Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
namens deze de procesvertegenwoordiger: de IND,verweerder.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een Marokkaanse vrouw, verzocht om een visum kort verblijf om haar echtgenoot in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd door de IND afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf niet voldoende waren aangetoond en er redelijke twijfel bestond over haar voornemen om tijdig terug te keren naar Marokko.
Eiseres voerde aan dat zij sociaal geworteld is in Marokko, een studie volgt en familiebanden onderhoudt. Ook stelde zij dat de economische binding met Marokko blijkt uit haar studie en bankafschriften. De rechtbank oordeelde echter dat deze elementen onvoldoende objectief en samenhangend waren onderbouwd. De aanwezigheid van haar echtgenoot in Nederland en het ontbreken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen in Marokko versterkten de twijfel over haar terugkeer.
De rechtbank bevestigde dat de IND een ruime beoordelingsmarge heeft en dat de weigeringsgrond van redelijke twijfel over terugkeer zelfstandig de afwijzing kan dragen. Daarnaast werd geoordeeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat de hoorplicht en bestuurlijke dwangsom terecht niet van toepassing waren.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.