ECLI:NL:RBDHA:2026:21278

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.40159
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring ongegrond; schadevergoeding afgewezen

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, verbleef sinds 3 maart 2026 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 10 juli 2026 opgeheven, waarna de rechtbank het onderzoek op 24 juli 2026 sloot zonder zitting.

De kern van het geschil betrof de vraag of de voortzetting van de vreemdelingenbewaring onrechtmatig was, met name of een verlengingsbesluit had moeten worden genomen conform de Terugkeerrichtlijn en het arrest Aroja. Eiser stelde dat het terugkeerbesluit van 18 januari 2019 ten grondslag lag aan de bewaring en dat vanwege eerdere langdurige bewaring in 2019 een verlengingsbesluit al bij aanvang van de huidige bewaring had moeten worden genomen.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit van 18 januari 2019 betrekking had op een eerdere bewaring en dat het huidige besluit van 15 januari 2026 gold, waarbij eiser niet langer dan zes maanden in bewaring was geweest. Daarom was geen verlengingsbesluit vereist. De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in het voortduren van de maatregel tot de opheffing en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40159

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] [1] , eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 maart 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [2] opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft desgevraagd een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft op 10 juli 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 24 juli 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboorteda] 1994 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. [3] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van vreemdelingenbewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 22 juni 2026 tot aan de opheffing van de maatregel.
4. Eiser meent dat eerder ten onrechte geen verlengingsbesluit is genomen. Hij stelt dat het terugkeerbesluit van 18 januari 2019 ten grondslag ligt aan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Gelet op de Terugkeerrichtlijn en het arrest Aroja [4] dient na zes maanden al dan niet onafgebroken vreemdelingenbewaring een verlengingsbesluit genomen te worden. Eiser wijst erop dat hij in 2019 ook in vreemdelingenbewaring heeft verbleven, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, voor de duur van meer dan vijf maanden. Dit maakt dat aan het begin van de inbewaringstelling al een verlengingsbesluit genomen had moeten worden en de maatregel al halverwege maart 2026 onrechtmatig is geworden. In het verlengde hiervan verzoekt eiser om herziening van de uitspraak op het vorige vervolgberoep van 22 juni 2026. Er is geen sprake van nieuwe feiten van na de uitspraak die een ander licht werpen op de zaak, maar van informatie die verweerder ten onrechte niet heeft aangeleverd, terwijl deze wel beschikbaar was.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Eiser heeft van 19 december 2019 tot 28 mei 2020 in vreemdelingenbewaring verbleven op grond van het terugkeerbesluit van 18 januari 2019. Dit terugkeerbesluit zag op een terugkeer naar Libië. Het onderhavige vervolgberoep ziet op de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd op 3 maart 2026. Het terugkeerbesluit wat daaraan ten grondslag heeft gelegen is het aanvullend terugkeerbesluit van 15 januari 2026, waarin is opgenomen dat eiser dient terug te keren naar Algerije dan wel Marokko. Eiser heeft geen zes maanden in vreemdelingenbewaring verbleven op grond van dit aanvullend terugkeerbesluit, wat maakt dat verweerder niet gehouden was om een verlengingsbesluit te nemen. Eisers beroep op het arrest Aroja slaagt dan ook niet.
6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Eiser staat tevens bekend onder de alias Mohamed Mahmoud, geboren 26 maart 1996.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8548 en 22 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16942.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.