ECLI:NL:RBDHA:2026:21226

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL25.17418
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering veiligheidssituatie Jemen

Eiser, een Jemenitische nationaliteit, diende op 2 mei 2023 een asielaanvraag in in Nederland. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 8 april 2025 af als kennelijk ongegrond, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat eiser een specifiek risico liep op willekeurig geweld of gedwongen rekrutering in Jemen.

Eiser voerde aan dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen ernstig is, met grote willekeur bij rekrutering door milities en dat hij als oudere man en langdurig afwezig persoon een verhoogd risico loopt. Hij stelde dat de minister onvoldoende rekening hield met recente jurisprudentie en rapportages over de situatie in Jemen.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit gebaseerd was op beleid dat onvoldoende was gemotiveerd, mede omdat de minister niet alle relevante omstandigheden had meegewogen en onvoldoende rekening hield met recente informatie. De rechtbank volgde de eerdere uitspraken van de meervoudige kamer die eveneens kritiek hadden op de motivering.

Daarom vernietigde de rechtbank het besluit en droeg de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de veiligheidssituatie in Jemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17418

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigden: mr. L. Hartog en mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.T. Cambier.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn tweemaal verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1987 en heeft de Jemenitische nationaliteit.
Op 2 mei 2023 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.
2. Aan de asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft in 1999 Jemen verlaten en is vertrokken naar de VAE. [1] In 2022 is eiser naar Nederland gekomen, nadat zijn verblijfsvergunning in de VAE was verlopen en deze niet meer kon worden verlengd. Bij terugkeer naar Jemen vreest eiser voor oorlog, honger en rekrutering door milities.
3. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De door eiser gestelde vrees bij terugkeer heeft verweerder niet aannemelijk geacht. Verweerder neemt aan dat er in Jemen een relatief hoger niveau van willekeurig geweld is zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [2] (hierna: artikel 15c). Eiser heeft volgens verweerder echter niet aannemelijk gemaakt dat juist hij een groter risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld dan andere burgers in Jemen.
4. Eiser voert daartegen aan dat hij bij terugkeer naar Jemen wel degelijk te vrezen heeft voor een situatie in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [3] De diffuse veiligheidssituatie en de aanwezigheid van diverse strijdende partijen in Jemen maakt dat sprake is van grote willekeur bij rekrutering. Dat eiser ouder is dan 22 jaar, maakt dan ook niet dat hij niet te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering. Daarnaast zal eiser door Jemenitische groeperingen worden beschouwd als een landverrader, omdat hij al meer dan tien jaar niet meer in Jemen woont en langere tijd in de VAE heeft gewoond. Eiser heeft geen netwerk in Jemen en kan van niemand bescherming krijgen. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over artikel 15c in Jemen had moeten afwachten en hij verzoekt de rechtbank om aanhouding van het beroep totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan. Ter onderbouwing van de situatie in Jemen heeft eiser het landenbeleid van verweerder over Jemen, een rapportage van Human Rights Watch en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, [4] overgelegd. Tot slot voert eiser aan dat verweerder, gelet op het voorgaande, de asielaanvraag had moeten behandelen in de verlengde asielprocedure.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Vrees voor rekrutering
5. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vrees van eiser voor gedwongen rekrutering niet aannemelijk is gemaakt. Daarbij is terecht van belang geacht dat eiser niet in de doelgroep van rekruten van de Houthi-rebellen valt. Uit algemene informatie waar verweerder naar heeft verwezen, volgt dat Houthi-rebellen zich voornamelijk richten op mannen in de leeftijd van 18 tot 22 jaar en daarnaast ook steeds meer minderjarigen rekruteren. De meeste rekruten waren analfabeet en afkomstig uit de armste lagen van de bevolking. Eiser behoort niet tot deze groep: hij was ten tijde van het bestreden besluit 37 jaar oud, is geen analfabeet en behoort ook niet tot de armste laag van de bevolking. Met de enkele, niet onderbouwde stelling dat sprake is van grote willekeur bij rekrutering, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de informatie waar verweerder naar verwijst onjuist is of dat hij specifiek een risico op gedwongen rekrutering loopt. Daarbij komt, zoals verweerder terecht heeft overwogen, dat eisers voormalige leefomgeving onder controle staat van de Jemenitische autoriteiten en niet gebleken is dat hij bij terugkeer over grondgebied van milities hoeft te reizen.
Algemene veiligheidssituatie
6. Verweerder ging ten tijde van het bestreden besluit uit van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in Jemen (minder uitzonderlijke situatie), zoals neergelegd in het beleid van verweerder in paragraaf C7/19.4.2 van de Vc. [5] De Afdeling [6] heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025 geoordeeld dat verweerder de beoordeling of in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15c niet deugdelijk heeft gemotiveerd. [7] Bij deze beoordeling zijn namelijk niet alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking genomen.
7. Gelet hierop is sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Het is immers gebaseerd op beleid dat onvoldoende was gemotiveerd. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen.
8. Op 15 oktober 2025 heeft verweerder nieuw landgebonden beleid ten aanzien van Jemen gepubliceerd onder WBV 2025/20. De rechtbank zal hierna – gelet op de ex nunc toets in asielzaken – beoordelen of verweerder nu wel deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld die valt onder artikel 15c en of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
9. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats op 2 juli 2026 al een oordeel heeft gegeven over de motivering van de mate van willekeurig geweld. In twee afzonderlijke uitspraken heeft de meervoudige kamer geoordeeld dat verweerder nog steeds onvoldoende gemotiveerd heeft dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c. [8] De meervoudige kamer heeft daartoe overwogen dat verweerder onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de humanitaire situatie ondanks de opdracht daartoe van de Afdeling, dat onvoldoende is weergegeven hoe verweerder aan de hand van het samenstel van alle relevante aspecten uiteindelijk de afweging heeft gemaakt welk niveau van willekeurig geweld volgens hem van toepassing is en dat verweerder bij de inschatting van de mate van willekeurig geweld in Jemen geen rekening heeft gehouden met recente informatie. Uit het verweerschrift van 23 maart 2026 en wat op 26 maart 2026 ter zitting is besproken, is geen nieuwe informatie naar voren gekomen op basis waarvan de rechtbank tot een ander oordeel dan de meervoudige kamer zou moeten komen. De rechtbank verwijst daarom naar de motivering van de twee uitspraken van de meervoudige kamer van 2 juli 2026.
10. Het voorgaande betekent dat verweerder zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Jemen naar het oordeel van de rechtbank nog steeds ontoereikend heeft gemotiveerd, waarmee onvoldoende duidelijk is of eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Jemen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank zal niet toekomen aan de overige beroepsgronden. Ook ziet de rechtbank geen grond om het beroep aan te houden in afwachting van de uitspraak van de Afdeling.
Conclusie
11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet zorgvuldig is genomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
12. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming
van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan
proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 29 juli 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Verenigde Arabische Emiraten.
2.Richtlijn 2011/95/EU.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
5.De Vreemdelingencirculaire 2000, zoals deze gold tot 12 juni 2026.
6.Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.