ECLI:NL:RBDHA:2026:2172

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.57947
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen overdrachtsbesluit asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit van 24 november 2025, waarbij de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 januari 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen. De gemachtigde heeft laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt.

De rechtbank volgt vaste rechtspraak dat een vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt zonder contact te onderhouden geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

De uitspraak is gedaan door rechter T. Boesman en griffier J. Dommerholt op 16 januari 2026 te Rotterdam. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na verzending.

Uitkomst: Het beroep tegen het overdrachtsbesluit is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen belang meer heeft bij bescherming in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57947

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. de Graaf)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het overdrachtsbesluit van 24 november 2025 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening (NL25.57948), op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is anders als een vreemdeling laat weten dat hij nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
3. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 7 januari 2026 bericht dat zij van VluchtelingenwerkWerk Nederland heeft vernomen dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De reden dat eiser met onbekende bestemming zou zijn vertrokken is de gemachtigde niet bekend. Ook heeft eisers gemachtigde aangegeven niet op zitting te verschijnen. Op 24 november 2025 is de zaak op zitting behandeld, eiser is niet verschenen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat in het systeem staat dat eiser het land heeft verlaten.
4. Gezien het feit dat de gemachtigde geen contact meer onderhoudt met eiser en eiser niet ter zitting is verschenen, neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 24 november 2025.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.