ECLI:NL:RBDHA:2026:2167

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.57369
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 12 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 17 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit Dublin-overdracht wegens onevenredige hardheid en onvoldoende motivering

Eiseres, een staatloze Palestijnse vrouw uit Syrië, diende op 22 mei 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland verzocht Zweden om haar over te nemen op grond van de Dublinverordening, wat Zweden accepteerde. Verweerder nam de asielaanvraag niet in behandeling omdat Zweden verantwoordelijk is. Eiseres stelde dat zij in Zweden slachtoffer is van huiselijk geweld en vreest voor haar leven vanwege haar ex-partner en diens familie, en dat zij psychische klachten heeft die een overdracht onaanvaardbaar maken.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat Zweden zijn verplichtingen nakomt, maar dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door eiseres onderbouwde psychische problematiek en traumatische ervaringen geen bijzondere individuele omstandigheden vormen die overdracht van onevenredige hardheid doen getuigen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de motiveringsplicht en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent bijzondere individuele omstandigheden en onevenredige hardheid, en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57369

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. F.Arslan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. de Graaf)

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 17 november 2025 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling heeft genomen omdat Zweden verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL25.57370) te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening (NL25.57270) op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiseres is afkomstig uit Syrië. Zij is van Palestijnse afkomst en staatloos en is geboren op [geboortedatum] 1999. Zij heeft haar asielaanvraag op 22 mei 2025 in Nederland ingediend.
1.1.
Op 18 augustus 2025 heeft Nederland aan Zweden verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 12, tweede of derde lid van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening)
.Zweden heeft dit overnameverzoek op 20 augustus 2025 aanvaard op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Zweden op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Zweden een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland te behandelen.
Beroepsgronden
3. Eiseres voert aan dat ten aanzien van Zweden niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Bij terugkeer zal ze in een situatie terechtkomen die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In Zweden is eiseres slachtoffer geworden van huiselijk geweld. Eiseres vreest in Zweden voor haar leven, zij is bang dat ze daar door haar ex man en/of diens familieleden zal worden vermoord. De familie van haar ex man is omvangrijk en zij wonen overal in Zweden, ze zijn zeer agressief en er zijn meerdere gewelddadige voorvallen waar de broers van haar ex man bij betrokken zijn geweest. De ex man van eiseres importeert voedsel naar Zweden en heeft een zeer groot netwerk. Als eiseres moet terugkeren zal hij haar vinden en doden. Eiseres is meermaals bedreigd. Eiseres kampt met paniekaanvallen, stemmingswisselingen en nachtmerries. Deze klachten duiden op een posttraumatische stresssyndroom. Ter onderbouwing van haar klachten voert eiseres eigen verklaringen en medische stukken aan. Hier heeft verweerder ook niet op gereageerd. Eiseres dient in de gelegenheid te worden gesteld om haar behandeling in Nederland af te wachten. Zij is daarnaast door haar ex man onder valse voorwendselen naar Syrië meegevoerd en is daar door hem achtergelaten. Verweerder heeft dit niet meegenomen in het bestreden besluit. De Zweedse autoriteiten zijn niet in staat om haar bescherming te bieden. Op basis van de relatie met haar ex man is aan eiseres een verblijfsvergunning toegekend in Zweden. De relatie is nu beëindigt en het is niet bekend of de Zweedse autoriteiten haar verblijfsvergunning hebben ingetrokken. Verweerder heeft verder gebruik gemaakt van een standaardvoornemen dat geen op eiseres toegesneden motivering bevat. Het bestreden besluit voldoet ook niet aan de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en aan een zorgvuldig feitenonderzoek. Verweerder maakt namelijk niet inzichtelijk hoe hij tot zijn conclusies komt en welke feiten en belangen zijn vastgesteld, afgewogen en beoordeeld. Het bestreden besluit is onrechtmatig en in strijd met huidige wet- en regelgeving genomen. Ook voert eiseres aan dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden en dat overdracht getuigt van onevenredige hardheid. Eiseres doet tot slot een beroep op de Istanbul Conventie, Nederland is gehouden om eiseres te beschermen en niet naar Zweden over te dragen.
Het oordeel van de rechtbank
Standaardvoornemen
4. Eiseres wordt niet gevolgd in haar betoog dat verweerder slechts een standaardvoornemen heeft genomen en dat dit onzorgvuldig is. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1642), waarin verweerder op een vergelijkbare manier had gehandeld. De Afdeling oordeelde dat het feit dat het besluit voor het eerst meer specifiek ingaat op de individuele omstandigheden van een vreemdeling op zichzelf geen grond vormt voor het oordeel dat dit onzorgvuldig is. Dat in het voornemen algemene overwegingen zijn opgenomen en de verklaringen van eiseres hierin niet expliciet zijn meegenomen, maakt dan ook niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. In het voornemen moeten wel alle dragende overwegingen zijn opgenomen, daaronder begrepen een standpunt over de vraag of de aangevoerde individuele omstandigheden aan overdracht in de weg staan. In het voornemen van verweerder is voldoende duidelijk uiteengezet op welke gronden Zweden verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiseres. Eiseres heeft door middel van het indienen van een zienswijze de gelegenheid gekregen om te reageren op het voornemen en heeft hier ook gebruik van gemaakt. Eiseres is hierdoor in staat gesteld om alle relevante informatie naar voren te brengen. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5.1
Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder ten aanzien van Zweden in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dit bevestigd bij uitspraken van 14 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4133) en 23 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2767). Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Zweden zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van eiseres in Zweden niet in strijd zal zijn met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Zweden, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zweedse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Zweden overleggen of verklaringen afleggen over haar eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Zweden. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Zweden sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen waardoor zij bij overdracht aan Zweden een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Eiseres heeft haar stellingen niet met algemene landeninformatie onderbouwd. De Zweedse autoriteiten hebben bovendien met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiseres in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen.
5.3.
Als eiseres meent dat Zweden zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen, kan zij daartegen opkomen bij de Zweedse rechter. Ook als eiseres na overdracht anderszins problemen ondervindt, dient zij zich te beklagen bij de Zweedse autoriteiten of daar om hulp te vragen (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt en onderbouwd dat dit in Zweden niet kan. Daarnaast is het in deze procedure niet van belang of de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken is, aangezien de Dublinprocedure enkel ziet op de verantwoordelijkheidsbepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiseres.
Onevenredige hardheid
6.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
6.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en in dat kader zijn beoordeeld, in beginsel niet (ook) van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. Dat betekent echter niet dat omstandigheden die verband houden met eerdere ervaringen van een vreemdeling in een andere lidstaat, nooit relevant kunnen zijn voor de beoordeling of verweerder zijn discretionaire bevoegdheid uitoefent (ECLI:NL:RVS:2025:717).
6.3.
Eiseres heeft verklaard dat zij door haar ex-partner mishandeld, verkracht, gedrogeerd en seksueel misbruikt is waardoor lichamelijk en psychisch letsel is veroorzaakt. Zij heeft daarover onder meer verklaard dat zij door de mishandeling een miskraam heeft gehad. Verder heeft eiseres onder meer verklaard dat haar ex-partner haar op enig moment zo hard op haar hoofd sloeg dat zij in het ziekenhuis moest worden overgebracht, waar een hersenschudding werd geconstateerd. Dit lijkt te worden onderbouwd in de overgelegde stukken waar zich een foto/afdruk bevindt van een anamnese van een arts in Enköping (Zweden) die vermeld: “
Recently sought emergency care in Enköping due to a head injury, received 2 Pyrex or large thick glass plates on the head. CT brain showed a suspected corpus pineal cyst, approximately 13 mm in size, and peripheral calcifications”. Verder is zij naar eigen zeggen veelvuldig bedreigd, sociaal geïsoleerd en afgezonderd van sociale contacten in Zweden. Er was volgens eiseres verder sprake van extreme controle door haar ex-partner en diens moeder onder meer de inname van identiteitsdocumenten, opsluiting in huis en plaatsing van camera’s. Eiseres ervaart hierdoor angst, paniekaanvallen, nachtmerries, mentale instortingen, migraines en chronische hoofdpijn. Ook zou eiseres onder valse voorwendselen uit Zweden zijn vervoerd en naar Syrië meegevoerd door haar ex-partner. Hij zou eiseres bij haar ouders hebben gebracht en haar daar na enige tijd achter hebben gelaten. Eiseres is toen vanuit Syrië naar Libanon gereisd, vanuit Libanon naar Turkije gegaan en vervolgens naar Rotterdam gereisd. Eiseres stelt dat haar ex-partner een bedrijf heeft dat voedsel importeert en transporteert in heel Zweden en dat hij daardoor een groot netwerk heeft in Zweden, waardoor zij nergens in Zweden veilig is. Ook dit heeft eiseres getracht nader toe te lichten. Ter onderbouwing van haar medische klachten heeft eiseres medische stukken van behandeling in Nederland overlegd. Uit de door haar overlegde stukken volgt dat er een vermoeden is van trauma- en stress-gerelateerde stoornissen bij eiseres. De stukken onderbouwen dat eiseres last heeft van reële angsten, paniekaanvallen die meerdere uren aanhouden, vermoeidheidsklachten, haaruitval, suïcidale klachten vanuit wanhoop en dat de angst om teruggestuurd te worden naar Zweden sterk op de voorgrond staat.
6.4.
Verweerder moet deugdelijk motiveren waarom hij in de door eiseres onderbouwde psychische problematiek in samenhang met de traumatische ervaringen van eiseres met haar ex-partner in Zweden, geen bijzondere individuele omstandigheid ziet die maakt dat overdracht aan Zweden van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft de verklaringen van eiseres en de onderbouwde medische klachten niet en al helemaal niet in voldoende onderlinge samenhang beoordeeld. In het bestreden besluit heeft verweerder zich slechts op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat Nederland haar het beste kan behandelen en dat Nederland erop mag vertrouwen dat Zweden dezelfde medische zorg heeft maar dat is niet de toets die hier voorligt. Het gaat om de vraag of het aan Zweden overdragen van eiseres gelet op de ervaringen aldaar, de vrees en medische klachten niet van onevenredige hardheid getuigd. Het besluit behelst daarom geen deugdelijke motivering waarom de door eiseres beschreven gebeurtenissen en haar medische situatie geen bijzondere individuele omstandigheid zijn als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. De toelichting van verweerder ziet namelijk hoofdzakelijk op de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en (op zichzelf) niet op de boordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen die maken dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt.
6.5.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de door eiseres gestelde en onderbouwde psychische klachten in samenhang met de uitvoerig beschreven ervaringen van eiseres met haar ex-partner, geen bijzondere individuele omstandigheid ziet die maakt dat de overdracht van eiseres aan Zweden van een onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, in stand te laten, nu verweerder het motiveringsgebrek in de beroepsfase niet heeft hersteld (zie 9.3.3.). De rechtbank ziet ook geen mogelijkheid om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien, nu het aan verweerder is en (vooralsnog) blijft om te beoordelen en te motiveren waarom hij wel of geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres.
9. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.