ECLI:NL:RBDHA:2026:21285

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.41047
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 18 DublinverordeningArt. 20 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Eiser is op 21 juli 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege concrete aanwijzingen dat hij onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordeningen valt en een risico op onderduiken bestaat. De minister baseerde dit onder meer op het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het verstrekken van onjuiste gegevens, het niet meewerken aan overdracht, het niet melden van afwezigheid en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.

De rechtbank oordeelt dat eiser terecht in bewaring is gesteld omdat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en een lichter middel niet effectief zou zijn. De medische omstandigheden van eiser zijn betrokken bij de beslissing en de minister heeft voortvarend gehandeld door direct een vlucht aan te vragen en een vertrekgesprek te voeren. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat overdracht niet zou plaatsvinden.

Het beroep van eiser is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die de maatregel onrechtmatig maken of die een lichter middel rechtvaardigen. De rechtbank wijst ook een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41047

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,V-nummer: [v-nummer],

(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring [1] aan eiser. [2] Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser op 21 juli 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw [3] in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. [4] Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. [5] Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [6]
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een (telefonische) tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat deze wordt opgelegd omdat concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Asiel- en
migratiebeheerverordening [7] en omdat er een onderduikrisico bestaat. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
d) De vreemdeling in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
k) een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
o) niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf.
p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [8] heeft gehouden;
r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a, van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en Migratiebeheerverordening.
5.1.
Uit Eurodac is gebleken dat betrokkene op 26 mei 2023 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft daarom op 14 augustus 2023 de autoriteiten van Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, Dublinverordening. Op 28 augustus 2023 zijn de autoriteiten van Kroatië akkoord gegaan op grond van artikel 20, vijfde lid, Dublinverordening.
Gronden
6. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, in samenhang bezien, reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser beschikt niet over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning en heeft daarom niet aannemelijk kunnen maken dat hij via de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen (a). Dat eiser een asielzoeker is doet daar niet aan af, nu de minister mag volstaan met een motivering die feitelijk juist is. [9] Ook heeft eiser een overdrachtsbesluit ontvangen en verleent hij geen medewerking aan de overdracht (k) en is eiser niet langer beschikbaar door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum (o), hetgeen voor beide gronden blijkt uit het gegeven dat eiser op 4 april 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Dat eiser lang heeft moeten wachten op de DT&V is geen verschoonbare reden voor het niet melden van zijn vertrek. Ook kan aan eiser worden tegengeworpen dat hij geen vaste woon- en verblijfplaats heeft (r) nu eiser niet staat ingeschreven in het BRP en niet aannemelijk heeft gemaakt een vaste verblijfplaats te hebben en dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan nu eiser zelf te kennen heeft gegeven niet te beschikken over middelen van bestaan (s). De minister heeft voor deze gronden ook de relevantie voor het risico op onttrekking aan het toezicht gemotiveerd.
6.1.
De maatregel is daarmee gemotiveerd en er zijn ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid van artikel 5.6, van het Vb 2000 aanwezig. Daarmee is voldaan aan de in artikel 5.6 Vb neergelegde voorwaarde voor inbewaringstelling en is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de beoordeling van gronden (d) en (p) daarom gronden onbesproken.
Lichter middel
7. De rechtbank stelt vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende betrokken heeft bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Voorts oordeelt de rechtbank dat de minister heeft kunnen betrekken dat eiser het aan hem opgelegde overdrachtsbesluit niet heeft nageleefd en met onbekende bestemming is vertrokken. De minister heeft hieruit kunnen afleiden dat niet aannemelijk is dat eiser thans wel vrijwillig zal meewerken aan zijn vertrek naar Kroatië. Dat eiser in beroep stelt respect te hebben voor de wet en te zullen meewerken, doet hier niet aan af. De rechtbank ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
8. De minister heeft op dag 1 van de inbewaringstelling een vlucht voor eiser aangevraagd en op dag 3 een vertrekgesprek met eiser gehouden. De rechtbank zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding vormen voor het oordeel dat dit onvoldoende voortvarend is.
Zicht op overdracht
9. Nu eiser onder de Asiel- en migratiebeheerverordening grondslag viel, de minister voortvarend aan de overdracht werkte en de rechtbank anderzijds geen aanknopingspunten heeft dat gedurende de inbewaringstelling reeds duidelijk was dat overdracht uiteindelijk niet zou plaatsvinden, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat zicht op overdracht op enig moment tijdens de inbewaringstelling ontbrak.
Conclusie
10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [10]
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op::
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Hierna: de bewaring.
2.Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
6.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
7.Verordening (EU) 2024/1351).
8.Vreemdelingenbesluit 2000.
9.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
10.Zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja).