijn stamcultuur, omdat binnen zijn stam sociale druk ontstaat in het geval dat problemen met een andere stam ontstaan. Eiser heeft verder verklaard dat hij Syrië in verband met de oorlog in 2017 heeft verlaten en naar Libanon is gereisd. In 2022 is hij door Libanon teruggestuurd naar Syrië. Daar werd eiser gedetineerd, maar is hij vrijgekocht door zijn vader. Vervolgens heeft eiser Syrië verlaten in september 2022.
De besluitvorming
4.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
- afvalligheid van de islam;
- vrees voor problemen door stamcultuur.
4.2.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het derde motief – een vrees – niet beoordeeld kan worden op geloofwaardigheid. De minister heeft het eerste en tweede motief geloofwaardig geacht. De drie motieven zijn beoordeeld op zwaarwegendheid. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees bij terugkeer niet aannemelijk gemaakt, omdat uit landeninformatie niet is gebleken van vervolging van afvalligen en omdat eisers vrees voor de stamcultuur gebaseerd is op vermoedens over toekomstige gebeurtenissen.
4.3.
Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat in Syrië, en in de regio Deir-ez-Zor in het bijzonder, sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege persoonlijke en individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van dit willekeurig geweld. In dit verband heeft de minister zich verder op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in overwegende mate veroorzaakt worden door de strijdende partijen in het lopende gewapend conflict. Ook is volgens de minister geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin de humanitaire gronden tegen uitzetting dwingend zijn. [2] Volgens de minister heeft eiser daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [3] of op grond van artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn (hierna: de 15c-situatie). [4]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Vrees wegens stamcultuur
5. Eiser heeft aangevoerd dat zijn vrees wegens zijn stamcultuur ten onrechte niet is beoordeeld op geloofwaardigheid. Ook heeft eiser betwist dat sprake is van een toekomstige vrees. Volgens hem is sprake van een reële vrees, omdat in het kader van de 15c-situatie is gebleken dat sprake is van geweld tussen verschillende stammen en groeperingen onderling.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde vrees niet beoordeeld kan worden op geloofwaardigheid, omdat eiser niet heeft verklaard over concrete of persoonlijke gebeurtenissen. Bovendien is de vrees door de minister beoordeeld op aannemelijkheid, gelijk aan een geloofwaardig geacht asielmotief. Eiser heeft niet onderbouwd waarom dit ontoereikend is. De stelling van eiser dat zijn vrees concreet is gemaakt met algemene informatie, laat onverlet dat de gestelde vrees is beoordeeld op aannemelijkheid.
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de gestelde vrees niet aannemelijk heeft mogen achten. De minister stelt terecht dat sprake is van een toekomstig vermoeden van eiser. Eiser heeft namelijk niet concreet verklaard over problemen die hij persoonlijk heeft ondervonden. Eiser heeft enkel verklaard over sociale druk binnen zijn stam in geval van een ruzie met een andere stam, en voor eventuele wraakacties die over en weer kunnen ontstaan. [5] Dat hij hierbij betrokken wordt is een onzekere toekomstige gebeurtenis. De stelling van eiser dat binnen de beoordeling van een 15c-situatie is gebleken dat sprake is van geweld tussen stammen kan niet slagen. Deze beoordeling ziet namelijk op willekeurig geweld en burgerslachtoffers. Ook wordt in het gewapend conflict door de strijdende partijen gevochten om territoriale controle. Dat is niet waar eiser over heeft verklaard in het verband van een gestelde vrees vanwege zijn stamcultuur. Dat er geweld plaatsvindt binnen een gewapende conflict in Syrië, maakt niet zonder meer aannemelijk dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege een stamcultuur.
Vrees wegens afvalligheid
6. Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister ten onrechte terughoudendheid verlangt in zijn afvalligheid. Dit is niet toegestaan volgens rechtspraak van de Afdeling. [6] Eiser wijst op haar uitspraak van 19 januari 2022. [7] Op zitting heeft eiser toegelicht dat de minister bij terugkeer verwacht dat hij zich conformeert aan islamitische verplichtingen, zoals bidden. Volgens eiser volgt logischerwijze uit zijn afvalligheid dat het niet voldoen aan deze verplichtingen onderdeel is van zijn religieuze identiteit. Anders dan de minister stelt, bestaat godsdienstvrijheid in Syrië volgens eiser voor christenen en niet voor afvallige moslims. Ook kent Syrië een strenggelovige moslim als leider. Verder heeft de minister de correcties en aanvullingen op het nader gehoor onvoldoende betrokken. Ook is de minister niet ingegaan op verwijzingen naar een artikel van VWN [8] van 19 januari 2026 en het Algemeen Ambtsbericht inzake Syrië van mei 2025. Tot slot heeft eiser gesteld dat zijn ouders op de hoogte zullen raken van zijn afvalligheid, omdat dit eenvoudig zichtbaar is. Ook als hij niet bij hen zal gaan wonen. Volgens eiser zullen er grote gevolgen zijn, omdat binnen de islam de doodstraf op afvalligheid staat.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de minister terughoudendheid van eiser verlangt in de uiting van zijn afvalligheid. De minister verwacht van eiser enkel dat hij zich conformeert aan de sociale en culturele normen in Syrië. Bijvoorbeeld met betrekking tot eisers verklaringen over zijn wens om vrij te zijn om te gokken, te roken en alcohol te drinken. [9] Of met betrekking tot het vasten tijdens de Ramadan. Eiser hoeft dan niet in het publiek te eten. De minister heeft terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze aspecten van belang zijn voor zijn religieuze identiteit. Dit geldt ook voor de aanvulling van eiser op zijn verklaring dat hij zijn afvalligheid niet zal uiten, [10] te weten dat hij zijn afvalligheid bespreekt en anderen waarschuwt voor de islam. De minister heeft de correcties en aanvullingen daarom voldoende betrokken. Bovendien is in de besluitvorming gemotiveerd dat in het algemeen niet gebleken is dat in Syrië sprake is van bestraffing of andere vormen van vervolging van afvalligen op grond van islamitische leefregels. De risicobeoordeling in de besluitvorming is daarom niet gebaseerd op terughoudendheid van eiser bij terugkeer.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn afvalligheid. Uit de door de minister betrokken landeninformatie, waaronder het Algemeen Ambtsbericht inzake Syrië van mei 2025 en de EUAA [11] Country Guidance rapporten, van juli en december 2025, volgt dat niet is gebleken dat afvalligen van de islam in Syrië worden vervolgd sinds het aantreden van de nieuwe regering. [12] Uit deze landeninformatie (waaronder pagina 101 van het Ambtsbericht waar eiser op heeft gewezen) blijkt enkel dat afvalligen verstoting door hun omgeving riskeren. De minister heeft dan ook mogen concluderen dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer zal worden vervolgd door de autoriteiten. In dit verband is in het bestreden besluit het artikel van VWN voldoende betrokken. De minister heeft dit onvoldoende kunnen achten, omdat de hieruit door eiser geciteerde informatie ouder is dan de door de minister betrokken landeninformatie. De enkele stellingen van eiser over beperkte godsdienstvrijheid en de doodstraf zijn onvoldoende voor de conclusie dat deze landeninformatie niet kan worden gevolgd.
6.3.
De rechtbank overweegt verder dat de minister met betrekking tot eisers gestelde vrees voor zijn familie heeft mogen stellen dat eiser niet naar zijn ouders hoeft terug te keren. De minister heeft kunnen betrekken dat eiser heeft verklaard dat hij geen contact heeft met andere familieleden. Eiser kan als volwassen man alleen gaan wonen, omdat hij dit eerder ook in Turkije deed. Verder heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet concreet heeft gemaakt waarvoor hij te vrezen heeft, indien zijn ouders erachter komen dat hij afvallig is. Eiser heeft zijn stellingen, dat de gevolgen groot zijn en dat hem de doodstraf te wachten staat, niet nader onderbouwd. Uit landeninformatie blijkt enkel dat afvalligen verstoting riskeren. Eiser heeft dit niet weerlegd. De minister heeft om deze redenen terecht geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn familie.
Vrees wegens algemene veiligheidssituatie
7. Eiser heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte een relatief lager niveau van willekeurig geweld aanneemt voor Syrië. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe rekening is gehouden met oorlogsresten, niet-ontplofte munitie en aanhoudende dreiging voor burgers. In dit verband is in de zienswijze gewezen op het VN OCHA rapport van 30 juni 2025. Ook maakt de minister ten onrechte een strikte scheiding tussen gericht en willekeurig geweld. Ter onderbouwing is gewezen op een tussenuitspraak van zittingsplaats Roermond van 30 juli 2025. [13] Daarnaast stelt eiser dat het Ambtsbericht van mei 2025 op een te korte verslagperiode ziet en dat dit vermeldt dat de veiligheidssituatie onzeker en instabiel is. Daarom vormt dit volgens eiser onvoldoende basis voor de conclusie van de minister. In dit verband wijst eiser op een uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025. [14] Volgens eiser is de minister onvoldoende ingegaan op uitspraak. Tot slot heeft eiser gesteld dat de humanitaire omstandigheden in Syrië slecht zijn en dat deze in overwegende mate veroorzaakt worden door het gewapend conflict en de strijdende partijen. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser in de zienswijze gewezen op het Country Guidance rapport van het EUAA van december 2025 en een artikel van ELANA van 31 juli 2025.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. [15] Daarbij is de tussenuitspraak van zittingsplaats Roermond betrokken. De rechtbank ziet in de zaak en beroepsgronden van eiser geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan dat van de meervoudige kamer.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ook in de zaak van eiser voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio Deir-ez-Zor. De minister heeft recente landeninformatie betrokken, waaronder het Ambtsbericht van januari 2026 en informatie van ACLED. De stelling van eiser dat het Ambtsbericht van mei 2025 een te korte verslagperiode betreft gaat hier feitelijk aan voorbij. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Haarlem. De minister heeft in deze zaak het aantal geweldsincidenten betrokken en heeft niet ten onrechte gesteld dat het aantal burgerslachtoffers in de regio Deir-ez-Zor relatief laag is gebleven, gelet op het aantal inwoners. Daarbij is het aantal incidenten met explosies betrokken. Het Ambtsbericht vermeldt in dit verband dat het Syrische leger ontmijningswerkzaamheden voortzette. [16] De rechtbank volgt eiser daarom niet in de enkele verwijzing naar het VN OCHA rapport van juni 2025. Verder is het aantal incidenten met geweld tegen burgers en het aantal ontheemden in de regio betrokken. Ook heeft de minister betrokken dat de overgangsregering de macht heeft in de regio. Uit de meer recente EUAA rapportages van 13 juli 2026 volgt geen wezenlijk ander beeld met betrekking tot het aantal geweldsincidenten of het aantal burgerslachtoffers in de periode tot mei 2026. De rechtbank volgt eiser evenmin in de stelling dat de minister een strikte scheiding heeft gemaakt tussen gericht geweld en willekeurig geweld. Eiser heeft dit niet nader onderbouwd of toegelicht, terwijl de motivering in het voornemen op het tegenovergestelde wijst. [17]
7.3.
De rechtbank oordeelt verder dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat humanitaire omstandigheden relevant zijn voor de beoordeling van een 15c-situatie, voor zover deze omstandigheden direct of indirect voortkomen uit het handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. De minister heeft terecht gesteld dat uit het Ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat in Syrië sprake is van een ernstige humanitaire situatie, maar dat deze situatie grotendeels is veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad en dat deze niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog lopende gewapende conflict. Hoewel humanitaire omstandigheden in zijn algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling heeft de minister in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 [18] gesteld dat de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol spelen bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld. Gezien de uitspraak van de Afdeling volgt de rechtbank de motivering van de minister en acht ze deze voldoende deugdelijk. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de ernstige humanitaire omstandigheden in overwegende mate veroorzaakt worden door de nog strijdende partijen, en dat op grond daarvan sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld in de regio Deir-ez-Zor in het oosten van Syrië. Dat volgt niet zonder meer uit de algemene informatie dat het gezondheidssysteem in Syrië in erbarmelijke staat verkeert (EUAA Country Guidance rapport, december 2025), noch uit het ELENA-artikel over het belegeringsbeleid tegen de stad As-Suwayda, in het zuidwesten van Syrië.
Artikel 3 EVRM Pro / Sufi en Elmi
8. Eiser heeft in het kader van de ernstige humanitaire omstandigheden tot slot gewezen op het arrest Sufi en Elmi.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat in Syrië sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin de humanitaire gronden tegen uitzetting dwingend zijn. Daarom is geen sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi. In dit verband heeft de minister kunnen wijze op de beslissing van het EHRM [19] van 24 september 2025, waarin geoordeeld is dat uitzetting naar Syrië niet in strijd was met artikel 3 van Pro het EVRM. [20] Eiser heeft dit in beroep niet gemotiveerd betwist.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. De overige beroepsgronden, waaronder een algemene verwijzing naar en inlassing van de zienswijze, doen niet aan het voorgaande af en behoeven daarom geen bespreking. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond en heeft een terugkeerbesluit aan eiser mogen opleggen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 1 weekna de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Als bedoeld in de arresten van het EHRM: Sufi en Elmi, 28 juni 2011, (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (para. 281-282) en S.H.H. tegen het Verenigd Koninkrijk van 29 januari 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0129JUD006036710 (para. 74-77).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Thans artikel 15c van de Kwalificatieverordening (EU) 2024/1347.
5.Pagina 20 nader gehoor.
6.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Vluchtelingenwerk Nederland.
9.Pagina 16 van het nader gehoor.
10.Pagina 19 van het nader gehoor.
11.Het Asielagentschap van de Europese Unie.
12.Vgl. het Algemeen Ambtsbericht inzake Syrië van januari 2026, p. 107.
15.Uitspraak van 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
16.Ambtsbericht inzake Syrië van januari 2026, pagina 90.
17.Voornemen, pagina 6, vierde alinea.
19.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
20.EHRM interim measure van 24 sept 2025, nr. 24394/25.