ECLI:NL:RBDHA:2026:21165

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
NL26.41112
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende vreemdeling, is op 19 maart 2026 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 22 juni 2026, het moment van de eerdere uitspraak.

Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Gambia binnen een redelijke termijn, mede omdat de Gambiaanse autoriteiten zijn nationaliteit niet konden bevestigen na zijn presentatie op 30 juni 2026. Ook stelde hij dat verweerder niet voortvarend handelde en dat zijn medische situatie en persoonlijke omstandigheden een belangenafweging rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser onvoldoende meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, waardoor zijn uitzetting wordt gefrustreerd. Verder is vastgesteld dat verweerder voortvarend handelt, onder meer door het houden van vertrekgesprekken en het betrekken van tolken. De medische klachten van eiser zijn onvoldoende onderbouwd en vormen geen reden om de bewaring op te heffen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41112

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 28 juli 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1980 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [1] Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juni 2026 (in de zaak NL26.33150) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 22 juni 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 22 juni 2026.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen zicht is op uitzetting naar Gambia binnen een redelijke termijn, omdat er geen zicht is op verstrekking van een lp binnen die termijn. Eiser voert hiertoe aan dat uit de M120 volgt dat de Gambiaanse autoriteiten ondanks eisers presentatie in persoon op 30 juni 2026 onvoldoende gegevens hebben om zijn nationaliteit te bevestigen. Verweerder heeft het verslag van eisers presentatie niet overgelegd en daarom kan niet worden vastgesteld wat de reden is dat eisers nationaliteit niet kan worden bevestigd. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder niet voortvarend werkt aan zijn uitzetting, omdat verweerder na eisers presentatie op 30 juni 2026 pas op 21 juli 2026 een vertrekgesprek heeft gevoerd. Ook is er door verweerder geen nieuw onderzoek opgestart naar een mogelijke andere nationaliteit van eiser. In het kader van de belangenafweging voert eiser aan dat het ziekenhuis geen diagnose heeft kunnen stellen voor zijn buikpijn, maar dat hij thuis natuurlijke medicijnen gebruikt die niet toegestaan zijn om in te voeren in het detentiecentrum. Ook moet eisers vriendin binnenkort een operatie ondergaan waarbij twee lipomen worden verwijderd. Na deze operatie heeft zij gedurende een periode van vier weken hulp nodig vanwege haar herstel en eiser zou deze hulp normaliter bieden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Verweerder heeft op 27 juli 2026 het verslag van eisers presentatie in persoon aan de Gambiaanse autoriteiten aan eisers dossier toegevoegd. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat uit dit verslag volgt dat eiser onvoldoende medewerking heeft verleend aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit en dat hij hiermee zijn uitzetting frustreert. Uit het verslag van eisers presentatie volgt dat de Gambiaanse autoriteiten in het Wolof met eiser wilden spreken. Verweerder heeft onder verwijzing naar dit verslag voldoende gemotiveerd dat eisers weigerachtigheid om tijdens de presentatie Wolof en/of Engels te spreken, en het feit dat hij tijdens de presentatie te kennen heeft gegeven alleen Fula te spreken, de reden is geweest dat er geen gesprek met de Gambiaanse autoriteiten heeft kunnen plaatsvinden en dat daarom eisers nationaliteit niet kon worden vastgesteld. Verweerder heeft voor de motivering van eisers weigerachtigheid kunnen betrekken dat eiser eerder diverse gesprekken met de regievoerder in het Wolof heeft gevoerd, met de aanwezigheid van een Wolof-tolk. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat zelfs eisers vertrekgesprek van na de presentatie, te weten op 21 juli 2026, met een Wolof tolk heeft plaatsgevonden. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn standpunt dat geen zicht op uitzetting bestaat, omdat eisers nationaliteit tijdens de presentatie niet kon worden vastgesteld. Verder heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat zowel in zijn algemeenheid als in het specifieke geval van eiser zicht op uitzetting naar Gambia bestaat. Zo is gebleken dat de Gambiaanse vertegenwoordiging eiser wil spreken en hebben zij niet te kennen gegeven dat voor eiser geen lp zal worden verstrekt.
6. Verweerder werkt daarnaast voldoende voortvarend aan eisers uitzetting. Dit volgt onder anderen uit de presentatie van eiser in persoon aan de Gambiaanse autoriteiten op 30 juni 2026 en de door verweerder frequent geplande vertrekgesprekken, met als meest recente gesprek het vertrekgesprek van 21 juli 2026. Dat tussen het moment van eisers presentatie in persoon en het vertrekgesprek op 21 juli 2026 een aantal weken zijn verstreken, leidt niet tot het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. De rechtbank acht een periode van drie weken in dit geval niet onredelijk. Hiertoe weegt de rechtbank mee dat op eiser een meewerkplicht rust en dat hij daarmee het proces kan bespoedigen. Dat eiser ervoor kiest zich weigerachtig op te stellen waardoor het proces langer duurt, komt dan ook voor zijn risico.
7. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen. De rechtbank stelt voorop dat het eerder in de maatregel van bewaring aangenomen risico op onttrekking nog onverkort aanwezig is. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om de bewaring bij een afweging van belangen op te heffen. Ten aanzien van eisers buikpijnklachten heeft hij geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij detentieongeschikt is, noch heeft hij op een andere wijze zijn klachten onderbouwd. Ook is niet gesteld noch gebleken dat de zorg in het detentiecentrum ontoereikend is. Indien volgens eiser in het detentiecentrum onvoldoende zorg kan worden gegeven, kan hij zich in het detentiecentrum hierover beklagen of een verzoek indienen om te worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis.
8. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten