Partijen zijn gehuwd sinds 2017 in Suriname en hebben de Surinaamse nationaliteit. De vrouw verzoekt echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning aan haar en betaling van diverse gemeentelijke belastingen en energiekosten aan de man. De man verzet zich tegen de toedeling van het huurrecht aan de vrouw en verzoekt dit aan zichzelf toe te kennen. Tevens vordert hij dat de vrouw hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor schulden aan de Dienst Toeslagen.
De rechtbank oordeelt dat de echtscheiding gegrond is wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk en wijst deze toe. Met betrekking tot het huurrecht weegt de rechtbank het belang van de vrouw zwaarder, mede vanwege haar rol als hoofdverzorgster van de kinderen en het ontbreken van alternatieve woonruimte. De vrouw wordt daarom huurder van de echtelijke woning. De man wordt afgewezen in zijn verzoek tot toedeling van het huurrecht.
Ten aanzien van de schulden aan de Dienst Toeslagen stelt de rechtbank vast dat deze tijdens het huwelijk zijn ontstaan en dat de toeslagen op de rekening van de man zijn ontvangen. De rechtbank volgt de wettelijke hoofdregel dat beide partijen ieder de helft van de schulden dragen en wijst het verzoek van de vrouw af om de man volledig aansprakelijk te stellen. Verzoeken van de man over ongerechtvaardigde verrijking worden afgewezen omdat er een rechtsgrond bestaat in de huwelijksgemeenschap.