ECLI:NL:RBDHA:2026:2454

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4624
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Ketelaars - Mast
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet afgewezen

Eiser, een vreemdeling van Gambiaanse nationaliteit, werd op 20 januari 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet. De maatregel was gebaseerd op het risico van onttrekking aan toezicht en het ontbreken van voldoende zekerheid over zijn identiteit.

De rechtbank behandelde het beroep op 6 februari 2026 via telehoor. De minister motiveerde dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland was binnengekomen, niet meewerkte aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, en dat er een risico op onttrekking bestond. Eiser betwistte deze gronden niet.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel terecht was opgelegd, dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond, en dat de medische omstandigheden van eiser voldoende waren betrokken. Voorts was de minister voortvarend in de afhandeling van de asielaanvraag.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4624

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Gambiaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

1. Bij besluit van 20 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Hij heeft zich op de rechtbank in Groningen laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a (a-grond) en b (b-grond) van de Vw. Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (b-grond). De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreek zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de a-grond van artikel 59b, van de Vw is opgelegd. Voor de a-grond van artikel 59b van de Vw is vereist dat de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee bewaringsgronden voordoen. De minister stelt in de maatregel van bewaring terecht dat er onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van eiser, omdat hij niet in bezit is van identiteitsdocumenten. Dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst in de asielprocedure geloofwaardig zijn geacht, maakt dat niet anders. Zoals blijkt uit de toelichting in de maatregel heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor van 23 juni 2023 verklaard dat zijn geboorteakte in Gambia ligt. Eiser heeft, ondanks zijn medewerkingsplicht, echter geen verifieerbare acties ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen.
5.1.
Daarnaast heeft de minister de maatregel eveneens op de b-grond van artikel 59b van de Vw kunnen baseren. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht - door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb opgenomen lichte en zware gronden - ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. Dit is door eiser niet betwist.
Gronden
6. De minister heeft zware grond 3b ter zitting laten vallen.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 [4] volgt dat, om de gronden 3a, 3c, 3d en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3a feitelijk juist is, omdat eiser bij binnenkomst in Nederland niet beschikte over een visum of mvv [5] . Dat een vreemdeling als asielzoeker inreist, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de niet betwiste gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de zware en lichte gronden, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende waren om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er ten tijde van de inbewaringstelling een risico op onttrekking bestond.
Lichter middel
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Door de minister is eiser erop gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de medische klachten die ten tijde van de inbewaringstelling nog niet bij de minister bekend waren. De rechtbank stelt vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in het detentiecentrum niet voldoet. Indien eiser meent dat de medische behandeling ontoereikend is, kan hij hierover klagen bij de directeur van het detentiecentrum. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van andere persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien om aan eiser een lichter middel van bewaring op te leggen.
Voortvarend handelen
8.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [6] volgt dat de minister bij een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. De handelingen die de minister wel moet verrichten zien op de afhandeling van de asielaanvraag. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. [7] De rechtbank stelt vast dat op 29 januari 2026 een “
gehoor opvolgende aanvraag” heeft plaatsgevonden, de minister op 1 februari 2026 een voornemen heeft uitgebracht en op 4 februari 2026 een asielbesluit heeft genomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in onderhavige procedure onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de asielaanvraag van eiser.
Zicht op uitzetting
9. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 [8] heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
5.Machtiging tot voorlopig verblijf.
6.Zie de uitspraken van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553 en 30 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2194.
7.Uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1156.