ECLI:NL:RBDHA:2026:21396

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
NL26.21649 en NL26.21650
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b VwArt. 8 EVRMVreemdelingenwet 2000VluchtelingenverdragAlgemene wet bestuursrecht Art. 6:22
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid vervolgingsgevaar ondanks eerdere vrijspraak

Eiser, een Turkse staatsburger, diende op 30 november 2023 een asielaanvraag in Nederland in nadat hij vanwege vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging in Turkije was vervolgd en vrijgesproken. De Turkse autoriteiten hadden hem eerder van de marineschool verwijderd en hij was meerdere malen aangehouden en in bewaring gesteld. Ondanks vrijspraak in eerste aanleg en hoger beroep, vreesde eiser opnieuw vervolging bij terugkeer.

De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde een terugkeerbesluit en inreisverbod op. De rechtbank oordeelde dat hoewel de eerdere vervolging en discriminatie geloofwaardig waren, eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij opnieuw vervolgd zou worden. De rechtbank betrok daarbij landeninformatie waaruit bleek dat het risico op vervolging van Gülenisten nog bestaat, maar dat eiser sinds zijn vrijspraak niet meer is lastiggevallen.

Eiser had zich niet tijdig gemeld voor internationale bescherming, wat volgens de rechtbank een geldige grond was voor afwijzing. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro (privéleven) leidde niet tot een verblijfsvergunning. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelde de minister in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.21649 (beroep) en NL26.21650 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. A. Hol),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Samenvatting

1. De rechtbank heeft de zaak van [eiser] op zitting behandeld en doet nu uitspraak. De rechtbank zal hieronder een samenvatting geven van de uitspraak. Die is bedoeld voor [eiser] . De rechtbank zal hem hierna eiser noemen.
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarvoor argumenten gegeven. Deze argumenten noemt de rechtbank de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing voldoet aan de regels van de wet. De minister, hierna: verweerder, heeft eisers problemen geloofwaardig geacht en tegelijk terecht geconcludeerd dat eiser zijn vrees voor vervolging niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft eisers asielaanvraag daarom kunnen afwijzen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 30 november 2023 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening. Met dat verzoek vraagt eiser om de behandeling van het beroep in Nederland te mogen afwachten.
2.2.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Wat legt eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Na de couppoging in Turkije in 2016 is hij per decreet 669 van zijn opleiding op de marineschool verwijderd. De Turkse autoriteiten hebben hem toegedicht betrokken te zijn bij de Gülenbeweging omdat hij cadet was. Eiser is in 2020 aangehouden en op 16 oktober 2020 in bewaring gesteld. Hij heeft in bewaring gezeten tot zijn voorwaardelijke vrijlating op 3 februari 2021. Op 25 november 2021 heeft de rechtbank hem vrijgesproken. Dit vonnis is op 10 november 2022 vernietigd waarna de vervolging weer is begonnen. Hij is daarom op 19 februari 2023 naar Nederland gevlucht. Op 10 mei 2023 is eiser opnieuw door de rechtbank vrijgesproken. Deze uitspraak is op 14 september 2023 door het hof in Turkije bekrachtigd. Eiser is vrijgesproken maar hij vreest bij terugkeer opnieuw te worden vervolgd. Hij is op sociaal en werkgebied achtergesteld en gediscrimineerd in Turkije. Het is voor hem moeilijk om een baan te vinden en ook is zijn pensioen gekort.
Wat staat er in het bestreden besluit?
4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen en tegen hem zijn een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen door toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging.
4.1.
Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Eiser is echter geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. [1] Uit zijn verklaringen blijkt niet dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij op dit moment in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Daarnaast kan verweerder niet inzien waarom eiser niet direct om bescherming heeft gevraagd bij aankomst in Nederland. Dat eiser in het verleden problemen heeft ondervonden op de arbeidsmarkt is ook onvoldoende voor vluchtelingschap. De door eiser ondervonden vooroordelen, dan wel discriminatie, hebben namelijk geen dusdanige beperking van zijn bestaansmogelijkheden opgeleverd dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Verweerder wijst eisers aanvraag af als kennelijk ongegrond [2] omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.
Heeft eiser zijn vrees voor vervolging aannemelijk gemaakt?
5. Eiser voert aan dat hij nog altijd heeft te vrezen voor vervolging in Turkije. Vaststaat dat hij in Turkije slachtoffer is geworden van vervolging op grond van een vermeende politieke overtuiging. Ook ten tijde van zijn twee legale uitreizen uit Turkije was sprake van strafrechtelijke en daarmee vluchtelingrechtelijke vervolging. Dat die strafrechtelijke vervolging uiteindelijk tot vrijspraak heeft geleid, in eerste aanleg en in hoger beroep, doet daar volgens eiser niet aan af. Verweerder stelt verder ten onrechte dat hij bij zijn twee uitreizen niet is “lastiggevallen” door de Turkse overheid. Ook dit is niet bepalend voor de aannemelijkheid van de vrees voor vluchtelingrechtelijke vervolging. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn vrees gewezen op diverse artikelen en op een verklaring van zijn Turkse advocaat. Bij terugkomst in Turkije vreest eiser te worden opgepakt. Hij voert verder aan dat de Turkse autoriteiten hem hebben beperkt in zijn burgerlijke en sociale zekerheidsrechten. Eiser heeft dit onderbouwd met informatie uit e-Devlet. Verder dient de beperking van zijn rechten te worden beschouwd als een uiting van vervolging op grond van een politiek overtuiging. Eiser wijst hiervoor op het schrijven van zijn Turkse advocaat.
5.1.
In de arresten Quotal en Ebilum [3] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu vol.
5.2.
De rechtbank ziet zich gelet op de hierboven genoemde arresten gesteld voor de vraag of eiser op basis van zijn verklaringen en de door hem overgelegde documenten gegronde vrees heeft voor vervolging, of een reëel risico loopt op basis van artikel 3 van Pro het EVRM. [4] De rechtbank stelt vast dat eisers verklaringen, voor zover deze zien op zijn strafrechtelijke vervolging in Turkije, volledig zijn onderbouwd met documenten. De rechtbank betrekt bij haar beoordeling ambtshalve de volgende landeninformatie.
5.3.
Uit landeninformatie blijkt dat Gülenisten nog steeds een risico lopen op vervolging in Turkije. [5] Weliswaar niet meer met dezelfde intensiteit als net na de coup, maar het risico is nog steeds aanwezig. [6] Vooral Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat staan in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Het gaat hier om onder andere cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbaar aanklagers. [7] Eiser was cadet en heeft op de marineschool gezeten. Verder blijkt uit landeninformatie dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen, dan wel zijn vrijgesproken, zoals eiser, of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten wat betreft Gülenisme, in de negatieve belangstelling staan van de Turkse overheid. [8] Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten. [9] Ook hoogleraar [naam 2] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülen-beweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan. [10] In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden. [11]
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat zij begrip heeft voor eisers angst voor en wantrouwen jegens de Turkse autoriteiten daar zij hem onterecht hebben vervolgd. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw vervolgd zal worden. Eiser is veroordeeld als vermeende Gülen-aanhanger en dit stond in direct verband met zijn opleiding op de marineschool. Eiser is hier echter na de Turkse rechtbank uiteindelijk ook door het Turkse hof van vrijgesproken. Nadien is eiser niet meer lastig gevallen door de Turkse autoriteiten. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat de Turkse autoriteiten eisers vervolging hebben beëindigd. Eisers stelling dat hij bij terugkeer wordt opgepakt, heeft hij niet onderbouwd. De rechtbank betrekt hierbij ook dat eiser juist heeft verklaard geen aanhanger te zijn van de Gülen-beweging en ook geen activiteiten ontplooit in dat kader. In zoverre bieden eisers huidige levensstijl of activiteiten geen aanleiding voor nieuwe vervolging of negatieve aandacht. Verweerder heeft erkend dat sprake is geweest van vervolging. Voor zover dit consequenties heeft gehad is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de door eiser gestelde discriminatie niet zodanig is geweest dat hij buiten de maatschappij is gezet, geen werk of diploma heeft kunnen halen en zijn leven niet heeft kunnen leiden. De verklaring [12] van eisers Turkse advocaat kan in dat kader ook niet bijdragen aan de aannemelijkheid van eisers betoog. Dat eiser op sociaal en professioneel gestigmatiseerd wordt, zoals zijn advocaat betoogd, heeft eiser niet de kans op werk ontnomen. Eiser was immers tot vlak tot voor zijn vertrek werkzaam bij [naam bedrijf] . De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat de door eiser overgelegde artikelen zijn vrees niet onderbouwen. Daaruit volgt niet dat eiser bij terugkeer naar Turkije weer vervolgd zal worden, ondanks dat hij twee keer is vrijgesproken.
5.5.
Op de zitting heeft verweerder erkend dat in de besluitvorming niet is benoemd dat eiser betrokkenheid bij de Gülen-beweging is toegedicht en dat hij daarmee valt onder een risicoprofiel. De rechtbank ziet hierin een gebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht omdat niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft immers alle relevante omstandigheden bij zijn besluitvorming betrokken. Ook als wordt uitgegaan van het risicoprofiel heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij opnieuw vervolgd zal worden.
Heeft verweerder eisers asielaanvraag kunnen afwijzen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw?
6. Eiser erkent dat hij zich niet tijdig heeft gemeld om internationale bescherming te vragen. Hij wilde zijn kansen om asiel te krijgen zo groot mogelijk maken en wilde om die reden niet aan Italië worden overgedragen. Eiser stelt zich op het standpunt dat de consequentie hiervan in ieder geval niet kan zijn dat zijn vrees voor vervolging niet aannemelijk is. Hij wijst daarbij op de omstandigheid dat tijdens zijn illegaal verblijf in Nederland nog steeds sprake was van strafrechtelijke vervolging.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen met toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw zoals dat ten tijde van de eisers asielaanvraag gold. [13] Het gegeven dat in 2021 de inwilligingspercentages in Italië lager lagen dan elders in Europa maakt niet dat het onredelijk is om eiser te verwijten dat hij zich niet onverwijld heeft gemeld in Nederland in 2023. Het ontlopen van de Dublinprocedure is ook geen verschoonbare reden om zich niet tijdig te melden bij de Nederlandse autoriteiten voor het indienen van een asielaanvraag. Eisers betoog op zitting dat het kennelijk afwijzen van zijn asielaanvraag op deze grond een bevoegdheid is waarvan geen gebruikt had mogen worden gemaakt, volgt de rechtbank niet. Gezien eisers vrees voor vervolging, mocht er van hem worden verwacht dat hij zich zo snel als mogelijk meldde bij de Nederlandse autoriteiten met zijn verzoek om internationale bescherming.
Heeft verweerder onterecht geen vergunning aan eiser verleend op grond van artikel 8 van Pro het EVRM?
7. Eiser doet een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM in het kader van privéleven. De Turkse overheid heeft ernstige inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en hij heeft in Nederland een nieuw bestaan opgebouwd. Eiser heeft recente informatie van zijn werkgever e-Illis BV overgelegd waaruit blijkt dat hij een bijdrage levert aan het Nederlandse economisch belang. Eiser voegt daaraan toe dat hij al lange tijd geen gebruik meer maakt van Rva-verstrekkingen en beschikt over eigen huisvesting.
7.1.
De rechtbank volgt verweerders standpunt ter zitting dat hij niet gehouden was om aan eiser een vergunning op reguliere gronden verlenen. Eiser heeft in Nederland een baan gevonden en een verklaring van zijn werkgever overgelegd. Hij heeft hiermee echter niet aannemelijk gemaakt dat zijn recht op privéleven zodanig zwaar weegt dat verweerder hem op grond daarvan een reguliere verblijfsvergunning had moeten verlenen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Voor zover eiser meent dat hij vanwege zijn werkzaamheden in aanmerking komt voor verblijf op reguliere gronden, dient hij een daartoe bestemde aanvraag in te dienen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Gezien deze beslissing op het beroep van eiser, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
10. Wegens het in 5.5. geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten voor zijn beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Nu het beroep ongegrond is en het verzoek om een voorlopige voorziening daarom wordt afgewezen, is er geen aanleiding voor een veroordeling in de gemaakte kosten voor het verzoek.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u, voor zover dit gaat over het beroep, een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
2.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) zoals dat gold ten tijde van de afwijzing van eisers asielaanvraag.
3.Arresten van het Hof van 4 juni 2026, C 198/25 en C-440/25.
4.Het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
5.Zie bijvoorbeeld het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina’s 46-49.
6.Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.
7.Zie het ambtsbericht, pagina 49.
8.Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.
9.Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 11 en 12.
10.Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, rechtsoverweging 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.
11.Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina 52.
12.Legal opinion opgesteld door Sumru Aktas Albay op 20 februari 2026.
13.Zoals volgt uit het Staatsblad 2026, 127: Op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ingediend voor 12 juni 2026, blijven de voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 zoals die wet luidde op het moment van inwerkingtreding van artikel I, van toepassing, voor wat betreft voorschriften die betrekking hebben op, onder b: afdoeningsgronden.