ECLI:NL:RBDHA:2026:21272

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.40006
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 VwArt. 8 ScreeningsverordeningArt. 12 ScreeningsverordeningArt. 43 ProcedureverordeningArt. 10 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling oplegging vreemdelingenbewaring tijdens grensprocedure zonder voltooide screening

Eiser heeft op 16 juli 2026 op Schiphol asiel aangevraagd en kreeg direct een bewaringsmaatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde dat de minister de screeningsprocedure eerst volledig had moeten afronden, waaronder een medische screening, voordat de grensprocedure en de bewaringsmaatregel konden worden toegepast.

De rechtbank stelt vast dat de minister bevoegd is om de bewaringsmaatregel op te leggen voordat alle stappen van de screeningsprocedure zijn doorlopen. De Europese regelgeving, waaronder de Screeningsverordening en de Opvangrichtlijn, laat toe dat de grensprocedure ook vóór afronding van de screening wordt toegepast. De minister heeft een belangenafweging gemaakt waarbij het grensbewakingsbelang een groot en doorslaggevend gewicht kreeg.

Eiser voerde aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn, maar de rechtbank oordeelt dat feitelijke toelating tot Nederland door een lichter middel het grensbewakingsbelang zou doorkruisen. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser detentieongeschikt is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de minister vreemdelingenbewaring mocht opleggen tijdens de grensprocedure zonder voltooide screening en wijst het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40006

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).

Samenvatting

1. De rechtbank heeft deze zaak op zitting behandeld en doet nu uitspraak. De rechtbank zal hieronder een samenvatting geven van de uitspraak. Die is bedoeld voor [eiser] . De rechtbank zal hem hierna eiser noemen.
1.1.
Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Eiser is het niet eens met de maatregel en heeft daarvoor argumenten gegeven. Deze argumenten noemt de rechtbank de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden, en ook nog uit zichzelf, beoordeelt de rechtbank of de minister, die de rechtbank hierna verweerder noemt, de maatregel mocht opleggen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de maatregel mocht opleggen. Verweerder hoefde de screeningsprocedure niet eerst te voltooien om de maatregel op te kunnen leggen. Ook heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 16 juli 2026 heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
2.1.
Verweerder heeft de rechtbank van het besluit tot oplegging van de bewaringsmaatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is ook een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en tolk [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact in werking getreden. De daarbij ingevoerde regels zijn van toepassing in zaken waarbij de maatregel van vreemdelingenbewaring op of na 12 juni 2026 is opgelegd. Dat is in deze zaak het geval.
Het bestreden besluit
4. Eiser is op 16 juli 2026 op Schiphol aangekomen en heeft daar een asielaanvraag gedaan. Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en met het bestreden besluit aan eiser een bewaringsmaatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. In het bestreden besluit is vermeld dat eisers asielaanvraag wordt behandeld in de grensprocedure.
Moest verweerder de screeningsprocedure voltooien om de bewaringsmaatregel op te kunnen leggen?
5. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 8 en 12 van de Screeningsverordening. [1] Uit de dossierstukken blijkt namelijk niet dat er tijdens de screeningsprocedure een voorlopige medische controle is uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. Volgens eiser staat in artikel 43 van Pro de Procedureverordening [2] dat de asielgrensprocedure pas kan aanvangen na afloop van de screeningsprocedure. Aangezien er geen volledige, zorgvuldige screening heeft plaatsgevonden, kon de grensprocedure daarom niet worden toegepast. Dat heeft tot gevolg dat verweerder ook geen bewaringsmaatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kon opleggen.
5.1.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de medische screening volgens de Screeningsverordening nog niet had plaatsgevonden toen de bewaringsmaatregel aan eiser werd opgelegd. Die medische screening zou op een later moment, binnen zeven dagen, plaatsvinden. Dit stond volgens verweerder het opleggen van de bewaringsmaatregel niet in de weg omdat aan eiser voorafgaand aan die oplegging is gevraagd of er medische problemen speelden. Eiser heeft toen verklaard dat die er niet zijn.
5.2.
Op grond van artikel 1 van Pro de Screeningsverordening strekt de screening ertoe de controle van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden, te versterken, alle onderdanen van derde landen die aan screening onderworpen zijn, te identificeren en aan de hand van de relevante databanken te controleren of de aan de screening onderworpen personen een bedreiging zouden kunnen vormen voor de binnenlandse veiligheid. De screening omvat in voorkomend geval ook voorlopige medische controles en beoordelingen van de kwetsbaarheid om personen die gezondheidszorg nodig hebben en personen die een gevaar voor de volksgezondheid zouden kunnen vormen te identificeren en kwetsbare personen te identificeren. Dergelijke controles vergemakkelijken de doorverwijzing van die personen naar de passende procedure.
Op grond van artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening is de in deze verordening bepaalde screening van toepassing op alle onderdanen van derde landen die aan buitengrensdoorlaatposten of in transitzones een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en die niet voldoen aan de in artikel 6 van Pro Verordening (EU) 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden.
De rechtbank overweegt dat uit deze bepalingen volgt dat eiser, die niet voldoet aan de voor hem geldende toelatingsvoorwaarden en aan de buitengrens een asielaanvraag heeft gedaan, moet worden gescreend overeenkomstig het bepaalde in de Screeningsverordening.
5.3.
Op grond van artikel 6 van Pro de Screeningsverordening mogen de in artikel 5, leden 1 en 2, bedoelde personen tijdens de screening niet tot het grondgebied van een lidstaat worden toegelaten. De lidstaten leggen in hun nationale recht bepalingen vast om ervoor te zorgen dat de in artikel 5, leden 1 en 2, bedoelde personen voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening op de in artikel 8 bedoelde Pro locaties, om elk risico op onderduiken, mogelijke bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid als gevolg van dergelijk onderduiken of mogelijke gevaren voor de volksgezondheid als gevolg van dergelijk onderduiken te voorkomen.
Op grond van artikel 43, tweede lid, van de Procedureverordening worden verzoekers die worden onderworpen aan de grensprocedure, onverminderd artikel 51, lid 2, en artikel 53, lid 2, niet toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat. Maatregelen van de lidstaten om onrechtmatige binnenkomst op hun grondgebied te voorkomen zijn in overeenstemming met de Opvangrichtlijn. [3]
Uit deze bepalingen volgt dat eiser zowel tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure, waarin zijn asielaanvraag wordt behandeld, niet kan worden toegelaten tot Nederland en dat verweerder maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat eiser ter beschikking blijft van de Nederlandse autoriteiten.
5.4.
In punt 11 van de preambule Screeningsverordening staat:
“Onderdanen van derde landen die aan de screening worden onderworpen, moeten tijdens de screening ter beschikking van de screeningsautoriteiten blijven. De lidstaten moeten in hun nationale recht bepalingen opnemen om de aanwezigheid van die onderdanen van derde landen tijdens de screening te garanderen, teneinde onderduiken te voorkomen. In de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een persoon die aan screening wordt onderworpen in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Er mag alleen tot bewaring worden overgegaan als laatste redmiddel en in overeenstemming met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, waarbij, in overeenstemming met het nationale, Unie- en internationale recht, moet worden voorzien in een doeltreffende voorziening in rechte. De toepasselijke bepalingen van Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad (8) voor personen die om internationale bescherming verzoeken [rechtbank: de Opvangrichtlijn], en de toepasselijke regels inzake bewaring van Richtlijn 2008/115/EG (de “terugkeerrichtlijn”) voor onderdanen van derde landen die geen verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, moeten tijdens de screening van toepassing zijn.”
In punt 69 van de preambule van de Procedureverordening staat:
“Hoewel de grensprocedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming kan worden toegepast zonder een beroep te doen op bewaring, moeten de lidstaten toch de mogelijkheid hebben om tijdens de grensprocedure de gronden voor bewaring toe te passen overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn (EU) 2024/1346 [rechtbank: de Opvangrichtlijn], teneinde een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied binnen te komen. Indien tijdens een dergelijke procedure wordt gebruikgemaakt van bewaring, moeten de bepalingen inzake bewaring van die richtlijn van toepassing zijn, onder meer inzake de waarborgen voor verzoekers in bewaring, de voorwaarden met betrekking tot bewaring, rechterlijke toetsing en de noodzaak om elk geval individueel te beoordelen. In de regel mogen minderjarigen niet in bewaring worden gesteld. Minderjarigen mogen enkel in uitzonderlijke omstandigheden in bewaring worden gesteld, als maatregel in laatste instantie en nadat is vastgesteld dat andere, minder dwingende alternatieve maatregelen, onder meer niet-vrijheidsbenemende plaatsing in de gemeenschap, niet doeltreffend kunnen worden toegepast, en nadat overeenkomstig Richtlijn (EU) 2024/1346 is beoordeeld dat bewaring in hun belang is.”
Op grond van artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn mag een verzoeker alleen op een of meer van de in dit artikellid genoemde gronden in bewaring worden gehouden. In dit artikellid zijn onder a en d de volgende gronden genoemd:
a. a) om zijn identiteit of nationaliteit vast te stellen of na te gaan;
d) om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Pro Verordening (EU) 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te Pro willen indienen, met inbegrip van de vreemdeling op wie artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening van toepassing is, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn, eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, onderscheidenlijk in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening.
Naar het oordeel van de rechtbank bieden deze laatste twee bepalingen de wettelijke grondslag voor verweerders bevoegdheid om eiser, nadat hij om asiel had verzocht, tijdens het vaststellen en nagaan van zijn identiteit en nationaliteit, wat een van de onderwerpen is bij de screening, en tijdens de asielgrensprocedure in bewaring te houden. Daarbij gaat het om een bevoegdheid, dus verweerder moet een belangenafweging verrichten bij het opleggen van een bewaringsmaatregel. Ook moet hij het bepaalde in de Opvangrichtlijn over bewaring in acht nemen.
5.5.
Op grond van artikel 18, eerste en tweede lid, van de Screeningsverordening worden onderdanen van derde landen, bedoeld in de artikelen 5 en 7, die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, zodra de screening is voltooid of uiterlijk bij het verstrijken van de bij artikel 8 van Pro deze verordening bepaalde termijnen, doorverwezen naar de autoriteiten die bevoegd zijn voor de registratie van het verzoek om internationale bescherming.
Op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening kan, na afloop van de overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1356 uitgevoerde screening, indien van toepassing en op voorwaarde dat de verzoeker nog geen toegang heeft gekregen tot het grondgebied van de lidstaten, een lidstaat, in overeenstemming met de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, een verzoek behandelen in een grensprocedure indien dat verzoek is ingediend door een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van Pro de Schengengrenscode. [4] De grensprocedure kan onder meer worden toegepast na de indiening van een verzoek aan een doorlaatpost aan de buitengrens of in een transitzone.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze bepalingen ten eerste dat verweerder - in het geval dat alle stappen van de screeningsprocedure zijn doorlopen - aansluitend de verdere behandeling van eisers asielaanvraag ter hand moet nemen. Ten tweede volgt hieruit dat verweerder na het doorlopen van de screeningsprocedure kan - maar niet moet - kiezen voor de behandeling van eisers asielaanvraag in de grensprocedure. Verweerder is slechts verplicht om de asielaanvraag in de grensprocedure te behandelen als een van de in artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening genoemde gevallen zich voordoet. Uit artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening en artikel 18, eerste en tweede lid, van de Screeningsverordening volgt echter niet dat verweerder niet mag kiezen voor toepassing van de asielgrensprocedure vóórdat alle stappen van de screeningsprocedure zijn doorlopen. Ook in andere bepalingen leest de rechtbank niet dat toepassing van de grensprocedure pas is toegestaan na het doorlopen van alle stappen van de screeningsprocedure. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in artikel 18, vijfde lid, van de Screeningsverordening. Hierin staat:
“Indien onderdanen van derde landen als bedoeld in artikel 5, leden 1 en 2, en artikel 7 van Pro deze verordening worden doorverwezen naar de passende procedure voor internationale bescherming (…) wordt de screening beëindigd. Indien niet alle controles binnen de in artikel 8 van Pro deze verordening bedoelde termijnen zijn voltooid, wordt de screening van die persoon toch beëindigd en wordt de betrokkene naar de passende procedure doorverwezen.”
Hieruit blijkt namelijk dat een geheel voltooide screeningsprocedure geen noodzakelijke voorwaarde is voor een doorverwijzing naar de asielgrensprocedure.
Verweerders keuze voor toepassing van de grensprocedure en niet voor een andere behandelingsprocedure kan de rechtbank in deze zaak over de oplegging van een bewaringsmaatregel niet beoordelen. Maar waar het nu om gaat is dat, anders dan eiser betoogt, er geen grond is om te oordelen dat verweerder deze bewaringsmaatregel niet aan eiser mocht opleggen voordat alle stappen van de screeningsprocedure waren doorlopen overeenkomstig de Screeningsverordening.
5.6.
Verder is de rechtbank van oordeel dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld of de screeningsprocedure juist, dus volgens de regels van de Screeningsverordening, is doorlopen. Van belang is uiteraard wel dat verweerder voorafgaand aan zijn afweging om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen adequaat heeft beoordeeld of eiser detentiegeschikt is en of een lichter middel in dit geval op zijn plaats is. Beide aspecten moet verweerder vervolgens ook in zijn afweging betrekken. Of dat goed is gebeurd, beoordeelt de rechtbank hierna. Wat eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de screening slaagt echter niet.
Had verweerder een lichter middel moeten toepassen?
6. Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Door toepassing van een lichter middel, zoals een meldplicht of een borgsom, wordt het grensbewakingsbelang niet prijsgegeven, omdat eiser dan nog steeds geen toegang krijgt tot het grondgebied. Er is dan namelijk nog niet voldaan aan de toegangsvoorwaarden van artikelen 6 en 14 van de Schengengrenscode. Een vrijheidsontnemende maatregel mag alleen als laatste redmiddel worden toegepast en moet voldoen aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid. Dat volgt onder meer uit punt 11 van de preambule van de Screeningsverordening en uit punt 28 van de preambule en artikel 10 van Pro de Opvangrichtlijn. Eiser verwijst ten slotte naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026. [5]
6.1.
De rechtbank constateert dat verweerder bij zijn beslissing om deze bewaringsmaatregel op te leggen aan het grensbewakingsbelang een groot en doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Dat mocht verweerder volgens de rechtbank op zichzelf ook doen. De Europese Unie heeft het belang van effectieve bewaking van de buitengrenzen op meerdere plaatsen in de Europese regelgeving vastgelegd. Zo is het grensbewakingsbelang benoemd in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, [6] de preambule en artikel 13 van Pro de Schengengrenscode, [7] en de preambule en artikel 1 van Pro de Screeningsverordening. [8] Verder heeft eiser geen concrete bezwaren aangevoerd tegen het opleggen van de bewaringsmaatregel en geen omstandigheden benoemd die kunnen duiden op detentieongeschiktheid. Zulke omstandigheden zijn ook niet gebleken.
Eisers betoog dat verweerder een lichter middel kan toepassen omdat uit de Screeningsverordening volgt dat hij daarmee nog niet wordt toegelaten tot Nederland, volgt de rechtbank niet. Bij toepassing van een lichter middel dan grensdetentie krijgt eiser feitelijk toegang tot Nederland. Dat hij dan in juridische zin nog niet is toegelaten, neemt niet weg dat de feitelijke toelating het grensbewakingsbelang doorkruist. De rechtbank concludeert dat verweerder in dit geval doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het grensbewakingsbelang en er daarom voor kon kiezen om eiser een bewaringsmaatregel op te leggen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Buiten de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook geen reden om te oordelen dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2024/1356.
2.Verordening (EU) 2024/1348.
3.Richtlijn (EU) 2024/1346.
4.Verordening (EU) 2016/399.
6.In artikel 77, eerste lid, aanhef en onder b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie staat dat de Unie een beleid ontwikkelt dat tot doel heeft te zorgen voor personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen.
7.In punt 6 van de preambule van de Schengengrenscode staat: “Grenstoezicht is in het belang van niet alleen de lidstaat aan de buitengrenzen waarvan het wordt uitgeoefend, maar van alle lidstaten die het grenstoezicht aan hun binnengrenzen hebben afgeschaft. Het grenstoezicht moet helpen de illegale immigratie en mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te voorkomen.”
8.Zie de punten 2 tot en met 4 van de preambule van de Screeningsverordening.