ECLI:NL:RBDHA:2026:2171

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.58732
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30c VwVreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag buiten behandeling gesteld wegens vertrek zonder toestemming en niet tijdig contact

Eiser, van Eritrese nationaliteit, diende op 14 juni 2024 een asielaanvraag in. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser op 9 oktober 2025 zonder toestemming vertrok en niet binnen twee weken contact opnam met de bevoegde autoriteiten.

Eiser betoogde dat hij naar Duitsland reisde vanwege de overschrijding van de beslistermijn van zes maanden en dat dit een geldige reden was. De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig opnemen van contact met de autoriteiten geen geldige reden is, ook niet vanwege de lange wachttijd. Eiser had zich beschikbaar moeten houden en had rechtsmiddelen kunnen inzetten om de beslissing te bespoedigen.

De rechtbank concludeerde dat het buiten behandeling stellen van de aanvraag terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Hello op 30 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag wegens vertrek zonder toestemming en niet tijdig contact.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58732

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.58733), op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser stelt van de Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006.
1.2.
Eiser heeft op 14 juni 2024 een asielaanvraag ingediend. Op 11 november 2025 heeft verweerder een voornemen uitgebracht tot het buiten behandeling stellen van eisers asielaanvraag op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Hieraan ligt ten grondslag dat uit informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COa) en uit informatie van de korpschef van het regionaal politiekorps Rotterdam blijkt dat eiser op 9 oktober 2025 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Verweerder heeft eiser in het voornemen in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten. In het voornemen is opgenomen dat als eiser dit niet doet, zijn asielaanvraag buiten behandeling zal worden gesteld. In het voornemen staat verder dat verweerder van plan is een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn gericht op Eritrea op te leggen en een inreisverbod tegen eiser uit te vaardigen voor de duur van twee jaar. De gemachtigde van eiser heeft op 20 november 2025 een zienswijze ingediend. Vervolgens heeft verweerder op 28 november 2025 het bestreden besluit genomen.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, omdat eiser is verdwenen of zonder toestemming is vertrokken en hierover toerekenbaar niet binnen een termijn van twee weken contact heeft opgenomen met verweerder. Daarnaast blijkt uit informatie van de Duitse autoriteiten dat eiser zijn vingerafdrukken op 30 september 2025 in Duitsland heeft afgegeven en daar op 16 oktober 2025 een asielaanvraag heeft ingediend. Het besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Verweerder heeft daarnaast een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Hij voert hiertoe in de kern aan dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij zonder voorafgaande toestemming van verweerder naar Duitsland is gereisd. Eiser heeft dit namelijk gedaan omdat verweerder de beslistermijn van zes maanden ruimschoots heeft overschreden. [1] Eiser zag zich hierdoor genoodzaakt om elders om internationale bescherming te verzoeken. Verweerder heeft hier bij het buiten behandeling stellen van zijn asielaanvraag en het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod onvoldoende rekening mee gehouden waardoor hij onevenredig hard en onzorgvuldig heeft gehandeld, aldus eiser.
3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, volgt dat verweerder een asielaanvraag buiten behandeling kan stellen als de vreemdeling is verdwenen of zonder toestemming is vertrokken en toerekenbaar niet binnen een gestelde termijn van twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten. Als de vreemdeling niet binnen die termijn contact heeft opgenomen dan is het volgens paragraaf C2/8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) onder ‘
Ad 2 en 3’ relevant of de vreemdeling een geldige reden heeft voor het vertrek MOB.
3.2.
De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiser de opvang heeft verlaten en dat eiser zonder voorafgaande toestemming van verweerder naar Duitsland is gereisd. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij hiervoor een geldige reden had omdat verweerder de beslistermijn van zes maanden heeft overschreden, volgt de rechtbank dit niet. Hierbij acht zij van belang dat verweerder in het voornemen van 11 november 2025 een termijn van twee weken heeft gesteld waarbinnen eiser contact kon opnemen met de bevoegde autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dat heeft gedaan, ondanks dat zijn gemachtigde in de zienswijze heeft aangegeven dat zij contact onderhoudt met eiser. Dat eiser lang op een beslissing heeft moeten wachten, is naar het oordeel van de rechtbank geen geldige reden voor het niet opnemen van contact met de autoriteiten binnen de gestelde termijn. Het gaat er immers om dat eiser zich gedurende de behandeling van zijn asielaanvraag voor verweerder beschikbaar houdt voor het onderzoek in het kader van die aanvraag. Ook heeft eiser bijvoorbeeld geen rechtsmiddel ingesteld om verweerder te bewegen sneller op zijn aanvraag te beslissen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser buiten behandeling heeft kunnen stellen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Verweerder heeft de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025, zaak C-662/23 (Zimir), ECLI:EU:C:2025:326.