ECLI:NL:RBDHA:2026:2183

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
24/9905
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1.3 Wmo 2015Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vastgesteld maximaal uurtarief persoonsgebonden budget Wmo 2015

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag vastgestelde maximale uurtarief voor het persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wmo 2015. Het college had een uurtarief van €42,59 voor 2023 en €46,90 voor 2024 vastgesteld, terwijl eiseres een hoger marktconform tarief van €53,- aanvoerde.

De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd is een maximaal of standaard uurtarief te hanteren en dat dit niet in strijd is met artikel 2.1.3 van de Wmo 2015. Het college heeft de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van een kostprijsonderzoek door een onafhankelijk bureau, waarbij het tarief toereikend is om veilige en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen.

Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat het gehanteerde tarief niet toereikend is. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat de Handreiking pgb-Wmo geen concrete toezegging bevat over het te hanteren uurtarief. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het door het college vastgestelde tarief. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het door het college vastgestelde maximale uurtarief van het pgb wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9905

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. U. Özcan),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: A. Salman-Göleli).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de het beroep van eiseres tegen het door het college bepaalde uurtarief van het pgb [1] voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015 [2] . Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college geen hoger uurtarief aan eiseres hoefde toe te kennen. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij het primair besluit van 29 november 2023 heeft het college de aanvraag van eiseres om ondersteuning vanuit de Wmo 2015 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 12 november 2024 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard. Het college heeft, voor zover van belang, eiseres over de periode 29 november 2023 tot en met 28 november 2025 een pgb toegekend van vier uur per week (ondersteuning basis) tegen een formeel uurtarief van € 42,59 voor 2023 en € 46,90 voor 2024.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. De gemachtigden van partijen hebben hieraan deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
3. Het bestreden besluit heeft betrekking op de periode van 29 november 2023 tot en met 28 november 2025, een periode die inmiddels is verstreken. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of nog sprake is van voldoende procesbelang. In beginsel geldt dat geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding, dan wel een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.
3.1.
Niet is gebleken dat eiseres in de te beoordelen periode, buiten het toegekende pgb om, meer uren ondersteuning heeft gehad waardoor zij kosten heeft gemaakt. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij inmiddels een aanvraag heeft ingediend om verlenging van het pgb. Het college heeft dit ter zitting niet betwist. Gelet op de nieuwe aanvraag is de rechtbank van oordeel dat een inhoudelijk oordeel over het uurtarief van belang kan zijn voor de toekomstige periode. Dit betekent dat eiseres voldoende procesbelang heeft.
Inhoudelijk
4. Eiseres voert aan dat het college niet een maximaal of standaard uurtarief mag hanteren. Zij stelt dat het uurtarief van € 53,- dat haar zorgverlener in rekening brengt marktconform is, en dat het college daarom dat tarief had moeten hanteren. De beroepsgrond slaagt niet. Het volgende is van belang.
4.1.
Uit de Wmo 2015 volgt niet dat het college geen maximaal of standaard uurtarief mag hanteren. In artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 staat enkel dat het college de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld in een verordening moet vastleggen en dat de hoogte van een pgb toereikend moet zijn. Ook uit de door eiseres aangehaalde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2017 [3] kan niet worden afgeleid dat geen maximaal of standaard uurtarief gehanteerd mag worden. Noch in rechtsoverweging 10, waar zij in het beroepschrift naar heeft verwezen, noch in de ter zitting door eiseres aangehaalde rechtsoverweging 9.3. heeft de rechtbank Rotterdam overwogen dat het hanteren van een maximaal of standaard uurtarief in strijd zou zijn met artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015. In die uitspraak staat, integendeel, juist dat een pgb kan worden gemaximeerd tot een bepaald bedrag, zolang met dat pgb maar de daadwerkelijk benodigde zorg kan worden ingekocht.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat het college de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld heeft vastgelegd in artikel 3.2, tweede lid, onder b, van de Verordening. [4] In dit artikel staat dat de hoogte van het pgb niet meer bedraagt dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste compenserende voorziening in natura. Dit heeft geleid tot een uurtarief van € 42,59 (in 2023) en € 46,90 (in 2024). Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat het tarief voor het jaar 2025 in ieder geval lager is dan het uurtarief van € 53,- dat haar zorgverlener in rekening brengt. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het gehanteerde uurtarief niet toereikend is om veilige, doelmatige en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen. Eiseres heeft dit niet onderbouwd met stukken. De enkele stelling dat haar zorgverlener een marktconform uurtarief van € 53,- hanteert, betekent niet dat het college dit uurtarief moet vergoeden. De Wmo 2015 bepaalt enkel dat de hoogte van het pgb toereikend moet zijn en niet dat ieder marktconform tarief moet worden vergoed. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat de door de gemeente Den Haag gehanteerde tarieven zijn vastgesteld naar aanleiding van een kostprijsonderzoek dat is uitgevoerd door een onafhankelijk organisatieadviesbureau. Het uitgangspunt van de kostprijsberekening betreft de daadwerkelijke kostprijzen van de zorgaanbieders die actief zijn voor de gemeente Den Haag. Het college heeft ter zitting een beleidsstuk overgelegd waarin nader is toegelicht hoe de uurtarieven voor een pgb zijn berekend. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat het gehanteerde tarief toereikend is om de hulp die eiseres nodig heeft te kunnen betalen.
Voor zover de gemachtigde van eiseres met zijn opmerking ter zitting dat hij het rapport van het kostprijsonderzoek niet heeft ontvangen wil betogen dat er sprake is van een motiveringsgebrek, is de rechtbank van oordeel dat dit te laat is aangevoerd. In het verweerschrift in beroep uit juli 2025 wordt al naar het hiervoor bedoelde onderzoek verwezen. Eiseres heeft echter niet eerder dan ter zitting aangevoerd dat het onduidelijk is hoe het door het college gehanteerde uurtarief is opgebouwd. Deze grond zal daarom wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.
5. Eiseres voert verder aan dat vertrouwensbeginsel is geschonden. Zij stelt dat zij mocht vertrouwen op hetgeen is bepaald in de Handreiking pgb-Wmo (pagina 12). Onder het kopje ‘het tarief van uw zorgverlener’ staat immers dat er met de zorgaanbieder afspraken gemaakt kunnen worden over het uurloon van de zorgaanbieder. De beroepsgrond slaagt niet. Het volgende is van belang.
5.1.
Wat in de Handreiking pgb-Wmo is opgenomen kan niet aangemerkt worden als een concrete en ondubbelzinnige toezegging van het college waardoor eiseres ervan uit mocht gaan dat het uurtarief van haar zorgverlener zal worden gehanteerd voor het pgb. Daarbij komt dat het college in het verweerschrift heeft toegelicht dat de passage in de Handreiking slechts een algemene richtlijn bevat en dat deze geen concrete, individuele garanties geeft over het toe te passen uurtarief. De passage waar eiseres een beroep op doet ziet op de situatie dat er een resultaatgerichte indicatie is bepaald waarbij het tarief met de zorgverlener nader afgesproken kan worden. In het geval van eiseres is echter in uren geïndiceerd. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het college, volgens vaste rechtspraak, [5] een pgb nader moet concretiseren in uren.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het tarief waar het college van uit is gegaan blijft zoals het is. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Pgb = persoonsgebonden budget
2.Wmo 2015 = Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
4.Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2099