ECLI:NL:RBDHA:2026:21274

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.41515
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 94 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie heeft op 10 april 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die nog voortduurt. De rechtbank heeft eerder op 19 mei 2026 de rechtmatigheid van deze maatregel tot het sluiten van het onderzoek op 13 mei 2026 bevestigd. In deze procedure wordt alleen het voortduren van de maatregel na die datum beoordeeld.

Eiser heeft geen concrete gronden aangevoerd tegen het voortduren van de bewaring. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen reden om te oordelen dat de maatregel onrechtmatig is geworden. Er is zicht op uitzetting naar Algerije, ondanks het ontbreken van een laissez-passer, waarvoor verweerder niet verantwoordelijk is vanwege afhankelijkheid van Algerijnse autoriteiten.

Eiser heeft onvoldoende meegewerkt aan het verkrijgen van documenten die de uitzetting kunnen bevorderen. Verweerder heeft meerdere keren contact gezocht met Algerijnse autoriteiten en met eiser vertrekgesprekken gevoerd, waarvan het laatste op 22 juli 2026. De identiteit en nationaliteit van eiser zijn vastgesteld en een persoonlijke presentatie bij de Algerijnse autoriteiten wordt gepland.

Gezien deze feiten is het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41515

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 10 april 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 23 juli 2026 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser getracht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld [1] en daarbij te hebben verzocht om een schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 28 juli 2026 gesloten.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1995 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [2]
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. [3] Uit de uitspraak van 19 mei 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 13 mei 2026.
4. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geworden. Daarbij betrekt zij het volgende. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. Dat er tot op heden nog geen lp is verstrekt kan verweerder niet worden verweten. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder afhankelijk is van de Algerijnse autoriteiten en daar in beperkte mate invloed op kan uitoefenen. Daarbij rust op eiser een verplichting om volledig en actief mee te werken aan het onderzoek naar zijn identiteit. Niet is gebleken dat eiser gedurende zijn inbewaringstelling enige aantoonbare inspanning heeft verricht om aan documenten te komen die de afgifte van een lp zouden kunnen bevorderen. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure nog verschillende keren, en voor het laatst op 16 juli 2026, schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Daarnaast zijn met eiser verschillende vertrekgesprekken gevoerd, waarbij het laatste vertrekgesprek met eiser dateert van 22 juli 2026. Uit dit vertrekgesprek volgt dat eisers identiteit en nationaliteit zijn vastgesteld door de Algerijnse autoriteiten en dat een presentatie van eiser in persoon bij de Algerijnse autoriteiten zal worden ingepland. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat in het geval van eiser geen zicht op uitzetting bestaat of dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw.