Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, verbleef sinds 3 maart 2026 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 10 juli 2026 opgeheven, waarna de rechtbank het onderzoek op 24 juli 2026 sloot zonder zitting.
De kern van het geschil betrof de vraag of de voortzetting van de vreemdelingenbewaring onrechtmatig was, met name of een verlengingsbesluit had moeten worden genomen conform de Terugkeerrichtlijn en het arrest Aroja. Eiser stelde dat het terugkeerbesluit van 18 januari 2019 ten grondslag lag aan de bewaring en dat vanwege eerdere langdurige bewaring in 2019 een verlengingsbesluit al bij aanvang van de huidige bewaring had moeten worden genomen.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit van 18 januari 2019 betrekking had op een eerdere bewaring en dat het huidige besluit van 15 januari 2026 gold, waarbij eiser niet langer dan zes maanden in bewaring was geweest. Daarom was geen verlengingsbesluit vereist. De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in het voortduren van de maatregel tot de opheffing en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.