ECLI:NL:RBDHA:2026:21273

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.41595
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 44 Asiel- en migratiebeheerverordeningArt. 5.6 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico en overdracht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. De maatregel was gebaseerd op het risico dat eiser zich zou onttrekken aan toezicht en de noodzaak van overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat volgens de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Verweerder stelde dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland was binnengekomen, niet meewerkt aan de overdracht aan Kroatië en dat onmiddellijke overdracht noodzakelijk is. Eiser betwistte deze gronden en voerde aan dat hij niet naar Kroatië kan terugkeren vanwege eerdere behandeling aldaar en dat verweerder de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 Dublinverordening Pro had moeten toepassen.

De rechtbank oordeelde dat de gronden a, k en m feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn, waardoor het onderduikrisico aannemelijk is. Het hoger beroep tegen het overdrachtsbesluit stond in rechte vast. De rechtbank zag geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41595

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 23 juli 2023 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
2. Op grond van het Vb [2] kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde
.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
5. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser betwist alle gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen.
7. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. Verweerder heeft grond a aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Deze grond is feitelijk juist, omdat eiser niet in het bezit is van de vereiste reisdocumenten. Dat deze grond vrijwel voor alle asielzoekers geldt, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Verder heeft eiser op 3 april 2026 een overdrachtsbesluit ontvangen. Uit eisers verklaringen en niet-meewerkende houding blijkt dat hij niet wenst mee te werken aan de overdracht aan Kroatië. De uiterste overdrachtsdatum was 29 juli 2026. Dit maakt dat gronden k en m ook feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Gronden a, k en m zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen. Hieruit volgt het risico op onderduiken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden behoeft daarom geen bespreking meer.
Non-refoulement
8. Eiser stelt dat hij gedurende de gehele asiel- en vertrekprocedure, alsmede tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, consequent heeft verklaard dat hij niet naar Kroatië kan terugkeren vanwege de behandeling die hij daar heeft ondergaan. Hij zet daarbij zijn bezwaren tegen de overdracht uiteen. Daarnaast meent eiser dat verweerder dient te beoordelen of er aanleiding bestond om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening om de behandeling van de
asielaanvraag aan zich te trekken. Uit de maatregel blijkt niet dat verweerder deze mogelijkheid kenbaar heeft betrokken bij zijn belangenafweging.
9. De rechtbank overweegt dat eiser ruim de mogelijkheid heeft gehad om deze bezwaren naar voren te brengen in zijn beroep tegen het overdrachtsbesluit. Zoals ter zitting is besproken heeft de Afdeling [3] op 27 juli 2026 [4] uitspraak gedaan op het hoger beroep. Het overdrachtsbesluit staat daarmee in rechte vast.
Ambtshalve toets
10. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.