ECLI:NL:RBDHA:2026:2187

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/675101 / FA RK 24-7862
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 1:81 BWArt. 1:84 lid 1 BWArt. 1:100 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met toedeling huurrecht en verdeling schulden toeslagen

Partijen zijn gehuwd sinds 2017 in Suriname en hebben de Surinaamse nationaliteit. De vrouw verzoekt echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning aan haar en betaling van diverse gemeentelijke belastingen en energiekosten aan de man. De man verzet zich tegen de toedeling van het huurrecht aan de vrouw en verzoekt dit aan zichzelf toe te kennen. Tevens vordert hij dat de vrouw hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor schulden aan de Dienst Toeslagen.

De rechtbank oordeelt dat de echtscheiding gegrond is wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk en wijst deze toe. Met betrekking tot het huurrecht weegt de rechtbank het belang van de vrouw zwaarder, mede vanwege haar rol als hoofdverzorgster van de kinderen en het ontbreken van alternatieve woonruimte. De vrouw wordt daarom huurder van de echtelijke woning. De man wordt afgewezen in zijn verzoek tot toedeling van het huurrecht.

Ten aanzien van de schulden aan de Dienst Toeslagen stelt de rechtbank vast dat deze tijdens het huwelijk zijn ontstaan en dat de toeslagen op de rekening van de man zijn ontvangen. De rechtbank volgt de wettelijke hoofdregel dat beide partijen ieder de helft van de schulden dragen en wijst het verzoek van de vrouw af om de man volledig aansprakelijk te stellen. Verzoeken van de man over ongerechtvaardigde verrijking worden afgewezen omdat er een rechtsgrond bestaat in de huwelijksgemeenschap.

Uitkomst: De echtscheiding wordt uitgesproken, het huurrecht van de echtelijke woning wordt aan de vrouw toegekend en de schulden aan de Dienst Toeslagen worden gelijkelijk verdeeld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7862
Zaaknummer: C/09/675101
Datum beschikking: 9 januari 2026

Scheiding

Beschikking op het op 25 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Vurdelja te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.V. van der Bom te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de vrouw;
  • het bericht van 8 november 2024 van de vrouw, met bijlage;
  • het bericht van 19 november 2024 van de vrouw, met bijlage;
  • het bericht van 12 december 2024 van de vrouw;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van de man;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw;
- het bericht van 6 februari 2025 van de vrouw;
- het bericht van 27 augustus 2025 van de vrouw;
- het bericht van 21 november 2025, met bijlagen, van de vrouw;
- het aanvullend verzoekschrift van de man;
- het bericht van 27 november 2025, met bijlage, van de man;
- het verweer op het aanvullend verzoekschrift van de vrouw van 27 november 2025.
Op 2 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [dag] 2017 in Suriname.
- Beide partijen hebben de Surinaamse nationaliteit.
- De vrouw heeft uit een eerder huwelijk twee kinderen:
- de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ;
- de meerderjarige [meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt, tot echtscheiding, met een nevenvoorziening tot:
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen de verzochte toedeling van het huurrecht, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man, na aanvulling, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met een nevenvoorziening tot:
- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning;
- bepaling dat de vrouw binnen veertien dagen na de datum van de beschikking aan de man een bedrag dient te betalen van € 199,- met betrekking tot de aanslag gemeentelijke belastingen 2024, een bedrag van € 496,44 met betrekking tot de aanslag gemeentelijke belastingen 2025, een bedrag van € 457,59 met betrekking tot de aanslag van de Regionale Belasting Groep 2025 en een bedrag van € 305,08 met betrekking tot de kosten voor de energielevering, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over deze aan de man verschuldigde bedragen vanaf veertien dagen na de in de zaak gegeven beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;
- te verklaren voor recht dat de vrouw hoofdelijk aansprakelijk is, alsmede bij helfte draagplichtig is voor alle hieronder opgesomde schulden aan de Dienst Toeslagen:
- zorgtoeslag 2023 ( [aanslagnummer 1] );
- zorgtoeslag 2024 ( [aanslagnummer 2] );
- huurtoeslag 2023 ( [aanslagnummer 3] );
- huurtoeslag 2024 ( [aanslagnummer 4] );
- kindgebonden budget 2023 ( [aanslagnummer 5] );
- kindgebonden budget 2024 ( [aanslagnummer 6] );
- kindgebonden budget 2024 ( [aanslagnummer 7] );
- kindgebonden budget 2025 ( [aanslagnummer 8] ),
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – onder referte ten aanzien van de echtscheiding – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Bezwaar van de vrouw tegen aanvullend verzoekschrift man
Namens de vrouw is bezwaar gemaakt tegen het aanvullend verzoekschrift van de man. Het is een totaal nieuw verzoek dat veel te laat (10 dagen voor de zitting) is ingediend en dat is in strijd met de goede procesode, aldus de vrouw. Namens de man is in dit kader aangevoerd dat het aanvullend verzoekschrift tijdig is ingediend en de vrouw ook voldoende tijd heeft gehad om een verweer in te dienen. Daarnaast zijn de aanvullende verzoeken volgens de man ook niet heel ingewikkeld.
Zoals op zitting ook is besproken, zal de rechtbank het aanvullend verzoekschrift van de man toelaten. Het betreffen overzichtelijke verzoeken waartegen de vrouw bij haar stuk van 27 november 2025 reeds inhoudelijk verweer gevoerd, zodat zij niet in haar procesbelangen is geschaad.
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen verzoeken de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken. Tussen partijen staat vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding worden daarom, als op de wet gegrond, toegewezen.
Huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan de man en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt het huurrecht van de echtelijke woning aan haar toe te kennen. De vrouw stelt dat gedurende het huwelijk sprake was van zowel geestelijk als fysiek geweld. Ook blijft de man de vrouw lastigvallen nadat partijen uit elkaar zijn gegaan. De vrouw is dan ook bang voor de man. Verder voert de vrouw aan dat zij, anders dan de man, geen familie of vrienden heeft bij wie zij kan verblijven. Ook heeft de vrouw op korte termijn geen zicht op een alternatieve woonruimte, ondanks dat zij ingeschreven staat op de wachtlijst voor een sociale huurwoning. Tot slot acht de vrouw het in het belang van haar kinderen dat zij in de echtelijke woning kunnen blijven.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt zelfstandig het huurrecht aan hem toe te kennen. Hiertoe voert hij aan dat de vrouw gedurende het huwelijk een affaire had, met wie zij nog steeds samen is. Volgens de man verblijft de vrouw hoofdzakelijk bij haar nieuwe partner en dus niet in de echtelijke woning. Bovendien heeft de vrouw volgens de man toegezegd dat zij de echtelijke huurwoning uiteindelijk zal verlaten, zodat de man de woning weer kan betrekken. De man woonde immers al in de echtelijke woning voordat de vrouw naar Nederland is verhuisd. Op dit moment verblijft de man afwisselend bij vrienden en bekenden. Deze situatie is voor de man echter onhoudbaar. Daarnaast heeft hij geen zicht op een eigen woonruimte. Indien het huurrecht van de echtelijke woning aan de man wordt toegekend, heeft de man aangegeven dat de kinderen van de vrouw gebruik mogen blijven maken van de echtelijke woning.
De rechtbank is zich ervan bewust dat beide partijen belang hebben bij het huurrecht van de echtelijke woning, omdat er voor beiden nog geen zicht is op een alternatief. De rechtbank heeft daarom een belangenafweging gemaakt en is van oordeel dat het belang van de vrouw zwaarder weegt dan het belang van de man. De rechtbank zal uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het is de rechtbank gebleken dat de man inmiddels ruim een jaar elders verblijft, terwijl niet tussen partijen in geschil is dat de vrouw geen familie of vrienden heeft waar zij met de kinderen terecht kan (waarvan op zitting is gebleken die die thans bij de vrouw wonen). Hoewel de man heeft aangegeven dat de kinderen bij hem kunnen wonen, acht de rechtbank dit geen reële mogelijkheid. De vrouw is immers de hoofdverzorgster van haar jongste dochter en de man is niet de juridische vader van de kinderen. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en het verzoek van de man afwijzen. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn.
Schulden Dienst Toeslagen
Partijen hebben gedurende het huwelijk op naam van de man diverse toeslagen en kindgebonden budget ontvangen. Gebleken is echter dat zij te veel hebben ontvangen, waardoor zij de te veel ontvangen bedragen dienen terug te betalen. De man is van mening dat de ontstane schulden betrekking hebben op de huwelijkse periode en derhalve tot de gemeenschap behoren. Om deze reden verzoekt de man voor recht te verklaren dat de vrouw hoofdelijk aansprakelijk is, alsmede bij helfte draagplichtig is voor de schulden die zijn ontstaan als gevolg van de te veel ontvangen toeslagen en kindgebonden budget.
De vrouw voert verweer en stelt zich op het standpunt dat op grond van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – afgeweken moet worden van de hoofdregel die volgt uit artikel 1:100 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), inhoudende dat voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen worden. Hiertoe voert zij aan dat zij niet op de hoogte was van de toeslagen en het kindgebonden budget, nu de man deze heeft aangevraagd en hij de toeslagen en het kindgebonden budget op zijn rekening ontving. Het is dan ook voor de vrouw onduidelijk wat de man met deze gelden heeft gedaan. Om deze reden verzoekt de vrouw te bepalen dat de man volledig draagplichtig zal zijn voor de schulden ten aanzien van de te veel ontvangen toeslagen en kindgebonden budget.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is gebleken dat de toeslagen en het kindgebonden budget op de bankrekening van de man werden ontvangen, omdat de vrouw tot 2022 geen eigen bankrekening had. Van de bankrekening van de man werden vervolgens alle gezamenlijke lasten voldaan, waaronder de huur- en energiekosten. De rechtbank ziet dan ook geen reden om, zoals de vrouw heeft aangevoerd, op grond van redelijkheid en billijkheid af te wijken van het uitgangspunt dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man in zoverre toewijzen.
Ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid overweegt de rechtbank dat door de man zelf is aangevoerd dat partijen op grond van de wet hoofdelijk aansprakelijk zijn. Om deze reden zal het deel van het verzoek dat hierop ziet bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Gebruikerslasten
De man heeft de echtelijke huurwoning in september 2024 verlaten. Hoewel hij sindsdien geen gebruik van de woning heeft kunnen maken, heeft hij na de peildatum, te weten 24 oktober 2024, kosten ten behoeve van de woning voor zijn rekening genomen. Volgens de man zijn deze kosten dan ook ten behoeve van de vrouw gemaakt. Hij stelt zich hierom op het standpunt dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt en dat zij derhalve de door hem verzochte bedragen aan de man dient te voldoen.
De vrouw voert verweer en stelt dat er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Volgens de vrouw is dit slechts aan de orde indien sprake is van een verrijking zonder rechtsgrond. Volgens de vrouw bestaat er in onderhavig geval wel een rechtsgrond, namelijk de huwelijksgemeenschap van partijen. Daarnaast heeft de vrouw aangevoerd dat zij ook kosten heeft gedragen.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft zijn verzoek gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank is echter van oordeel dat hier geen sprake van is. Net als de vrouw is de rechtbank namelijk van oordeel dat er in onderhavig geval een
rechtsgrond aanwezig is, namelijk het feit dat partijen getrouwd zijn. Nog los van het feit dat partijen dan op grond van artikel 1:81 BW Pro gehouden zijn om elkaar het nodige te verschaffen, geldt op grond van artikel 1:84 lid 1 BW Pro dat de kosten van de huishouding (waar de door de man aangevoerde kosten onder lijken te vallen) ten laste van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan dienen te komen. Nu de vrouw op de zitting onbetwist heeft aangevoerd dat zij ook bepaalde bedragen heeft voldaan, kan de rechtbank niet vaststellen of de man meer heeft betaald dan waartoe hij op grond van artikel 1:84 lid 1 BW Pro gehouden was. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [dag] 2017 te Suriname;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte te [adres]
;
*
bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schuld ten aanzien van de te veel ontvangen toeslagen en kindgebonden budget voor zijn/haar rekening dient te nemen;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van de beslissing tot echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 januari 2025.