Eiser, van Eritrese nationaliteit, diende op 14 juni 2024 een asielaanvraag in. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser op 9 oktober 2025 zonder toestemming vertrok en niet binnen twee weken contact opnam met de bevoegde autoriteiten.
Eiser betoogde dat hij naar Duitsland reisde vanwege de overschrijding van de beslistermijn van zes maanden en dat dit een geldige reden was. De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig opnemen van contact met de autoriteiten geen geldige reden is, ook niet vanwege de lange wachttijd. Eiser had zich beschikbaar moeten houden en had rechtsmiddelen kunnen inzetten om de beslissing te bespoedigen.
De rechtbank concludeerde dat het buiten behandeling stellen van de aanvraag terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Hello op 30 januari 2026.