Betrokkene, met diverse aandoeningen en beperkingen bij huishoudelijke taken, ontving een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel. Het oorspronkelijke besluit vermeldde niet het aantal uren ondersteuning, wat tot bezwaar leidde. De rechtbank oordeelde dat de wijze van resultaatgericht indiceren in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en kende betrokkene 3,5 uur per week toe, gebaseerd op het CIZ-protocol.
Het college stelde in hoger beroep dat indiceren in resultaten binnen de beleidsvrijheid van de Wmo 2015 valt en dat de rechtszekerheid voldoende was gewaarborgd via het ondersteuningsplan en gemeentelijke regelgeving. Betrokkene voerde aan dat vanwege extra vervuiling meer uren nodig waren, namelijk 5 uur per week.
De Raad bevestigt dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat cliënten weten hoeveel uren ondersteuning zij ontvangen. De rechtbank heeft terecht aansluiting gezocht bij het CIZ-protocol, maar ten onrechte geen extra tijd toegekend voor extra vervuiling. Na beoordeling van de feiten kent de Raad betrokkene 4,5 uur per week toe, waarbij het beroep van het college wordt verworpen. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten.