Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2288

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/695177 / FA RK 25-8919
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige kinderalimentatie op grond van artikel 223 Rv

Partijen zijn ouders van twee minderjarige kinderen die bij de vrouw verblijven, die tevens het eenhoofdig gezag heeft. De man erkent een van de kinderen. Partijen hadden een onderlinge afspraak dat de man maandelijks €270,- aan kinderalimentatie zou betalen. De vrouw verzocht de rechtbank om bij wijze van voorlopige voorziening een hogere bijdrage van €699,- per maand per kind te bepalen, omdat de man sinds januari 2024 geen bijdrage meer levert en zij de volledige kosten draagt.

De rechtbank stelt vast dat het verzoek samenhangt met de hoofdvordering in de bodemprocedure en dat de vrouw ontvankelijk is. Voor het toewijzen van een voorlopige voorziening is echter vereist dat er een spoedeisend belang bestaat, dat wil zeggen dat van de vrouw niet gevergd kan worden de afloop van de bodemprocedure af te wachten.

De vrouw heeft onvoldoende spoedeisend belang onderbouwd. De man betaalt al langere tijd niet, maar de vrouw beschikt over eigen inkomen en er is geen acute financiële noodsituatie. Daarom is het niet onredelijk dat zij de eindbeslissing in de hoofdzaak afwacht.

De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorzieningen af en bevestigt daarmee dat de huidige situatie geen aanleiding geeft tot een voorlopige wijziging van de alimentatieverplichting.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige kinderalimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8919
Zaaknummer: C/09/695177
Datum beschikking: 6 januari 2026

Voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv Pro (kinderalimentatie)

Beschikking op het op 25 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G. Jagesar te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J. van Steensel te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats] .
  • [de minderjarige 1] is door de man erkend.
  • De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
  • De vrouw is met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen belast.
  • Partijen hebben in het kader van de kosten van het levensonderhoud van de minderjarigen onderling afgesproken dat de man vanaf 23 oktober 2023 maandelijks € 270,- aan kinderalimentatie zal voldoen.

Verzoek

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe om bij wijze van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor de duur van het geding:
- te bepalen dat de man met ingang van datum indiening verzoekschrift verplicht is tot het leveren aan de vrouw van een
voorlopigebijdrage in de volledige kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 699,- per maand en per kind, althans tot een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en met ingang van en tot aan een dusdanig tijdstip als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Op grond van artikel 223, eerste lid, Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533). De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarde dat de gevraagde voorziening samenhangt met het verzoek dat door de vrouw in de bodemprocedure is ingediend (bij de rechtbank bekend met zaak- en rekestnummer C/09/695154 FA RK 25-8908). In de bodemprocedure wordt immers ook gevraagd om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek, zodat de rechtbank zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Voor wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de duur van de bodemprocedure is in het kader van artikel 223 Rv Pro slechts plaats, indien naar het oordeel van de rechtbank een (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht.
De vrouw stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van voorlopige voorzieningen. Ter onderbouwing hiervan voert zij aan dat de man, ondanks verzoeken, sinds 29 januari 2024 geen bijdrage meer levert in de kosten van het levensonderhoud van de kinderen. Omdat het gaat om een onderlinge afspraak heeft de vrouw geen executoriale titel. De vrouw betaalt de aflossing van de hoge schulden van partijen en zij draagt de volledige kosten van de kinderen. De vrouw stelt dat zij niet langer in staat is al deze kosten te dragen en verzoekt daarom een voorlopige kinderalimentatie van € 699,- per maand per kind.
De rechtbank overweegt dat de vrouw in haar verzoek ex artikel 223 Rv Pro onvoldoende haar spoedeisend belang heeft onderbouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man al langere tijd geen kinderalimentatie betaalt en dat de vrouw eigen inkomen heeft. Er is geen acute financiële noodsituatie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een situatie dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de eindbeslissing in de hoofdzaak afwacht. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om voorlopige voorzieningen te treffen dan ook afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 januari 2026.