ECLI:NL:RBDHA:2026:21284
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel in vreemdelingenrecht
De zaak betreft een beroep van eiser tegen een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 6 juni 2026, waarbij eiser verplicht werd zich binnen een deel van de gemeente Hoogeveen te bevinden. De minister baseerde dit besluit op het belang van de openbare orde en het plaatsingsbesluit van het COa.
Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen, omdat hij onvoldoende was geïnformeerd over de gevolgen van het gehoor en niet was gewezen op het recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het gehoor. De rechtbank oordeelde dat het proces-verbaal van het gehoor duidelijk maakte dat eiser op de hoogte was van het voornemen tot oplegging van de maatregel en dat hij voldoende gelegenheid had gekregen om te reageren.
Verder stelde de rechtbank vast dat er geen wettelijke verplichting bestond voor de minister om voorafgaand aan het gehoor te wijzen op het recht op rechtsbijstand, en dat eiser tijdens de procedure niet was verstoken van zijn recht op gratis rechtsbijstand. Gezien het ontbreken van concrete aanwijzingen voor onzorgvuldigheid of schending van rechten, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.