ECLI:NL:RBDHA:2026:2467

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.36393 en NL25.36398
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 28 Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 8:72 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen transpersonen uit Verenigde Staten bevestigd ondanks opschorting veilige landenlijst

Eisers, twee transpersonen uit de Verenigde Staten, dienden asielaanvragen in die door de minister werden afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van de veilige landenlijst. Na opschorting van deze lijst door de minister, stelde de rechtbank vast dat de afwijzing op die grond niet langer stand kon houden en verklaarde de beroepen gegrond. De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht had overwogen dat eisers, gelet op hun individuele situatie en de actuele situatie voor transpersonen in de VS, geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro hadden aangetoond.

De rechtbank constateerde dat de minister de aanvraag van eiseres 1 ten onrechte in een versnelde procedure (spoor 2) had behandeld, maar dat dit geen nadelige gevolgen had gehad voor haar belangen. De minister had voldoende onderzoek gedaan naar de situatie in de VS, waarbij werd erkend dat de situatie voor transpersonen verslechterd is, maar dat er geen sprake is van systematische uitsluiting of geweld zonder adequate bescherming door autoriteiten.

Eisers konden niet aannemelijk maken dat zij persoonlijk een reëel risico lopen op vervolging of ernstige schending van hun rechten. De rechtbank concludeerde dat de minister de aanvragen terecht ongegrond heeft verklaard en bepaalde dat deze uitspraak geldt als terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken. De minister werd veroordeeld in de proceskosten van eisers.

Uitkomst: De asielaanvragen worden afgewezen als ongegrond, maar de eerdere afwijzing als kennelijk ongegrond wordt vernietigd vanwege opschorting van de veilige landenlijst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.36393 en NL25.36398

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1] , eiseres 1,

[naam 2] , eiseres 2,

geboren op [geboortedatum 2] ,
van Amerikaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer 2] ,
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr A.E. Geçer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 23 april 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 31 juli 2025 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf
3. De rechtbank overweegt eerst het volgende. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de vrouwelijke aanspreekvorm voor eiseres 2. Het is de rechtbank bekend dat eiseres inmiddels als man wenst te worden aangesproken en als [naam 3] door het leven gaat. Hoewel op zitting gehoor is gegeven aan deze wens, zoekt de rechtbank in deze uitspraak aansluiting bij de officiële registratie in het dossier.
Het asielrelaas
4. Eiseres 1 legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres 1 heeft verklaard gediscrimineerd te zijn vanwege haar leeftijd en gehoor. Ook stelt ze haar politieke overtuiging te hebben geuit. Eiseres 2 legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres 2 heeft verklaard non-binair te zijn en problemen te hebben ervaren vanwege haar etniciteit en genderidentiteit. Ze heeft verder verklaard dat ze op school gepest is op basis van haar etniciteit. Ook heeft ze verteld dat ze speciaal onderwijs volgt omdat ze ADHD en dyslexie heeft. Eiseres 2 stelt dat de Verenigde Staten (VS) niet langer veilig is voor zwarte en gemixte mensen onder de Trump regering. Ook heeft ze verklaard gevlucht te zijn vanwege haar mentale gezondheid. Tot slot heeft eiseres 2 verteld dat ze suïcidaal is. Bij terugkeer naar de VS vreest eiseres beschoten en gedood te worden.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres 2 bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Problemen vanwege de etniciteit en genderidentiteit.
De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. De minister heeft de VS aangemerkt als veilig land van herkomst en heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres 2 niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aanleiding is om aan te nemen dat de VS ten aanzien van eiseres persoonlijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als kennelijk ongegrond.
6. Het asielrelaas van eiseres 1 bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Discriminatie en pesterijen vanwege de leeftijd en de hoorbeperking;
- Politieke overtuiging en de uiting van deze politieke overtuiging.
De minister heeft alle asielmotieven geloofwaardig geacht. De minister heeft de VS aangemerkt als veilig land van herkomst en heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres 1 niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aanleiding is om aan te nemen dat de VS ten aanzien van eiseres persoonlijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als kennelijk ongegrond.
7. Op 6 oktober 2025 heeft de minister een verweerschrift ingediend. In het verweerschrift is overwogen dat, naar aanleiding van de brief van 23 september 2025 van de minister aan de Tweede Kamer en de daarin aangekondigde opschorting van de toepassing van de (nationale) lijst met veilige landen, de minister zich niet meer op het standpunt stelt dat de bezwaren van eisers kennelijk ongegrond zijn omdat zij afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst. Volgens de minister zijn de bezwaren wel ongegrond, omdat uit de ingebrachte en bekende actuele informatie bij terugkeer voor lhbtqi+ personen niet blijkt van vervolging of een risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM [2] . De minister heeft ter onderbouwing hiervan verwezen naar verschillende bronnen.
Heeft de minister de aanvraag van eisers als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen?
8. De minister heeft bij Kamerbrief van 23 september 2025 meegedeeld dat hij de toepassing van de nationale lijst met veilige landen van herkomst heeft opgeschort. Als gevolg hiervan wordt een aantal landen, waaronder de VS, niet langer als een veilig land van herkomst aangemerkt. De grond waarop de asielaanvragen van eisers als kennelijk ongegrond is afgewezen is daarmee komen te vervallen. De bestreden besluiten kunnen om deze reden niet langer standhouden. De rechtbank zal de beroepen daarom gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen.
9. Eisers stellen dat de minister in andere zaken uit de VS het besluit na de opschorting van de nationale lijst met veilige landen van herkomst heeft ingetrokken en besloten heeft eisers opnieuw te horen. Eisers betogen dat de minister in dit geval de besluiten eveneens had moeten intrekken nu de besluiten zijn genomen terwijl werd uitgegaan van de VS als veilig land van herkomst. Ondanks dat eiseres 2 aanvullend is gehoord, is het besluit volgens eisers onzorgvuldig tot stand gekomen, omdat de aanvraag is beoordeeld door de bril van een ‘spoor 2’ behandeling.
10. De rechtbank stelt vast dat de minister de asielprocedure van eiseres 1 heeft behandeld in het zogeheten ‘spoor 2’. Dit is een versnelde procedure die onder meer wordt toegepast als de vreemdeling uit een veilig land van herkomst afkomstig is. Omdat de minister de toepassing van de nationale lijst met veilige landen van herkomst heeft opgeschort en ook de VS niet langer als veilig land van herkomst wordt aangemerkt, heeft de minister de aanvraag van eiseres 1 ten onrechte in spoor 2 behandeld. De minister had de asielaanvraag van eiseres 1 eigenlijk in ‘spoor 4’ (de algemene en verlengde asielprocedure) moeten behandelen. Dit is van belang, omdat de versnelde procedure van spoor 2 minder procedurele waarborgen kent dan spoor 4. De asielaanvraag van eiseres 1 hangt weliswaar voor een groot deel samen met de asielaanvraag van eiseres 2, maar eiseres 1 heeft ook eigen asielmotieven die door de minister zijn beoordeeld.
11. De rechtbank is echter van oordeel dat niet is gebleken dat eiseres 1 door de afdoening van haar asielaanvraag in spoor 2 onvoldoende heeft kunnen verklaren over haar asielmotieven of op een andere wijze in haar belangen is geschaad. Eiseres 1 heeft tijdens het gehoor kunnen verklaren over de problemen die zij in de VS heeft ondervonden en heeft niet geconcretiseerd wat zij nog meer had kunnen verklaren als haar aanvraag in spoor 4 zou zijn behandeld. Daarbij komt dat de asielmotieven van eiseres 1 geloofwaardig zijn bevonden door de minister. Evenmin is gebleken dat eiseres 1 door het onthouden van een medisch onderzoek in haar belangen is geschaad. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat er in dit geval geen aanleiding bestond om eiseres 1 aanvullend te horen dan wel het besluit in te trekken.
12. Ook voor wat betreft eiseres 2 ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit ingetrokken had moeten worden. In het verweerschrift van 6 oktober 2025 is door de minister het standpunt dat de asielaanvragen kennelijk ongegrond zijn ingetrokken. De minister heeft in het verweerschrift gemotiveerd waarom de asielaanvragen als ongegrond moeten worden afgewezen. De rechtbank merkt het verweerschrift aan als een aanvullende motivering en ziet in deze werkwijze geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit alsnog ingetrokken had moeten worden.
13. Gelet op de verplichting om het geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten, zal de rechtbank hierna beoordelen of de minister zich wel op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor de verlening van een asielvergunning en dat de asielaanvragen daarmee ongegrond zijn. De rechtbank zal daarbij gelet op de ex nunc-beoordeling ook de feiten en omstandigheden die partijen ná het bestreden besluit hebben aangevoerd in haar beoordeling betrekken.
Heeft de minister terecht overwogen dat eisers niet in aanmerking komen voor een asielvergunning?
14. Eisers betogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij niet in aanmerking komen voor een asielvergunning. Eisers stellen dat het klemt dat er geen actuele landeninformatie aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Nu er grote veranderingen in het politieke, juridische en sociale veld zijn aangebracht door de regering Trump is dit wel van belang. Daarbij is duidelijk wat er daadwerkelijk uitgevoerd gaat worden van de plannen van de regering Trump en wat de intenties zijn van deze regering. De minister is daarom gehouden om inzichtelijke, kenbare bronnen van landeninformatie te hanteren en ook een actueel algemeen ambtsbericht te laten opstellen. Eisers hebben verder verwezen naar verschillende bronnen die zien op de ontwikkelingen in de VS. Er is een enorme hoeveelheid aan wetsvoorstellen gedaan die transrechten beogen te ontnemen en een groot aantal hiervan is ook daadwerkelijk aangenomen. Eisers verwijzen – samengevat – naar verschillende bronnen waaruit volgt dat de wettelijke definitie van man en vrouw wordt gewijzigd, dat transzorg voor jongeren onmogelijk wordt gemaakt waaronder ook psychologische zorg valt, dat een aantal groepen als binnenlandse terroristen worden gezien waaronder mensen met een genderideologie en worden opgepakt, dat blijkt dat ICE verschillende mensen oppakt en dat Portland Oregon maar ook andere progressieve steden niet langer veilig zijn voor transgenders.
14. Tussen partijen is niet in geschil dat er zorgen bestaan over de recente overheidsmaatregelen in de VS ten aanzien van transpersonen. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of de minister voldoende zorgvuldig naar de huidige situatie in de VS heeft gekeken en of die situatie dusdanig ernstig is dat eisers in aanmerking komen voor een asielvergunning. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende onderzoek heeft gedaan naar de situatie in de VS en hier voldoende gemotiveerd op is ingegaan. De minister is aan de hand van verschillende bronnen ingegaan op de situatie in de VS. Dat een deel van de bronnen zijn gebruikt ter onderbouwing toen het veilige landenbeleid nog gold maakt niet dat sprake is van een onzorgvuldigheid. In de bronnen wordt immers verwezen naar de situatie van lhbtiq+-personen en transpersonen. De minister is vervolgens in het verweerschrift van 6 oktober 2025 ingegaan op de ontwikkelingen in de VS sinds het aantreden van president Trump en heeft hierbij actuele landeninformatie betrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende gemotiveerd is ingegaan op de actuele situatie in de VS. Dat er geen actueel algemeen ambtsbericht is met betrekking tot de VS, maakt niet dat de minister onvoldoende zorgvuldig de situatie in de VS heeft bekeken.
De algemene situatie voor transpersonen in de VS
14. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde landeninformatie volgt dat in de VS in de afgelopen jaren zowel op nationaal niveau als door staten in toenemende mate wetsvoorstellen zijn gedaan en presidentiële decreten zijn uitgevaardigd die de rechten van lhbtiq+’ers in het algemeen en transpersonen in het bijzonder inperken. De minister heeft in het verweerschrift opgenomen dat van de 937 anti-lhbtqi+-wetten die zijn ingediend, er 122 zijn aangenomen en 644 het niet hebben gehaald. In 2023 zijn er 84 anti-lhbtiq+-wetten aangenomen, waardoor sprake is van een stijging. Uit de landeninformatie volgt verder dat president Trump een presidentieel decreet heeft uitgevaardigd waarin staat dat de federale overheid enkel twee niet-veranderbare geslachten erkent (man en vrouw), federale financiering voor genderbevestigende zorg moet worden stopgezet en transpersonen niet langer nieuwe identiteitsdocumenten kunnen aanvragen die overeenkomen met hun genderidentiteit. [3]
18. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat de situatie voor transpersonen in de VS is verslechterd, zoals door eisers is betoogd. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende gemotiveerd dat, ondanks de verslechtering en de inperking van de rechten voor transpersonen, geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank overweegt dat uit de stukken niet naar voren komt dat transpersonen dusdanig worden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat zij in de VS onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren en/of systematisch het doelwit zijn van geweld. Uit de informatie blijkt bijvoorbeeld niet dat transpersonen systematisch geen toegang hebben tot medische zorg, huisvesting, onderwijs of een baan waarmee zij in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De minister heeft daarnaast ook terecht betrokken dat verschillende overheidsmaatregelen bij de rechter worden aangevochten en dat de uitvoering van meerdere maatregelen (tijdelijk) door de rechter zijn geblokkeerd. De minister heeft verder voorbeelden genoemd waaruit blijkt dat daders van ‘hate crimes’ tegen de lhbtiq+-gemeenschap strafrechtelijk zijn veroordeeld. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de (rechterlijke) autoriteiten zowel juridisch als feitelijk bescherming kunnen bieden. Van een situatie waarbij de autoriteiten in de VS transpersonen in het geheel niet willen of kunnen beschermen is dan ook niet gebleken.
De individuele situatie van eisers
19. Nu de rechtbank van oordeel is dat de situatie in de VS voor transpersonen niet zodanig is dat zij systematisch worden blootgesteld aan vervolging of als groep het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM is het aan eisers om aannemelijk te maken dat in hun individuele geval wél een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM bestaat.
19. De rechtbank is van oordeel dat eisers daarin niet zijn geslaagd. De minister heeft in dit kader terecht overwogen dat eiseres 2 niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij uitgesloten zal worden van zorg. De minister heeft hierbij verwezen naar de verklaring van eiseres 2 dat zij voor haar vertrek uit de VS terecht kon in een mentaal ziekenhuis. Niet is gebleken dat eiseres 2 hier in de toekomst niet terecht zou kunnen. De minister heeft verder verwezen naar het gegeven dat er nog steeds genderbevestigende zorg aanwezig is in andere staten, die niet worden beïnvloed door de verboden. De minister heeft in de overgelegde bronnen dan ook geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. Eiseres 2 heeft onvoldoende onderbouwd dat zij een reëel risico loopt dat zij geheel of gedeeltelijk zal worden uitgesloten van medische zorg. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat transpersonen in de VS een beroep kunnen doen op het rechtssysteem. De minister heeft, zoals hiervoor overwogen, allereerst gewezen op het gegeven dat verschillende overheidsmaatregelen door transpersonen en organisaties bij de rechter worden aangevochten en de uitvoering van meerdere maatregelen (tijdelijk) door de rechter zijn geblokkeerd. De minister heeft verder gewezen op het feit dat eiseres 2 zich heeft kunnen wenden tot de politie. Dat deze melding niet heeft geleid tot actie leidt niet tot een ander oordeel nu eisers zelf hebben verklaard de klachten niet doorgezet te hebben. Verder heeft de melding bij de schooldirectie geleid tot de schorsing van een schoolgenoot. Hieruit volgt dat er mogelijkheden zijn voor eisers om hulp in te schakelen. De minister heeft terecht geconcludeerd dat eiseres 2 niet dusdanig in haar bestaansmogelijkheden is beperkt dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal vlak te functioneren, dan wel dat een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
19. De minister heeft verder terecht overwogen dat eiseres 1 weliswaar te maken heeft gehad met discriminatie op haar werk, maar dat zij evenmin dusdanig in haar bestaansmogelijkheden is beperkt dat het voor haar onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal vlak te functioneren. Eiseres 1 heeft in de VS immers scholing gevolgd, gewerkt en uit niets blijkt dat er belemmeringen waren om een woning te bewonen. Daarbij weegt mee dat zij documenten had in het land van herkomst, te weten een nationaal paspoort. Verder heeft zij op legale wijze de VS kunnen verlaten. Bovendien heeft eiseres 1 niet aannemelijk gemaakt dat zij in de VS geen bescherming van de autoriteiten kan inroepen. Ten aanzien van de politieke overtuiging heeft de minister terecht opgemerkt dat eiseres 1 heeft verklaard dat zij zich sinds 2016 negatief heeft uitgelaten over Trump, en dus voor de eerste presidentiële termijn. Niet is gebleken dat eiseres 1 in de periode daarna nog problemen heeft gehad vanwege haar eerdere negatieve uitlatingen.
19. Eisers hebben verder aangevoerd dat in de VS sprake is van een snel verslechterende situatie. Daarbij hebben zij ook gewezen op de behandeling van (ongedocumenteerde) immigranten in de VS en stellen zij dat er door de Amerikaanse immigratiedienst ICE willekeurig mensen worden aangehouden. Eiseres 2 is Afro Amerikaans en loopt daarom het risico om eveneens door ICE te worden aangehouden en te zullen worden mishandeld. Eisers hebben hierbij verwezen naar berichtgeving over aanhoudingen, mishandeling en moorden door ICE.
19. De rechtbank is van oordeel dat eisers onvoldoende hebben onderbouwd waarom de wijze waarop de Amerikaanse overheid met immigranten of andere bevolkingsgroepen omgaat, betekent dat eiseres 2 persoonlijk een gegronde vrees heeft dat zij zal worden vervolgd of te maken zal krijgen met een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Eiseres 2 beschikt immers over de Amerikaanse nationaliteit en heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in dezelfde positie verkeert als (ongedocumenteerde) migranten. De rechtbank is verder met de minister van oordeel dat door eisers onvoldoende is onderbouwd dat zij als binnenlandse terroristen zullen worden gezien. In de aangehaalde bron wordt verwezen naar binnenlandse terroristen die geweld of de dreiging van geweld gebruiken om politieke en sociale agenda’s promoten. Niet valt in te zien waarom eisers hieronder zouden vallen. De minister heeft in het gegeven dat eiseres 1 in het verleden geld heeft gegeven aan antifa geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel.
19. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers – gelet op hun individuele situatie en de huidige algemene situatie voor transpersonen in de VS – hun vrees voor vervolging of een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM niet aannemelijk hebben gemaakt.

Conclusie en gevolgen

25. Nu de asielaanvragen van eisers niet als kennelijk ongegrond mochten worden afgewezen en de minister in het verlengde daarvan ook niet kon overgaan tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrekplicht en een inreisverbod, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, voor zover het de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond en de uitvaardiging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod betreft.
25. De rechtbank ziet, in het kader van de finale geschilbeslechting en gelet op proceseconomische redenen, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Zoals in deze uitspraak is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de minister de asielaanvragen wel ongegrond mocht verklaren. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb [4] te bepalen dat de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. Dit houdt in dat deze uitspraak heeft te gelden als een terugkeerbesluit en dat de vertrektermijn vier weken bedraagt. Deze vertrektermijn vangt aan met ingang van de dag na bekendmaking van deze uitspraak aan partijen. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt vier weken.
27. Omdat de beroepen gegrond zijn, veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eisers. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Daarbij beschouwt de rechtbank de twee beroepszaken op grond van artikel 3 van Pro het Bpb [5] als samenhangende zaken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- bepaalt dat de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000;
- bepaalt dat deze uitspraak heeft te gelden als een terugkeerbesluit en dat eisers na bekendmaking van deze uitspraak Nederland uit eigen beweging binnen vier weken dienen te verlaten;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gespeudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Executive order 14168, “Defending Women from Gender Ideology Extremism and Restoring Biological Truth to the Federal Government”.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Besluit proceskosten bestuursrecht.