ECLI:NL:RBDHA:2026:2256

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/670850 / FA RK 24-5765, C/09/679949 / FA RK 25-955 & C/09/688193 / FA RK 25-5183
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:80b BWArt. 1:100 BWArt. 1:102 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geregistreerd partnerschap met alimentatie en verdeling vermogen

Partijen zijn sinds 2013 geregistreerd partners en ouders van een minderjarige en een jong-meerderjarige. De rechtbank ontbindt het geregistreerd partnerschap wegens duurzame ontwrichting. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bij de vrouw vastgesteld. De man wordt verplicht kinderalimentatie en alimentatie voor de jong-meerderjarige te betalen, berekend op basis van draagkracht en behoefte.

De rechtbank wijst het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling af, omdat de man het contact met de minderjarige niet wil afdwingen en de minderjarige zelf bepaalt wanneer contact plaatsvindt. De alimentatiebedragen worden vastgesteld voor drie periodes met jaarlijkse indexering vanaf 2027.

De partnerschapsgemeenschap wordt bij helfte verdeeld, waarbij de woning aan de man wordt toegedeeld onder voorwaarden, inclusief een vergoedingsrecht van ruim €393.000. De vrouw krijgt het voortgezet gebruik van de woning voor zes maanden met een gebruiksvergoeding van 2% per jaar van het aan de man toekomende deel van de overwaarde. Verder worden bankrekeningen, inboedel, auto en aandelen verdeeld conform afspraken.

De rechtbank wijst verzoeken tot niet-ontvankelijkheid af en behandelt de alimentatie jong-meerderjarige als een zelfstandig verzoek. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met een begeleidende brief aan de minderjarige waarin het contact met de vader wordt toegelicht.

Uitkomst: De rechtbank ontbindt het geregistreerd partnerschap, stelt hoofdverblijfplaats en alimentatie vast, en regelt de verdeling van vermogen en gebruik woning met een gebruiksvergoeding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 24-5765 (ontbinding), FA RK 25-955 (verdeling) en FA RK 25-5183 (alimentatie jong-meerderjarige)
Zaaknummers: C/09/670850 (ontbinding), C/09/679949 (verdeling) en C/09/688193 (alimentatie jong-meerderjarige)
Datum beschikking: 8 januari 2026

Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen

Beschikkingop het op 9 augustus 2024 ingekomen verzoek inzake C/09/670850 / FA RK 24-5765 en C/09/679949 / FA RK 25-955 van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Schreurs te Alphen aan den Rijn,
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. van Venetiën te Alphen aan den Rijn.
en
beschikkingop het op 9 augustus 2024 ingekomen verzoek inzake C/09/688193 / FA RK 25-5183 van:

[jongmeerderjarige] ,

de jong-meerderjarige,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Schreurs te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de man voornoemd.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 5 september 2024 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het door de man ingevulde mediationformulier, ingekomen op 10 februari 2025;
- het F9-formulier van 7 augustus 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
- het verweerschrift van 8 november 2025 van de advocaat van de man;
- het F9-formulier van 10 november 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 14 november 2025 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 17 november 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 18 november 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 25 november 2025 van de advocaat van de vrouw;
- het F9-formulier van 26 november 2025 van de advocaat van de man, met bijlagen.
De minderjarige [minderjarige] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.
Op 27 november 2025 zijn de zaken op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de jong-meerderjarige, bijgestaan door zijn advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op [dag] 2013 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
- Zij zijn de ouders van jong-meerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] , hierna: [jongmeerderjarige] .
- [minderjarige] verblijft momenteel bij de vrouw.
- Bij beschikking van 11 juni 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage zijn de ouders belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] .

Verzoek en verweer

De vrouw heeft – na wijziging – verzocht om ontbinding van het geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen tot:
- bepaling dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn;
- bepaling dat de man aan de vrouw met ingang van 8 augustus 2024 ten behoeve van [minderjarige] een bijdrage van € 350,- per maand zal voldoen, telkens bij vooruitbetaling te betalen en bepaling dat de man met ingang van 1 augustus 2024 aan [jongmeerderjarige] een bedrag van € 400,- netto per maand zal voldoen, telkens bij vooruitbetaling te betalen;
- bepaling dat het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de inboedel aan de vrouw zal worden toegewezen voor de maximale duur tot zes maanden na de inschrijving van de scheidingsbeschikking bij de gemeente;
- de verdeling van de gemeenschap van partijen als volgt vast te stellen:
- bepaling dat de woning van partijen zo spoedig mogelijk na afgifte van de scheidingsbeschikking door de rechtbank zal worden verkocht, doch uiterlijk binnen drie weken in de verkoop zal worden gezet bij [bedrijf 1] te [plaats] , met bepaling dat partijen de kosten van verkoop en levering van de woning bij helfte zullen betalen;
- bepaling dat de saldi van de bankrekeningen van partijen allen per peildatum bij helfte zullen worden verdeeld en dat ieder zijn eigen bankrekeningen behoudt en voortzet;
- bepaling dat de auto, een Ford Ka, aan de vrouw zal worden toebedeeld, zonder verrekening van waarde;
- bepaling dat partijen de inboedel bevindende in de gezamenlijke woning van partijen in overleg bij helfte zullen verdelen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft zich ten aanzien van de verzochte ontbinding van het geregistreerd partnerschap en de hoofdverblijfplaats gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht om ontbinding van het geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen tot:
- veroordeling van de vrouw tot nakoming/uitvoering van de volgende zorg- en contactregeling:
- gedurende de eerste vier weken vanaf de beschikking, omgang op iedere zaterdag van 10.00 uur tot 20.00 uur;
- in de daaropvolgende vier weken, omgang van iedere vrijdagmiddag na schooltijd tot zaterdag 20.00 uur;
- nadien gedurende een weekend per twee weken van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd;
- in de oneven jaren zal [minderjarige] in de voorjaarsvakantie bij de man verblijven;
- in de even jaren zal [minderjarige] gedurende de eerste aaneengesloten helft van de meivakantie bij de man verblijven;
- in de oneven jaren zal [minderjarige] gedurende de tweede aaneengesloten helft van de meivakantie bij de man verblijven;
- in de even jaren zal [minderjarige] gedurende de tweede aaneengesloten helft van de zomervakantie bij de man verblijven;
- in de oneven jaren zal [minderjarige] gedurende de eerste aaneengesloten helft van de zomervakantie bij de man verblijven;
- in de even jaren zal [minderjarige] in de herfstvakantie bij de man verblijven;
- in de even jaren zal [minderjarige] van tweede kerstdag 10.00 uur tot 27 december 09.00 uur bij de man verblijven;
- in de oneven jaren zal [minderjarige] van eerste kerstdag 09.00 uur tot tweede kerstdag 10.00 uur (de rechtbank begrijpt: bij de man verblijven);
- in de even jaren zal [minderjarige] gedurende de tweede aaneengesloten helft van de kerstvakantie bij de man verblijven, onverminderd het feit dat [minderjarige] bij ieder van de ouders gedurende één kerstdag zal verblijven;
- in de oneven jaren zal [minderjarige] gedurende de eerste aaneengesloten helft van de kerstvakantie bij de man verblijven, onverminderd het feit dat [minderjarige] bij ieder van de ouders gedurende één kerstdag zal verblijven;
- [minderjarige] zal op Moederdag bij de vrouw verblijven;
- [minderjarige] zal op Vaderdag bij de man verblijven;
- in de even jaren zal [minderjarige] tijdens Pinksteren bij de man verblijven;
- in de oneven jaren zal [minderjarige] tijdens Pasen bij de man verblijven;
- op de verjaardag van de man zal [minderjarige] bij de man verblijven;
- het wisselmoment tijdens vakanties zal plaatsvinden op vrijdag na school;
- vaststelling van de (wijze van) verdeling van de ontbonden partnerschapsgoederengemeenschap conform hetgeen de man heeft verzocht in het lichaam van het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- vaststelling dat de ontbonden partnerschapsgoederengemeenschap aan de man een vergoedingsrecht/geldsom van € 393.382,35 zal voldoen/vergoeden, althans de vrouw te veroordelen aan de man een vergoedingsrecht/geldsom te voldoen van € 196.691,18;
- veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een gebruiksvergoeding van € 1.578,- per maand, althans een zodanige vergoeding als de rechtbank in goede justitie vaststelt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 1 mei 2024;
een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verzocht de verzoeken van de man ten aanzien van zijn Holding B.V. en het vergoedingsrecht toe te wijzen, met bepaling dat dit bedrag zal worden verrekend met het aandeel in de overwaarde van de vrouw bij de levering van de woning. De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Ontbinding geregistreerd partnerschap
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de minderjarige tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist en heeft eveneens verzocht om ontbinding van het geregistreerd partnerschap, zodat de verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
De vrouw heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen. De man heeft zich ten aanzien van dit verzoek gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Gelet hierop zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw bepalen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de man toegelicht dat hij het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling heeft ingediend, omdat hij het contact met [minderjarige] wil herstellen. De man heeft aangegeven in te zien dat hij het contact met [minderjarige] niet kan afdwingen en hij [minderjarige] hiertoe de tijd en ruimte wil geven. De man wil niet dat de rechtbank een vaste zorgregeling zal vaststellen, maar desondanks heeft hij zijn verzoek gehandhaafd. Gelet hierop zal de rechtbank het aanvankelijke verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling met [minderjarige] afwijzen.
Kinderalimentatie en alimentatie jong-meerderjarige
Bij de berekening van de kinderalimentatie en de alimentatie jong-meerderjarige neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ontvankelijkheid
De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw en [jongmeerderjarige] hun verzoeken niet of onvoldoende met deugdelijke financiële stukken hebben onderbouwd. Volgens de man dienen zij daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun verzoeken. De rechtbank overweegt dat [minderjarige] een minderjarig schoolgaand kind is dat niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Uit de inkomenssituatie van beide ouders is, zoals hierna wordt overwogen, af te leiden dat [minderjarige] behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. Ook voor [jongmeerderjarige] geldt dat hij niet volledig in zijn eigen kosten kan voorzien en hij behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie. De rechtbank zal de vrouw en [jongmeerderjarige] daarom ontvangen in hun verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft op de zitting haar verzoek ten aanzien van [minderjarige] geactualiseerd naar de vaststelling van een kinderalimentatie van € 450,-.
Omdat [jongmeerderjarige] meerderjarig is, heeft hij zijn moeder een volmacht gegeven om in de procedure met kenmerk C/09/688193 / FA RK 25-5183 voor hem een bijdrage aan alimentatie te verzoeken. In het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2025 is de prejudiciële vraag of een verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van een jong-meerderjarige ontvankelijk is wanneer de ouder die hiertoe gemachtigd is dit als nevenvoorziening van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de zin van artikel 827 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verzoekt, ontkennend beantwoord (ECLI:NL:HR:2025:724). Een dergelijke bijdrage kan niet op de voet van artikel 827, eerste lid, aanhef en onder g, Rv als nevenvoorziening worden bepaald, omdat het om een aanspraak gaat van de jong-meerderjarige op zijn of haar ouders. De ontbinding heeft op die aanspraak geen effect. Het voorgaande staat er niet aan in de weg dat de rechtbank een dergelijk verzoek van de jong-meerderjarige afsplitst en gelijktijdig behandelt met verzoeken die in die scheidingsprocedure tussen de ouders van de jong-meerderjarige worden gedaan en daar gelijktijdig op beslist. Zo is geschied.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank overweegt dat gebleken is dat de man de afgelopen periode nauwelijks heeft bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] . Daarbij heeft de man sinds de indiening van het verzoekschrift van de vrouw rekening kunnen houden met een door hem te betalen bijdrage voor [minderjarige] en [jongmeerderjarige] . De rechtbank zal de kinderalimentatie en de alimentatie jong-meerderjarige daarom vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 9 augustus 2024.
Behoefte [minderjarige]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige] is tussen de ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van de ouders tijdens hun samenleving worden bepaald. De rechtbank zal de behoefte berekenen aan de hand van de tarieven 2024-II, omdat de ouders in 2024 uit elkaar zijn gegaan.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. De rechtbank houdt aan de zijde van de vrouw rekening met een inkomen van € 35.559,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave over 2024.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
De rechtbank berekent het NBI van de vrouw in 2024 op € 2.541,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. De vrouw heeft primair gesteld dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat hij financieel niet in staat is om de door de vrouw verzochte bijdrage te voldoen. Volgens de vrouw dient subsidiair minimaal te worden uitgegaan van een DGA-salaris van € 56.000,- per jaar. De rechtbank overweegt dat de man onvoldoende stukken heeft overgelegd, waardoor niet duidelijk is wat het exacte inkomen van de man in 2024 is geweest. Dit komt voor rekening van de man. Volgens de vrouw blijkt uit de door de man overgelegde bankafschriften van zijn zakelijke bankrekening, gelet op de netto-bijschrijvingen, mogelijk een nog hoger inkomen dan het minimale DGA-salaris van € 56.000,- per jaar. De man heeft de omvang van deze bijschrijvingen weersproken. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat van de netto-omzet van de man nog kosten moeten worden afgetrokken. De rechtbank zal daarom voor het inkomen van de man in 2024 in redelijkheid uitgaan van een DGA-salaris van € 56.000,- bruto per jaar.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
De rechtbank berekent het NBI van de man in 2024 op € 3.175,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 5.716,- per maand (€ 2.541,-
+€ 3.175,-). Omdat de ouders twee kinderen hebben en de oudste ( [jongmeerderjarige] ) jong-meerderjarig is, zal de rechtbank de behoefte van [minderjarige] berekenen op basis van een gezin van twee kinderen. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024 leidt een NBGI van € 5.716,- tot een behoefte van twee kinderen van € 1.393,- per maand. Voor [minderjarige] gaat de rechtbank daarom uit van een behoefte van € 697,- (€ 1.393 / 2).
Behoefte [jongmeerderjarige]
Conform het rapport wordt voor de berekening van de behoefte van een jong-meerderjarige uitgegaan van de normen opgenomen in de Wet studiefinanciering (Wsf-norm).
In paragraaf 3.2.10 van het rapport is hierover verder het volgende opgenomen: ‘
Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming in de kosten van lesgeld dan wel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt.’.
De rechtbank zal voor de berekening van de behoefte van [jongmeerderjarige] uitgaan van bovengenoemde uitgangspunten. Het normbedrag voor levensonderhoud en les- en collegegelden voor een thuiswonende mbo-student bedraagt in de periode augustus tot en met december 2024 € 730,90 per maand. De rechtbank brengt hierop € 99,94, zijnde het bedrag van de basisbeurs, in mindering, nu [jongmeerderjarige] heeft bevestigd een basisbeurs te ontvangen en van hem verwacht kan worden dat hij binnen tien jaar afstudeert. De man heeft gesteld dat [jongmeerderjarige] een aanvullende beurs zou ontvangen en deze op de behoefte van [jongmeerderjarige] in mindering moet worden gebracht. [jongmeerderjarige] heeft betwist aanspraak te kunnen maken op een aanvullende beurs. De rechtbank zal geen rekening houden met een aanvullende beurs, nu de rechtbank er op basis van de gestelde inkomens van beide ouders niet van uitgaat dat [jongmeerderjarige] aanspraak zou kunnen maken op een substantiële aanvullende beurs.
Verder overweegt de rechtbank dat op de zitting is gebleken dat [jongmeerderjarige] van oktober 2025 tot en met maart 2026 – aldus gedurende zes maanden – een stagevergoeding ontvangt van € 175,- per maand. Daarnaast ontvangt [jongmeerderjarige] momenteel inkomsten uit zijn bijbaan. Namens [jongmeerderjarige] is een loonstrook overgelegd van oktober 2025, waaruit blijkt dat zijn bruto-inkomen € 475,72 bedroeg. Op de zitting heeft [jongmeerderjarige] gesteld dat dit inkomen betrekking had op een periode van anderhalve maand. De rechtbank constateert dat zij niet volledig inzicht heeft in het inkomen van [jongmeerderjarige] . Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van een inkomen uit de bijbaan van [jongmeerderjarige] van € 300,- bruto per maand.
Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het inkomen van [jongmeerderjarige] op € 1.050,- (6 x € 175,-) + € 3.600,- (12 x € 300,-) = € 4.650,- bruto per jaar. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [jongmeerderjarige] voor € 387,50 per maand (€ 4.650,- / 12) in zijn eigen behoefte kan voorzien.
De behoefte van [jongmeerderjarige] bedraagt aldus een bedrag van (afgerond) € 243,- per maand (€ 730,90 - € 99,94 - € 387,50).
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding de behoefte van [minderjarige] en [jongmeerderjarige] tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht
De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)].
Woonlasten
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van het woonbudget of van haar werkelijke woonlast, die lager liggen volgens de man.
De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de vrouw rekening te houden met haar werkelijke woonlasten. Het uitgangspunt is dat wordt uitgegaan van het woonbudget. Gebleken is dat de vrouw de afgelopen periode beperkte woonlasten heeft gehad. Vanaf de periode na de scheiding zal de vrouw echter aanzienlijke woonlasten gaan krijgen. Bovendien zal de man in het kader van de verdeling de echtelijke woning overnemen en, mede vanwege het moeten uitkopen van de vrouw, eveneens worden geconfronteerd met hogere woonlasten. De rechtbank zal daarom niet afwijken van het woonbudget.
Draagkracht man
De rechtbank overweegt dat de man op de zitting heeft gesteld dat hij na afronding van de scheidingsprocedure in staat zal zijn om zijn voormalig compagnon uit te kopen en hij dan een aanzienlijk hoger inkomen zal genereren. De rechtbank merkt op dat dit mogelijk zal leiden tot een wijziging van omstandigheden, waardoor de alimentatie opnieuw moet worden berekend. Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank bij gebrek aan nadere gegevens uit van hetzelfde inkomen als bij de behoefte, namelijk een DGA-salaris van € 56.000,- bruto per jaar.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de draagkracht van de man rekening gehouden moet worden met schulden van de man en aflossingen daarop. Door de man zijn de volgende schulden opgevoerd:
  • advocaatkosten van € 300,- per maand;
  • een geldlening bij de moeder van de man ten bedrage van € 19.000,- (per 9 november 2025), waarop de man stelt € 250,- per maand af te lossen;
  • een geldlening bij de oom van de man ten bedrage van € 7.700,- (per 9 november 2025), waarop de man stelt € 150,- per maand af te lossen.
De rechtbank is van oordeel dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw de door hem opgevoerde schulden onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft niet aangetoond dat het ontstaan van de geldleningen bij zijn moeder en oom niet verwijtbaar en niet vermijdbaar is. Ook heeft hij niet onderbouwd waarvoor hij deze is aangegaan. Ten aanzien van de advocaatkosten overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de man een lening heeft afgesloten of dat er nog een rekening openstaat. Verder is in het kader van de verdeling gebleken dat de man kan beschikken over een aanzienlijk vermogen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de man financieel in staat is om de schulden af te lossen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de man geen rekening houden met deze schulden.
De rechtbank berekent het NBI van de man in 2025 op € 3.232,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 666,- per maand, te weten
70% x [3.232 - (0,3 x 3.232 + 1.310)].
Draagkracht vrouw
Nu de rechtbank de alimentatie zal vaststellen met ingang van 9 augustus 2024 en is gebleken dat de vrouw in 2024 en 2025 een verschillend inkomen had, ziet de rechtbank aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit te gaan van verschillende periodes. De rechtbank zal de draagkracht van de vrouw berekenen in 2024 (periode I), 2025 (periode II) en vanaf 2026 (periode III).
Periode I
De rechtbank houdt aan de zijde van de vrouw rekening met een inkomen van € 35.559,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave over 2024.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 6.020,-.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
De rechtbank berekent het NBI van de vrouw in 2024 op € 3.042,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 601,- per maand, te weten
70% x [3.042 - (0,3 x 3.042 + 1.270)].
Periode II
Gebleken is dat de vrouw in 2025 gedeeltelijk is uitgevallen van haar werk en minder heeft gewerkt dan in 2024. Uit de door de vrouw overgelegde loonspecificaties van januari 2025 tot en met oktober 2025 blijkt dat het inkomen van de vrouw over deze periode in totaal € 23.433,- bruto bedroeg. De rechtbank zal conform het standpunt van de vrouw dit inkomen extrapoleren naar een volledig jaar. De man heeft dit op de zitting niet weersproken. De rechtbank houdt daarom rekening met een inkomen van de vrouw van € 28.120,- bruto per jaar in 2025.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 6.836,-.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
De rechtbank berekent het NBI van de vrouw in 2025 op € 2.768,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 440,- per maand, te weten
70% x [2.768 - (0,3 x 2.768 + 1.310)].
Periode III
De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat zij verwacht vanaf 2026 weer haar oude inkomen te kunnen verwerven. De rechtbank houdt daarom vanaf 2026 aan de zijde van de vrouw rekening met een inkomen van € 35.559,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave over 2024.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 6.328,-.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
De rechtbank berekent het NBI van de vrouw in 2025 op € 3.100,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 602,- per maand, te weten
70% x [3.100 - (0,3 x 3.100 + 1.310)].
Gezamenlijke draagkracht partijen
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt per maand:
  • periode I: € 1.267,-;
  • periode II: € 1.106,-;
  • periode III: € 1.268,-.
Draagkrachtvergelijking
De gezamenlijke draagkracht van partijen is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] en [jongmeerderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Periode I
[minderjarige]
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 666 / 1.267 x 697 = € 366,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 601 / 1.267 x 697 =
€ 331,-
[jongmeerderjarige]
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 666 / 1.267 x 243 = € 128,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 601 / 1.267 x 243 =
€ 115,-
samen € 940,-
Derhalve komt in periode I van de totale behoefte van [minderjarige] een gedeelte van € 366,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 331,- per maand voor rekening van de vrouw. Van de totale behoefte van [jongmeerderjarige] komt een gedeelte van € 128,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 115,- per maand voor rekening van de vrouw.
Periode II
[minderjarige]
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 666 / 1.106 x 697 = € 420,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 440 / 1.106 x 697 =
€ 277,-
[jongmeerderjarige]
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 666 / 1.106 x 243 = € 146,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 440 / 1.106 x 243 =
€ 97,-
samen € 940,-
Derhalve komt in periode II van de totale behoefte van [minderjarige] een gedeelte van € 420,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 277,- per maand voor rekening van de vrouw. Van de totale behoefte van [jongmeerderjarige] komt een gedeelte van € 146,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 97,- per maand voor rekening van de vrouw.
Periode III
[minderjarige]
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 666 / 1.268 x 697 = € 366,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 602 / 1.268 x 697 =
€ 331,-
[jongmeerderjarige]
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 666 / 1.268 x 243 = € 128,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 602 / 1.268 x 243 =
€ 115,-
samen € 940,-
Derhalve komt in periode III van de totale behoefte van [minderjarige] een gedeelte van € 366,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 331,- per maand voor rekening van de vrouw. Van de totale behoefte van [jongmeerderjarige] komt een gedeelte van € 128,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 115,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Nu [jongmeerderjarige] meerderjarig is en er op dit moment geen zicht is op een structurele zorgregeling tussen de man en [minderjarige] , zal de rechtbank geen zorgkorting toepassen.
Conclusie kinderalimentatie
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, bepalen dat de man, in periode I een bedrag van € 366,- per maand voor [minderjarige] aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen, in periode II een bedrag van € 420,- per maand en in periode III een bedrag van € 366,- per maand. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.
Conclusie alimentatie jong-meerderjarige
Nu [jongmeerderjarige] jong-meerderjarig is, dient de man de bijdrage rechtstreeks aan [jongmeerderjarige] te voldoen. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, bepalen dat de man, in periode I een bedrag van € 128,- per maand aan alimentatie aan [jongmeerderjarige] moet voldoen, in periode II een bedrag van € 146,- per maand en in periode III een bedrag van € 128,- per maand. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.
Verdeling partnerschapsgemeenschap
Partijen zijn op 22 mei 2013 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Niet gesteld of gebleken is dat de geregistreerd partners partnerschapsvoorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW in samenhang met artikel 1:80b BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de geregistreerd partners een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dat de (door indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) ontbonden partnerschapsgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW Pro, in samenhang met artikel 1:80b BW (zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018)), bij helfte tussen de geregistreerd partners moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 9 augustus 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 9 augustus 2024.
Omvang
De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen ter beoordeling aangedragen:
het woonhuis aan de [adres] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;
de inboedel;
de auto van het merk Ford Ka uit 2009;
e bankrekeningen;
1. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen;
2. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;
3. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw;
4. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van de man;
5. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 5] op naam van de man;
6. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 6] op naam van de man;
een krediet bij KPN Finance;
een lening bij de ouders van de man;
aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 2] B.V.
Ad a. het woonhuis met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening
De vrouw heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de woning moet worden verkocht. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat partijen binnen drie weken na de beschikking aan [bedrijf 1] een opdracht geven tot verkoop van de woning. Daarbij heeft de vrouw verzocht te bepalen dat partijen alle kosten inzake de verkoop en overdracht van de woning bij helfte delen.
De man heeft voorgesteld dat de onderhandse verkoopwaarde van de woning in opdracht en voor rekening van beide partijen, bindend zal worden bepaald door [bedrijf 1] . De man heeft verzocht te bepalen dat de woning aan de man wordt geleverd onder de voorwaarden dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning gevestigde hypothecaire geldlening en dat de aan de vrouw uit hoofde van verdeling/vermogensrechtelijke afwikkeling per saldo toekomende geldsom na verrekening met de vergoedingsrechten van de man zal zijn gecrediteerd op de derdengeldrekening van de behandelend notaris.
Op de zitting heeft de vrouw ermee ingestemd dat de man de gelegenheid krijgt om te bezien of hij de vrouw kan uitkopen. Op de zitting is besproken dat partijen binnen twee weken na de zitting een afspraak maken bij [bedrijf 1] te [plaats] voor taxatie van de woning. De rechtbank zal aldus bepalen. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat op de datum van deze beschikking de taxatie van de woning heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan een eventuele overname van de echtelijke woning door de man en, in het geval de man daartoe niet in staat is, aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde met inachtneming van het hier direct onderstaande.
Vergoedingsrecht man in verband met aanwending privévermogen bij aankoop echtelijke woning
De man heeft gesteld dat hij een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft vanwege de door hem gedane investering bij de aankoop van de echtelijke woning. De man heeft zijn vergoedingsrecht begroot op € 393.382,35. De vrouw heeft hiermee ingestemd. Gelet hierop zal de rechtbank in het dictum van deze beschikking bepalen dat bij de overdracht van de echtelijke woning aan de man of aan een derde rekening gehouden moet worden met dit vergoedingsrecht.
Ad b. de inboedel
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel tussen partijen in onderling overleg bij helfte zal worden verdeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad c. de auto Ford Ka
Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat de auto Ford Ka aan de vrouw zonder verrekening zal worden toegedeeld. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad d. de bankrekeningen
Partijen zijn het er op de zitting over eens geworden dat partijen de saldi van de bankrekeningen per peildatum bij helfte met elkaar moeten delen, waarna de bankrekeningen worden toegedeeld aan de partij op wiens naam de bankrekening is gesteld. De rechtbank verwacht van de man dat hij aan de vrouw inzage zal geven in de saldi van de bankrekeningen op naam van de man op de peildatum. De vrouw heeft reeds inzage gegeven in de saldi van de bankrekeningen op haar naam. De rechtbank gaat ervan uit dat de gezamenlijke rekening van partijen na verrekening zal worden opgeheven.
Ad e en f. krediet KPN Finance en lening bij ouders van de man
De man heeft gesteld dat beide partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn en voor de helft draagplichtig zijn voor deze schulden.
Op de zitting heeft de vrouw erkend dat het krediet bij KPN een gemeenschapsschuld betreft. De vrouw heeft ten aanzien van de schuld bij de ouders van de man gesteld dat de man het bestaan van de schuld, de hoogte van de schuld en de reden voor het aangaan van deze schuld niet heeft aangetoond.
De rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW Pro. Gelet op artikel 1:100, tweede lid, BW geldt in de onderlinge verhouding tussen partijen dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide partijen voor een gelijk deel worden gedragen. Dit kan anders zijn als dat schriftelijk is overeengekomen of als uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide partijen tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW Pro.
Nu ten aanzien van het krediet en de schuld geen concreet verzoek aan de rechtbank voorligt, zal de rechtbank een beslissing achterwege laten.
Ad g. aandelen BV
De man heeft verzocht de aandelen van de BV toe te delen aan de man zonder verdere verrekening. De man heeft gesteld dat hij enig aandeelhouder is van de BV. Volgens de man worden er geen activiteiten verricht in de Holding en de werkmaatschappij, waardoor de waarde van de aandelen nihil is.
Nu de vrouw heeft ingestemd met toedeling van de aandelen van de BV aan de man zonder verdere verrekening, zal de rechtbank aldus beslissen.
Voortgezet gebruik
De vrouw heeft verzocht om het voortgezet gebruik van de woning en de inboedel voor de duur van zes maanden na de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Op de zitting heeft de man alsnog ingestemd met het verzoek van de vrouw, mits hem een gebruiksvergoeding wordt toegekend.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en aldus bepalen dat aan de vrouw het voortgezet gebruik toekomt voor de duur van zes maanden na inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Ten aanzien van de gebruiksvergoeding overweegt de rechtbank als na te melden.
Gebruiksvergoeding echtelijke woning
De man heeft verzocht, met ingang van 1 mei 2024 en tot de eigendom van de woning is overgedragen, een gebruiksvergoeding vast te stellen van € 18.935,- per jaar (zijnde de overwaarde van € 541.000,- x 50% x 7%), oftewel € 1.578,- per maand. Hiertoe heeft de man gesteld dat hij feitelijk in april 2024 de echtelijke woning heeft verlaten en dat de vrouw daarom gehouden is om voor de periode waarin zij de echtelijke woning met uitsluiting van de man gebruikt, aan de man een gebruiksvergoeding te voldoen. Volgens de man bedraagt de wettelijke rente sinds 1 januari 2024 7% en de wettelijke handelsrente 12,25%. Gelet hierop acht de man een gebruiksvergoeding van 7% redelijk. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij ook kan leven met een gebruiksvergoeding van 4%.
De vrouw heeft zich verzet tegen het verzoek van de man. Zij acht de door de man verzochte gebruiksvergoeding in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Daarbij heeft de vrouw aangevoerd dat zij al geruime tijd de volledige zorg voor de kinderen draagt en de man geen onderhoudsbijdrage heeft betaald voor de kinderen. Bovendien heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat de gebruiksvergoeding enkel voor de duur van het voortgezet gebruik aan de orde kan zijn en de gebruiksvergoeding dus slechts kan ingaan vanaf de datum van inschrijving van de beschikking. De vrouw acht een gebruiksvergoeding van 7% onredelijk. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de vrouw een gebruiksvergoeding moet betalen, acht de vrouw een gebruiksvergoeding van 2% redelijk voor de duur van het voortgezet gebruik vanaf de inschrijving van de beschikking en over de helft van de overwaarde.
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat de man grotendeels de lasten van de echtelijke woning heeft voldaan en momenteel geen gebruik meer maakt van de woning. De vrouw is daarom een gebruiksvergoeding aan de man verschuldigd. De vrouw heeft terecht gesteld dat de gebruiksvergoeding ziet op compensatie van misgelopen rente over dat deel van het vermogen dat in de woning zit wat de man toekomt en waarover de man niet kan beschikken. Daarbij past het naar het oordeel van de rechtbank niet om uit te gaan van de handelsrente of wettelijke rente, nu dit niet de rente is die de man over zijn vermogen kan ontvangen. De rechtbank acht een gebruiksvergoeding van 2% van het aan de man toekomende deel van de overwaarde meer reëel. De rechtbank zal de gebruiksvergoeding vaststellen voor de periode dat de ontbinding van het geregistreerd partnerschap is ingeschreven en de woning nog niet is geleverd aan de man of is verkocht aan een derde. Weliswaar heeft de man in de periode daarvoor grotendeels de lasten van de echtelijke woning voldaan, maar afspraken over de verdeling van de kosten van de huishouding hebben partijen niet gemaakt. De vrouw heeft gesteld dat zij ook eigenaarslasten heeft voldaan en daarnaast ook de kosten voor de kinderen. De rechtbank vindt het daarom niet redelijk om alleen de woonlastenpost te verrekenen, temeer nu partijen elkaar op grond van artikel 1:81 BW Pro tijdens het geregistreerd partnerschap het nodige moeten verschaffen. De exacte overwaarde van de woning is op dit moment niet bij de rechtbank bekend. De rechtbank zal daarom de door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding vaststellen op 2% per jaar van het aan de man toekomende deel van de overwaarde, om te rekenen naar een maandelijks bedrag, en daarbij uitgaan van de nieuw uit te voeren taxatie van de woning. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de vergoeding verrekend zal worden met de overwaarde dan wel onderwaarde van de woning die de vrouw toekomt of voor haar rekening komt op het moment van levering.
Brief aan [minderjarige]
Tegelijkertijd met de beschikking zal de kinderrechter aan [minderjarige] een brief sturen, waarin de beslissing aan haar wordt uitgelegd. In die brief is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige] ,
Wij hebben elkaar op 25 november 2025 gesproken. Je hebt mij verteld dat je nu veel dingen aan je hoofd hebt. Je woont nu bij je moeder en je hebt nu geen behoefte aan contact met je vader. Je wil graag zelf bepalen wanneer je weer contact met je vader hebt.
Ik heb hierover op 27 november 2025 met je ouders en met de Raad voor de Kinderbescherming gepraat. Je vader heeft aangegeven dat hij graag het contact met jou wil herstellen, maar hij jou daar niet toe wil dwingen. Je vader heeft ook aangegeven dat hij begrijpt dat jij tijd en ruimte nodig hebt, voor je weer klaar bent voor contact met hem. Ik zal daarom geen vaste regeling vastleggen. Ik hoop dat je na deze beslissing tot rust kan komen. Ook hoop ik dat jij en je vader zo de tijd en ruimte hebben om jullie band te herstellen en dat je, als je daar klaar voor bent, weer in contact met je vader kan komen.
Jouw ouders ontvangen van mij een beschikking waarin ik het hetzelfde vertel als in deze brief. Zo weten jouw ouders ook wat ik heb besloten over het contact met jouw vader.
Met vriendelijke groet,
De kinderrechter

Beslissing

De rechtbank:
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, aangegaan op [dag] 2013 te [plaats] ;
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
bepaalt dat de man aan de vrouw een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] zal betalen, voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen, van:
  • € 366,- per maand over de periode van 9 augustus 2024 tot 1 januari 2025;
  • € 420,- per maand in 2025;
  • € 366,- per maand met ingang van 1 januari 2026;
bepaalt dat de man aan de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] , een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie zal betalen, voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen, van:
  • € 128,- per maand over de periode van 9 augustus 2024 tot 1 januari 2025;
  • € 146,- per maand in 2025;
  • € 128,- per maand met ingang van 1 januari 2026;
stelt de verdeling van de partnerschapsgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen twee weken na de zitting een gezamenlijke opdracht aan [bedrijf 1] te [plaats] tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de man dient binnen twee maanden na de beschikking aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus het vergoedingsrecht van de man van € 393.382,35, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander – binnen vier weken na datum van de inschrijving van de beschikking – hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus het vergoedingsrecht van de man van € 393.382,35, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
aan de man worden toegedeeld:
- in overleg met de vrouw de helft van de inboedel in de echtelijke woning;
- de helft van het saldo op de peildatum (9 augustus 2024) van de
bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (9 augustus 2024) van de
bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;
- de helft van het saldo op de peildatum (9 augustus 2024) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw;
- de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van de man, waarbij het saldo op de peildatum (9 augustus 2024) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
- de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 5] op naam van de man, waarbij het saldo op de peildatum (9 augustus 2024) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
- de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 6] op naam van de man, waarbij het saldo op de peildatum (9 augustus 2024) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
- de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 2] B.V., zonder nadere verrekening;
aan de vrouw worden toegedeeld:
- in overleg met de man de helft van de inboedel in de echtelijke woning;
- de auto van het merk Ford Ka uit 2009, zonder nadere verrekening;
- de helft van het saldo op de peildatum (9 augustus 2024) van de
bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen;
- de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw, waarbij het saldo
op de peildatum (9 augustus 2024) bij helfte met de man moet worden gedeeld;
- de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw, waarbij het saldo
op de peildatum (9 augustus 2024) bij helfte met de man moet worden gedeeld;
- de helft van het saldo op de peildatum (9 augustus 2024) van de
bankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van de man;
- de helft van het saldo op de peildatum (9 augustus 2024) van de
bankrekening eindigend op [rekeningnummer 5] op naam van de man;
- de helft van het saldo op de peildatum (9 augustus 2024) van de
bankrekening eindigend op [rekeningnummer 6] op naam van de man;
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
bepaalt dat de vrouw, met ingang van de datum van de inschrijving van de beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand, per jaar 2% van het aan de man toekomende deel van de overwaarde, om te rekenen naar een maandelijks bedrag, als gebruiksvergoeding aan de man dient te betalen zolang zij gebruik maakt van de echtelijke woning;
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap – uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 januari 2026.